Westland

Aardbeien

Verslag van de lezing ‘Aardbeien met smaak’ van Jan Robben op donderdagavond 12 maart 2009

De ene aardbei is de andere niet, want kleur, smaak en vorm bepalen de populariteit van een aardbei en juist met de smaak houdt Jan Robben zich graag bezig.

Na jarenlang ervaring te hebben opgedaan op het ouderlijk bedrijf in Berkel-Enschot is Jan Robben in 1986 in Oirschot, Noord-Brabant, begonnen als vollegronds aardbeienteler op 7,5 hectare. Op het bedrijf worden de aardbeien nog traditioneel in de grond geteeld, met stro tussen de planten om de vruchten zo goed mogelijk te kunnen beschermen.

Strawberry Tree

Terwijl hij tot voor kort zijn product via de veiling afzette houdt Jan Robben zich tegenwoordig veel meer bezig met de smaak van aardbeien. Inmiddels is zijn product een begrip geworden in de culinaire wereld, waar het dan ook gretig aftrek vindt. Met aandacht voor natuur en milieu kweekt Jan een groot aantal verschillende rassen aardbeien met allemaal hun eigen specifieke smaak. En die smaak wil hij dan maar al te graag onder de aandacht brengen. Dit heeft inmiddels geleid tot de z.g. Strawberry Tree, een kunstvoorwerp, waarop smaakaardbeien op een wel zeer aantrekkelijke wijze worden gepresenteerd. Deze manier van presenteren heeft inmiddels zijn weg gevonden op vele diners, feesten, congressen en andere happenings en al meer dan eens heeft deze presentatieschaal een bruidstaart vervangen (www.strawberrytree.nl). Door zijn creativiteit heeft Jan al diverse prijzen in de wacht gesleept. Regelmatig vinden er op zijn bedrijf ook culinaire proeverijen plaats.

Wat is een aardbei?
De aardbei (Fragaria) is een geslacht dat deel uitmaakt van de rozenfamilie (Rosaceae). Botanisch gezien is de aardbei een schijnvrucht. De werkelijke vruchten zijn eigenlijk de zaadjes/ pitjes op de aardbeien. Wat wij de aardbei noemen is in werkelijkheid het opgezwollen sappige en rood gekleurde weefsel van de bloembodem. Hoe meer pitjes er op het huidje van de aardbei voorkomen, hoe groter de aardbei. Aan elk zaadje zit een haartje en deze haartjes zijn, afhankelijk van het ras, soms de veroorzakers van allergische reacties. Deze haartjes komen ook op de bladsteel voor, waardoor plukkers soms ook onder de uitslag zitten.

De rhizoom is het belangrijkste deel van de plant en bevindt zich tussen grond en blad. Naast een gezonde plant en een gezond bodemleven zijn hommels en honingbijen belangrijk voor de bestuiving van de bloemen. Na de bestuiving komt de bevruchting tot stand waardoor de bloembodem opzwelt en de aardbei wordt gevormd. Er vindt ook bestuiving door de wind plaats. Voor de smaak van de aardbei is vooral ook licht erg belangrijk. Er komen over de wereld verspreid zo’n 20 soorten voor en van de geteelde aardbei zijn er vele honderden rassen. In Nederland worden meestal Noord-Europese rassen gekweekt. Bij deze rassen zijn daglengte en winterkoude belangrijk voor o.a. het strekken van de trossen. Bij deze z.g. kortedag-planten vindt in de periode van september – oktober de aanleg van de bloemknoppen plaats, waarna de plant in winterrust gaat. Als de dagen gaan lengen groeien de eerder aangelegde knoppen langzaam in trossen naar boven en eenmaal op lengte verschijnen dan al snel de eerste bloemen, dit zijn ook de grootste bloemen. Californische en doordragende rassen hebben deze koude echter niet nodig.

De productie

Het grootste gedeelte van de aardbeien die in Nederland worden geteeld komt uit Noord-Brabant (2/3). In totaal bestaat het areaal uit 2000 ha buitenteelt en 250 ha onder glas/plastic. Dit is slechts 5 % van de totaalproductie in Europa. T.o.v. een zo’n 30 jaar geleden is er veel veranderd op het gebied van teelttechniek en worden er nu ook aardbeien op substraat onder glas geteeld. De redding van de aardbeienteelt onder glas, aldus Jan Robben. Zelf staat hij juist met het oog op de smaak van de aardbei nog steeds achter zijn keuze voor de teelt op de volle grond.

De productie van jonge aardbeienplanten is al een hele teelt op zich. Het is bijna niet mogelijk om aardbeien uit zaad te kweken. Om van een bepaald aardbeienras nieuwe planten te kunnen oogsten plant de teler in maart een groot aantal zogenaamde moederplanten. Aan de uitlopers van deze planten ontwikkelen zich uitlopers. Hieraan worden nieuwe planten gevormd, die in augustus volgroeid zijn. Deze stekken worden uitgeplant op een productieveld of op een zogenaamd wachtbed.  Geplant op een productieveld houdt dit in dat de eerste aardbeien van deze planten op zijn vroegst na vijftien maanden kunnen worden geplukt.

Bevroren aardbeien

De planten op het wachtveld ondergaan echter een andere behandeling

Een van de meest revolutionaire ontwikkelingen van de afgelopen jaren is namelijk het koelen van planten. Om nagenoeg jaarrond te kunnen oogsten kunnen planten tegenwoordig, als ze in november in ruste gaan, vanuit het wachtbed uit de grond worden gehaald en in de koelcel op anderhalve graad Celsius onder nul worden bewaard. Deze planten kunnen dan op elk gewenst moment vanuit de koeling weer de grond in. Door de planten als het ware voor de gek te houden (de winter wordt kunstmatig verlengd) kan de oogst, die van nature slechts vier weken duurt, zo worden gespreid.

Door het gebruik van allerlei tunnelsystemen kan de teelt aan de andere kant ook weer worden vervroegd.

Een gevoelige teelt

Verder vertelde Jan Robben, dat het belangrijk is om aardbeien op de juiste diepte te planten en met gestrekte wortels. Te diep of te ondiep geplant veroorzaakt allerlei problemen, maar ook te natte grond is uit den Boze. Ook te veel mest in het begin van de teelt kan desastreus zijn, omdat de wortels dan erg gevoelig voor verbranding zijn. Het beste is het om organische mest te gebruiken aangevuld met wat kali aan het einde van de bloei of als de vrucht begint te rijpen. Het is tevens belangrijk om de grond voor het planten goed voor te bewerken door het aanbrengen van compost. Als de planten ongeveer 15 centimeter hoog zijn wordt er tarwestro aangebracht. Stro heeft verschillende functies. Aardbeien hebben de gewoonte om als ze uit beginnen te groeien en dus zwaarder worden, op de grond te gaan liggen. Ligt er dan geen stro onder, dan worden ze bij de eerste de beste regenbui vol gespat met aarde; vandaar de naam aardbei. Het aanbrengen van stro gebeurt machinaal. Binnen 3 uur kan 12 ton stro op 1 hectare worden aangebracht. Door het gebruik van stro worden ook problemen met schimmelziekten voorkomen en is het plukwerk aangenamer.

Slapeloze nachten

Een van de dingen die aardbeientelers slapeloze nachten oplevert is nachtvorst aan het einde van het voorjaar als de plant in bloei staat. Stro verlaagt namelijk ook de temperatuur. 2 graden Celsius boven nu, betekent een temperatuur van –1 graad Celsius onder stro. Gelukkig zijn er tegenwoordig z.g. nachtvorstmelders. Nachtvorst betekent dat er gesproeid moet gaan worden om de vorst uit de plant te weren (nachtvorstberegening). De planten worden dan cyclisch beregend. Na een week nachtvorst kan de situatie kritiek worden omdat de grond dan te nat wordt. Ook hagelbuien zijn verraderlijk voor het gewas. Na een hagelbui in begin juni 2000 waren de planten op alle percelen totaal verwoest. Toch houdt een aardbeienteler wel van frisse nachten, want te warme nachten zijn funest voor de vrucht.

De oogst

Aardbeien worden één voor één geplukt en daarom zijn er voor de oogst veel mensen nodig. Om de twee tot drie dagen doorloopt men het perceel en gemiddeld levert een hectare zo’n 15 tot 25 ton aardbeien op.

Tijdens de oogst komt men af en toe ook misvormde vruchten tegen. Deze worden verwerkt tot jam, sap of ijs. Dat deze vruchten de gekste vormen kunnen hebben bleek uit een foto van een reuzenaardbei die door zijn broer, Gert-Jan Robben, was geoogst. Deze vrucht had een doorsnede van 12 centimeter en woog ongeveer 180 gram. Aardbeien kunnen soms ook hol zijn.

Het belang van een goed ecosysteem ook rondom het bedrijf

Aardbeien kennen ook belagers. Zo weten vogels precies wat lekkere aardbeien zijn. Ook worden ze aangevreten door muizen, maar torenvalken die op de velden in Oirschot voorkomen weten daar wel raad mee.

Een ander probleem dat kan voorkomen zijn wortelaaltjes in de bodem, die de wortels aanvreten, waardoor de plant niet meer groeit. Tegen dit probleem kunnen afrikaantjes (Tagetes) worden ingezet, die 15 jaar geleden opnieuw zijn ‘ontdekt’. Een nadeel is dat omdat afrikaantjes in de zomer bloeien er dan geen aardbeien kunnen worden geplant.  Afrikaantjes worden trouwens ook tussen twee teelten als groenbemester gebruikt.

Een echte sluipmoordenaar is spint. Hiertegen wordt zijn natuurlijke vijand de roofmijt ingezet. Ook trips kan schade aan de bloem en bloembodem aanbrengen. Een andere belager is de luis. Door o.a. de brandnetels in de slootkanten te laten staan verschijnen echter vanzelf de lieveheersbeestjes die een lekkere luis graag op het menu hebben staan. De aardbeienbloesemkever kan ook veel schade aanbrengen. Hij prikt gaatjes in de bloemen, waardoor de vrucht wordt beschadigd (bestrijding met bv. Decis).

Naast dierlijke belagers zijn er ook de schimmels. Botrytis is er daar een van en de infectie ontstaat vaak tijdens de bloei. Tegen Botrytis (en andere schimmels) wordt ook meetapparatuur ingezet die de infectiekans aangeeft (o.a. door te nat gewas) zodat de teler alleen nog als het echt nodig is een bestrijding uit hoeft te voeren. Vervelend zijn ook stengelbasisrot (tijdens natte zomers) en roodwortelrot (in de winter) en meeldauw.

Een ziekte die nogal eens bij hobbytelers optreedt is Verticillium, verwerkingsziekte. Dit is een vaatziekte die m.n. door de slechte structuur van de grond ontstaat. Ook kan een voorafgaande teelt de oorzaak zijn. Zet daarom nooit aardbeien na aardappels!

De lekkerste rassen met de meeste smaak

Korona vindt Jan zelf het lekkerste (Nederlandse) ras. Helaas is deze aardbei wel heel kwetsbaar en kan hij niet zo lang onderweg zijn. Het is in ieder geval een aardbei, die uitstekend geschikt is voor de hobbyteler. Het verdient aanbeveling om dit ras niet te laat te planten. Nu geplant levert een oogst in mei/juni op.

Ook Lambada is een erg populair Nederlands ras en is het summum voor de fijnproever. De vrucht heeft brede schouders en een opstaand kontje. Deze aardbei is favoriet bij de huisverkoop bij het bedrijf van Jan, maar is relatief duurder omdat er minder opbrengst is en de kostprijs hoger ligt t.o.v. een aardbei als Elsanta.

Elsanta is de aardbei die we in de meeste supermarkten tegenkomen. Het is echter een aardbei die wisselend van smaak is, soms zelfs waterig. In sommige perioden van het jaar worden ze niet helemaal rijp en kunnen ze een witte kraag hebben, Deze aardbeien hebben dan kraak noch smaak. Elsanta is ook dé aardbei die in Wimbledon wordt geserveerd.

Sonata is een nieuw ras en de opvolger van Elsanta. Deze aardbei smaakt niet alleen beter, maar ook de doorkleuring is beter. Er komen ook minder misvormingen voor.

Darselect is een stevig Frans ras met een goede smaak, maar produceert minder kilo’s dan Elsanta.

Een ander goed Nederlands ras is Polka. Polka is wat dof van kleur, maar wel erg lekker. Ook prima voor bewerking tot jams. Ook is dit ras vorstbestendig.

Mara des bois is een doordragend ras met een bosaardbeienaroma, waarvan trossen worden geplukt, om er voor te zorgen dat er niet veel kleine vruchtjes worden gevormd. Deze plant geeft vrucht vanaf juli tot aan de eerste nachtvorst.

Een ras dat vaak wordt aangeboden door postorderbedrijven is Maxim. Dit is een aardbei zo groot als een vleestomaat, maar helaas is hij niet te (vr) eten, aldus Jan Robben.

Naast al deze lekkere rassen zijn er ook nog de bosaardbei, de ananasaardbei en de framboosaardbei, die ook heel lekker maar kwetsbaar zijn, maar uitstekend voor de teelt van hobbytuinders. Er zijn ook zure aardbeien van Amerikaanse oorsprong die vooral door banketbakkers erg worden gewaardeerd.

Om het zoetgehalte van de aardbei te meten is er trouwens de z.g. refractometer.

Toepassingen en gebruik

In de afronding van zijn lezing wees Jan Robben nog op de diverse toepassingen van het product, zoals jams, sap en ijs. Ook worden aardbeien vaak gebruikt in yoghurtdrinks en yoghurt.

Ook allerlei heerlijke toetjes passeerden de revue zoals gekaramelliseerde aardbeien en wie komt er nou niet uit zijn bed voor een lekker beschuitje met heerlijke zomerkoninkjes?

Aardbeien hoeven verder niet voor gebruik te worden gewassen. Wilt u het toch laat dan het steeltje er aan zitten en haal dit er pas na het wassen af, anders verliest de aardbei aan smaak.

Aardbeien zijn ook erg gezond en bevatten veel vitamine C en antioxidanten. 100 gram aardbeien bevat meer vitamine C dan 1 sinaasappel. Aardbeien zijn tevens goed voor de lijn en dat blijkt alleen al uit het feit dat 100 gram citroen meer suiker bevat dan 100 gram aardbeien. Je kunt zelfs met het sap je tanden mee poetsen.

Watertandend gingen de aanwezigen vervolgens naar huis en gesteund door de nieuw opgedane kennis zal menigeen deze zomer weer talloze zomerkoninkjes kunnen plukken!

Anneke Duyvesteijn 

Agapanthus

Verslag lezing van Piet Zonneveld over Agapanthus

 Piet Zonneveld was bij Groei & Bloei afdeling Westland te gast om te vertellen over zijn grote passie: het kweken van Agapanthus. Piet’s bijnaam is Piet Panthus en dat is niet voor niets, want als je op je kwekerij meer dan 400 soorten kweekt dan is een dergelijke naam wel toepasselijk. Het kweken van Agapanthus is een uit de hand gelopen hobby waar Piet al 20 jaar mee bezig is. Zijn bedrijf in Hillegom bestaat sinds 1989 en op een gedeelte van 4 hectare kweekt hij met de hulp van zeven medewerkers dit prachtige gewas.

Herkomst en betekenis van Agapanthus

De Latijnse naam Agapanthus is afgeleid van het Griekse woord “agape” dat letterlijk liefde betekent en “anthos” dat bloem betekent. De Nederlandse naam is dan ook liefdesbloem. Een andere naam voor Agapanthus is Afrikaanse of Kaapse lelie. Dit is een verwijzing naar de herkomst van Agapanthus, namelijk Zuid-Afrika.

Ze groeien in zowel warme als koudere gebieden in Zuid-Afrika en zijn door de koloniale scheepvaart rond de zeventiende eeuw naar Europa gekomen. In eerste instantie waren alleen de bladhoudende soorten bekend, maar later bleek, dat er ook bladverliezende soorten zijn. Deze soorten groeien vaak op koele berghellingen en zijn bladverliezend.

Soorten en eigenschappen

Er zijn heel veel soorten Agapanthus, die verspreid over de periode van juni tot september tot bloei komen. In hoogte kunnen ze variëren van 10 – 150 cm. De kleuren waarin ze voorkomen zijn wit en blauw tot bijna zwart. Zoals eerder gemeld zijn er zowel bladhoudende als bladverliezende Agapanthus. De voorkeur van Piet zelf gaat uit naar de bladverliezende soorten, omdat die vrij gemakkelijk de winter door kunnen komen.

De Afrikaanse lelie houdt gezien zijn herkomst van een zonnige locatie, hoe meer zon hoe beter! In de zomer kan hij (tijdens de vakantie) best twee weken zonder water. Qua standplaats houdt dit gewas van humusrijke, licht vochthoudende grond waar wat zand door heen is gemengd. Aan natte voeten heeft Agapanthus een hekel, dus een goede afwatering is een vereiste. Dit geldt ook voor Agapanthus in potten. Er moet een goed afwateringsgat in de pot zitten anders wordt de plant geel. In de winter kunnen de bladverliezende soorten tot -5ºC verdragen en bladhoudende soorten -1ºC; lagere temperaturen zijn funest! Op een plaatsje in de volle zon adviseert Piet soorten met lange stelen. Voor plekken waar minder zon zijn lagere cultivars beter geschikt, omdat deze rechtop blijven staan. Soorten met lange stelen groeien op een minder zonnige locatie namelijk krom omdat ze naar het licht toe groeien.

Snoeien is bij deze planten niet nodig en het is verstandig om twee tot drie keer per jaar te bemesten. Het advies is om mest met een lage dosering stikstof toe te dienen. Het beste is een samengestelde meststof NPK 7-14-28 (N=stikstof, P= fosfor en K=kalium) te gebruiken. Het is een meststof met weinig stikstof; teveel stikstof stimuleert de bladgroei, maar remt de bloei. Deze meststof is gewoon bij de tuincentra verkrijgbaar.

Over de ‘oude’ soorten vertelde Piet dat die snel de neiging hadden om te vallen. Door veredeling is dit probleem ondervangen en bij nieuwere soorten komt dit probleem bijna niet meer voor. Naar aanleiding van een vraag over het herkennen van bladverliezende of wintergroene Agapanthus merkte Piet op, dat de bladeren van bladverliezende planten geel kleuren en afvallen en dat bladhoudende soorten bladeren als prei hebben, die verslijmen als ze bevroren zijn.

Kweekproces van najaar tot voorjaar

Piet vertelde verder dat op het bedrijf de planten na de bloei worden gescheurd en direct als stek weer worden uitgeplant. Voor de winter maakt de plant dan weer nieuwe wortels aan. Vanaf november ligt er stro en plastic op de kwekerij klaar. Zodra er vorst op komst is dekt hij de planten machinaal met plastic af en gaat er een laag met stro en vervolgens papierpulp overheen (tegen het wegwaaien van het stro). Deze manier is zo betrouwbaar dat op zijn kwekerij in België de planten -23ºC overleefden.

Voor wie in de tuin Agapanthus in de volle grond heeft staan geldt eigenlijk hetzelfde verhaal. Een oude plastic tas, met daar bladeren, stro en zand boven op, moet het doen! Ook een dikke laag compost heeft trouwens een isolerende en beschermende werking. In de winter kan ook een pak sneeuw voor goede isolatie zorgen.

Afhankelijk van het weer gaat eind maart, begin april het stro en het plastic er weer af. Bij de vroege soorten is dan al weer leven te bespeuren. Gele en witte punten geven aan dat het nieuwe seizoen kan beginnen. Al snel kleuren de punten door het zonlicht groen en zet de groei in. Soms groeien de stelen wel 5 tot 6 centimeter per dag. De zon geeft de stelen en de bloem hun originele kleur.

Verzorging

Agapanthus kan dus zowel in de volle grond als in een kuip of pot groeien. Het beste groeien ze echter in de volle grond. Plant u één soort tegelijk, want bij het gebruik van meerdere soorten zal er altijd een zijn die de anderen overwoekert. In de volle grond is het verstandig om de planten om de vier tot vijf jaar op te nemen en te splitsen. Dit om te voorkomen dat de vorst schade aan kan richten. De wortels hebben namelijk de neiging om de plant jaarlijks wat omhoog te duwen. Als ze zijn opgenomen en gesplitst kunt u ze weer dieper terug planten. Het voordeel van Agapanthus in potten is dat ze gemakkelijker naar binnen te halen zijn.

Als het einde van het tuinseizoen nadert (half oktober) is het verstandig om Agapanthus in potten als het mogelijk is onder een afdak te plaatsen, zodat de potten droog naar binnen kunnen. Planten die te nat naar binnen gaan zullen de winter namelijk niet overleven. Vanaf november zijn alle planten in rust, dat betekent dat ze in de wintermaanden ook geen water nodig hebben tot ongeveer eind maart. Geeft u toch water dan gaat u de plant activeren en dat is niet de bedoeling. Potten die binnen overwinteren moeten ook binnen beschermd staan tegen de vorst. In een onverwarmde schuur of garage kan het namelijk ook vriezen. Dekt u tijdens vorstperiodes de planten dan extra af met een oude jas of deken.

De overwinteringstemperatuur voor Agapanthus ligt tussen de 2ºC – 8ºC (boven nul). Het is belangrijk dat de planten minimaal 2 maanden in deze conditie overwinteren. Boven de 10ºC blijft de plant groeien en dit heeft een negatief effect op de bloei (geen bloemen).

Het land der fabelen

In het land der fabelen viert onzin hoogtij. Ook over Agapanthus bestaan tal van fabels waar Piet het liefst een dikke streep doorhaalt. Zo is het verhaal dat Agapanthus het best bekneld in een pot kunnen staan klinkklare onzin. Het is juist verstandig om deze plant in een ruime pot te planten, zodat de wortels goed de ruimte hebben. Afhankelijk van de soort kunt u Agapanthus in pot het beste na een jaar of drie jaar verjongen, d.w.z. in stukken delen en opnieuw uitplanten. Na het delen zaagt u van de onderkant een stuk van de wortelkluit af. Het beste is het om dit na de bloei te doen; precies zoals op de kwekerij. De plant kan dan nog goed nieuwe wortels maken en zo hebt u eigenlijk een seizoen winst. Let u bij het kiezen van de pot vooral ook op de vorm. Het is handig als de Agapanthus bij het verjongen gemakkelijk uit de pot kan, zonder dat die kapot gaat.

Een andere fabel is, dat soorten met smal blad koeler kunnen overwinteren dan soorten met breed blad. “Pure onzin” zegt Piet!

Ook krijgt u uit het zaad van een cultivar nooit dezelfde soort terug! Het zaad kunt u natuurlijk wel zaaien, maar de uitkomst is onbetrouwbaar. Cultivars kunt u alleen door scheuren vermeerderen. De cyclus van zaad tot bloem duurt trouwens drie jaar!

Juiste keuze

Bij het kiezen van een Agapanthus is het belangrijk om een Agapanthus met een cultivarnaam te kopen. Planten met een geregistreerde naam bloeien goed en blijven dat ook doen. Koopt u liever geen Agapanthus zonder naam of met alleen de opmerking: ‘bloeit wit’ of bloeit blauw’! Dat loopt gegarandeerd op een teleurstelling uit! Dergelijke hybriden zijn vaak gezaaid en de eigenschappen zijn onbekend, dus een kat in de zak is dan zo gekocht!

Van de 400 soorten die Piet kweekt, heeft hij er naar zijn zeggen ongeveer 250 zelf in de wereld opgespoord. Ook is hij steeds op zoek naar oude soorten om mee te veredelen. Door veredeling komen er steeds andere kleuren op de markt. Momenteel vindt er een verschuiving plaats in de vraag van de consument van blauw naar wit. Voorheen bedroeg de vraag naar wit ongeveer 95%, nu is er echter steeds meer vraag naar wit. Mooie witte soorten zijn A. ‘Leicester’, doorbloeiend (als je de uitgebloeide bloemen er uit haalt) en ongeveer 65 centimeter en A. ‘Albus’, een zuiverwitte artistiekeling met een roze puntje op de bloem. Andere mooie soorten zijn A. ‘Berlin’ (donkerblauw) en A. ‘Columba (donkerblauw), die heel vroeg is.

Er zijn ook Agapanthus voor de ‘snij’. Dit zijn bladverliezende soorten die veel bloemen dragen. Vaak zijn de bladeren van deze soorten niet zo mooi. Door veredeling is het echter gelukt om deze soorten goed in het blad te krijgen. Ook is het door veredeling mogelijk om de bloeitijd te verlengen. Op termijn zal er zelfs een Agapanthus op de markt komen die in september bloeit, maar deze soort is nu nog in ontwikkeling.

Wie een bezoek wil brengen aan de kwekerij van Piet is welkom op de open dagen. De vierde editie van de Nederlandse Piet Panthus dagen is op zaterdag 26 en zondag 27 juni en op zaterdag 10 en zondag 11 juli van 11.00 – 16.00 uur. In juni en juli is de kwekerij op vrijdagmiddag open van 13.30 uur – 17.00 uur. Meer informatie is te vinden op www.agapanthus.nl. Aan het einde van de interessante lezing was er nog gelegenheid om wat mooie soorten te kopen.Daarna ging iedereen tevreden naar huis!

Anneke Duyvesteijn

Clematis

Lezing over Clematis door de heer Wim Snoeijer op donderdag 8 oktober 2009 

Op donderdag 8 oktober jl. was de heer Wim Snoeijer te gast bij Groei & Bloei, afdeling Westland. Mocht ooit de titel Mr. Clematis worden toegekend dan is Wim Snoeijer toch wel de eerste gegadigde. Wim Snoeijer is al veertig jaar hobbymatig met Clematis bezig en startte daarmee op de kwekerij van F. Fopma B.V. in Boskoop. Toen Jan Fopma met pensioen kwam de kwekerij met bijbehorende collectie in de ‘groene’ handen van Jan van Zoest, waaronder ook de planten die door Wim waren opgekweekt. Inmiddels is Wim al weer sinds 2003 in vaste dienst is bij Van Zoest, nadat zijn baan bij de Universiteit van Leiden bij de afdeling Pharmacognosie op de tocht kwam te staan. Jan van Zoest is een zogenaamde sortimentskweker ( met kleine voorraad) en kweekt zowel groot- als kleinbloemige Clematis, met een totaal sortiment van meer dan 500 soorten en cultivars waarvan er voor de handel ongeveer 400 beschikbaar zijn.

Wetenswaardigheden over Clematis

Er valt over Clematis heel veel te vertellen. Over heel de wereld zijn er wel 5000 verschillende clematissen (cultivars en wilde soorten bij elkaar). Door hun vaak mooie pasteltinten passen zij uitstekend bij de overige beplanting in de tuin.

Clematis is van oorsprong een bosplant, dat verklaart ook dat de onderkant van de plant vaak kaal is. Door die achtergrond heeft Clematis behoefte aan een koele voet en voldoende vocht. Om Clematis goed te laten gedijen heeft hij dus voldoende water en voeding nodig. Staat een Clematis bij een muur of regenpijp dan zou je eigenlijk in de regenpijp wat gaatjes moeten prikken. Als een Clematis aan de bloei gaat is het verstandig om deze naast extra water ook wat extra mest te geven. Verder is een dakpan bij de voet niet echt nodig. Ergens tussen planten gaat ook uitstekend. Op het bedrijf gebruikt Wim Snoeijer oscomotekorrels die langdurig voedingsstoffen afgeven.

Om de basis van de plant te vergroten is het verstandig om bij het planten de Clematis wat dieper te zetten dan normaal (afhankelijk van de cultivar groep kan dit variëren van 0 – 15 centimeter dieper dan de potrand). Vooral bij Clematis met vlezige wortels verdient het aanbeveling ze dieper te planten. Deze Clematis, meestal grootbloemig, zijn vaak gevoeliger voor ziektes zoals de verwelkingsziekte en meeldauw. Door dieper te planten blijven er altijd ondergrondse knoppen over om weer uit te lopen.

In tegenstelling van wat vaak wordt gedacht is Clematis namelijk een vaste plant. Dit heeft zo zijn voordelen. Is de plant namelijk door een ziekte (verwelkingsziekte of meeldauw) aangetast en zijn de aangetaste delen afgeknipt, dan loopt hij in de meeste gevallen gewoon weer opnieuw uit. Deze Clematis heeft ook vaak meer vocht nodig dan andere vaak kleinbloemigen.

Omdat Clematis oppervlakkig wortelt, is het verder verstandig om bij het planten afstand te bewaren tot planten die ook een oppervlakkige beworteling hebben. Wilt u bijvoorbeeld Hedera (klimop) aan een muur of schutting met Clematis combineren dan verdient het aanbeveling om een afstand van zeker 50 cm in acht te nemen (klimop tegen de muur en Clematis wat meer naar voren).

In alle gevallen geldt echter dat de planten goed vast moeten staan. Zogenaamde waggelplanten krijgen slijtplekken in de stengels, waardoor schimmels eenvoudig toegang krijgen. Clematis houdt er verder van om een beetje omhoog geholpen te worden. Wilt u Clematis langs een paal planten dan is het wel handig om er een stuk gaas omheen te zetten. Clematis met vlezige wortels zijn goed te vermeerderen door de wortels te scheuren c.q. de wortels in stukken te knippen (voorjaar).

Veredeling

Op het bedrijf van Jan van Zoest is veredeling aan de orde van de dag. Wim Snoeijer heeft zelf ook een aantal Clematis cultivars op zijn naam staan. Cultivar is niet hetzelfde als soort. Kleine uitleg:

Clematis is de geslachtsnaam van een groep die bestaat overwegend uit klimplanten die lid is van de Ranunculaceae (ranonkelfamilie). Een clematissoort is bijvoorbeeld Clematis vitalba. Het begrip cultivar is een samentrekking van cultivated (geteeld) variety. Een cultivar bestaat uit een plant of groep van planten die op grond van een bepaalde eigenschap of eigenschappen geselecteerd is (van oorsprong een kweekproduct of uit het wild verzameld) en die betrouwbaar vermeerderd kan worden. De naam die een nieuwe cultivar krijgt is internationaal erkend en staat tussen enkelvoudige leestekens: bijvoorbeeld Clematis Blue Pirouette ‘Zobluepi’ (= afkorting van: Zoest – Blue – Pirouette).

Staat er op het etiket ook nog een r in een kleine cirkel bij, dan betekent dit dat hier sprake van een merknaam is. Terwijl er veel cultivars in blauwachtige tinten zijn, veredelt Wim zelf meestal in roze en wit en het liefst in de Clematis Diversifolia Groep. Dit is een zeer rijkbloeiende groep. Hij heeft hier zelfs privé een boek over geschreven. Het veredelen is een langdurig proces, dat meestal tussen de 8 en 10 jaar duurt.

Omdat de handel graag Clematis met grote bloemen wil wordt er veelal veredeld op grotere bloemen, maar ook op zelfruiend. Ook sommige landen hebben zo hun voorkeur. In Japan en Rusland zijn de mensen bijvoorbeeld dol op gevuldbloemige Clematis. Zelf heeft Wim in het kader van Clematis een reis naar Japan gemaakt en daar onder andere de Hayakawa kwekerij bezocht. Het bezoeken van een kwekerij is in Japan niet eenvoudig. Je kunt er slecht op uitnodiging binnenkomen en bent dus afhankelijk van Japanse relaties. Omdat Clematis in Japan een heel populaire plant is, zijn er overal gebruiksvoorwerpen met clematisafbeeldingen te koop (postzegels, telefoonkaarten e.d.). Een aantal voorwerpen had Wim van Zoest voor de gelegenheid meegebracht.

PowerPointpresentatie

Aan de hand van een PowerPoint presentatie passeerden op deze avond een groot aantal Clematis cultivars de revue die door zowel Wim Snoeijer zelf als door F. Fopma B.V. en J. van Zoest B.V. zijn ontwikkeld.

Enkele opvallende namen zijn Clematis ‘Jan Fopma’ genoemd naar de grondlegger van het bedrijf, toen hij zijn 75ste verjaardag vierde. Dit is een zeer rijkbloeiende Clematis die naar chocolade ruikt. Clematis ‘Hendryetta’ is, volgens Wim, een van de beste Clematis met een klokjesachtige roze bloem die goed winterhard is, tot 1,50 m hoog en bloeit tussen juni – augustus. Mooi te combineren met hortensia’s en rozen.

Door bij zomerbloeiende Clematis in april het aantal stengels voor de helft te toppen is het mogelijk om de bloei tot ver in september te verlengen.

Een Clematis die erg leuk combineert met struikrozen en een vaste plant zoals Echinacea ‘Art’s Pride’ is Clematis ‘Pretty in Blue’. Deze Clematis wordt niet hoger dan 1 tot 1,50 meter, is blauwpaars van kleur en bloeit tussen mei en september met piepkleine bloemen (3 – 5 cm).

Er zijn ook Clematis die heerlijk ruiken zoals de ruimte vragende Clematis Terniflora (september tot half oktober) en Clematis ’ Wyevale’ die ook vlinders aantrekt en struikachtig is. Een andere leuke struikclematis is Clematis ‘Pink Dwarf’.

Zeer rijkbloeiend is Clematis JACKMANII PURPUREA die tot twee meter hoog groeit en Clematis ‘Victoria’ die hij zelf een van de beste keuzes vindt (paars en tot 2 meter). Deze gezonde Clematis is rijkbloeiend en bloeit van juli – september. 

Een groep die uitstekend te combineren is met rozen is de Viticella groep. Dit jaar heeft Clematis ‘Sunny Sky’ de gouden medaille toegekend gekregen tijdens de internationale vakbeurs voor boomkwekerijproducten Plantarium 2009. Andere Viticella cultivars zijn: Clematis I AM LADY Q, Clematis ‘Maria Cornelia’, Clematis JOHN HOWELLS.

De planten die door Wim Snoeijer tijdens de lezing zijn behandeld zijn voor particulieren o.a. te koop bij Esveld in Boskoop (www.esveld.nl).

Alle aanwezigen kregen tijdens de pauze door Wim Snoeijer een mooie etikettencatalogus uitgereikt met als titel WWW.CLEMATISINFO.NL. In dit boekwerk zijn een enorme hoeveelheid etiketten opgenomen van Clematis die door fa J. van Zoest gekweekt en verkocht worden. Ook zijn hierin de diverse cultivar groepen beschreven.

Voor geïnteresseerden hieronder per groep iets over snoeitijd en plantdiepte:

Clematis Armandii groep: planten net zo diep als potrand, snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Atragene groep: planten net zo diep als de potrand, snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Campanella groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien van bladverliezende planten: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari, de bladhoudende alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Cirrhosa groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Diversifolia groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Flammula groep: planten ongeveer 2,5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Florida groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Forsteri groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Heracleifolia groep: planten net zo diep als potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Integrifolia groep: planten ongeveer 2,5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 10 cm boven de grond in februari.

Clematis Jackmanii groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari. De cultivars die op het oude hout in het voorjaar bloeien kunnen na deze bloei worden gesnoeid.

Clematis Montana groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en dan na de bloei maar beter in maart.

Clematis Patens groep: planten ongeveer 6 – 10 cm dieper dan de potrand. Snoeien: cultivars die bloeien op het oude hout alleen snoeien indien nodig; de cultivars die bloeien op jonge scheuten sterk terugsnoeien in februari tot 20 cm.

Clematis Tangutica groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Texensis groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Viorna groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Vitalba groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Viticella groep:  planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

 Anneke Duyvesteijn 

 

Dwerg- en miniatuurplanten

Verslag van de lezing van donderdagavond 15 januari van Herman Geers uit Boskoop bij Groei & Bloei, afdeling Westland. 

De kop van de activiteiten in 2009 is er af en wel in de vorm van een lezing van Herman Geers over dwerg- en miniatuurplanten. Mensen met grote tuinen zullen zich niet direct tot het onderwerp aangetrokken voelen, maar toch valt er op dergelijke avonden wel degelijk wat te leren. Voor mensen met een kleine tot piepkleine tuin of rotstuin was deze avond eigenlijk een ?must?, want wie wil er nu niet op zijn eigen stekkie, waar er eigenlijk geen plaats voor een boom is, een heuse kastanjeboom, beuk, eik of linde planten?

In zijn kwekerij in Boskoop houdt Herman Geers zich vooral bezig met het kweken en vermeerderen van dwerg- en miniatuurplanten. Het kweken van deze piepkleine gewassen, moet vooral niet worden verward met het kweken van bonsai. Het kweken van bonsai is een kunstvorm, die van oorsprong uit China afkomstig is. Op kunstmatige manier wordt geprobeerd om een boom/heester/conifeer in miniatuur te scheppen en te houden. Hiervoor worden stekken gebruikt tussen de 5 ? 10 cm, ook kunnen zaailingen worden gebruikt.

Dwerg- of miniatuurplanten zijn ook kleine vormen van bomen, coniferen en heesters, maar zij zijn en blijven van nature klein. Op plaatsen waar de groeiomstandigheden ongunstig zijn - bijvoorbeeld op grote hoogtes of gebieden dicht bij de polen - hebben planten zich door de eeuwen heen zodanig aangepast, dat zij de plaatselijke omstandigheden kunnen trotseren en wel in een compacte vorm. In gunstige omstandigheden kan een soort als hoge boom bossen vormen, terwijl dezelfde boom in ongunstige omstandigheden ? plat over de grond of in compacte vorm groeit.

Veel van deze kleine vormen zijn van overal ter wereld door z.g. planthunters (plantenvinders) naar de bewoonde wereld meegenomen en nu verkrijgbaar omdat men ze door te stekken of te enten zijn vermeerderd.

Dwergplanten ontstaan echter ook nog een andere manier en wel door gebruik te maken van zogenaamde heksenbezems. Heksenbezems komen vaak voor in berken en worden hierbij veroorzaakt door een schimmel. Het is een soort woekering, waarbij de plant in een enkele tak een groot aantal zijtakjes maakt. Ze komen ook bij andere bomen en struiken voor en worden o.a. veroorzaakt door een spontane mutatie aan de plant. Door deze mutatie probeert de plant zijn kansen om te overleven te vergroten c.q. zich beter aan de veranderende omstandigheden aan te passen. Een plant zou zich op deze manier kunnen aanpassen aan een klimaatsverandering (nieuwe ijstijd). Hierbij moet men dan wel denken aan een proces van honderden jaren. Deze kleine zijtakjes vormen dus de basis voor nieuwe dwerg- en miniatuurplanten. Door deze te stekken of te enten ontstaan nieuwe planten met de compacte eigenschappen van de heksenbezems. Vooral van Picea, Abies en andere coniferen zijn veel heksenbezems in omloop.

Af en toe komt het wel eens voor dat sommige conifeertjes een z.g. ?kop maken?. Ze vertonen dan een afwijkende groei en willen dan terug naar de oorspronkelijke (grote) soort. Dit is een genetische kwestie. Verstandig is het dan om deze afwijkende kop uit de plant te knippen.

Dwerg- en miniatuurplanten groeien maar enkele centimeters per jaar. Uitzonderingen daargelaten groeien miniatuurplanten ca. 2,5 cm per jaar, dwergplanten ca. 5 cm en zogenaamde semi-dwergplanten 7,5 cm per jaar. Deze kleine vormen komen in bijna elke plantenfamilie voor. Onder de door Herman Geers getoonde voorbeelden was o.a. een wilgje uit het Noorden van Europa, dat maar een paar centimeter hoog is en die blaadjes zo klein als een ouderwets dubbeltje heeft. Een Cryptomeria japonica die in Japan wel 40 meter hoog wordt is na 10 jaar niet hoger dan 30 cm. Ook struiken komen in dwergvorm voor, zoals Hydrangea ?Pink Elf? en Pieris japonica ?Spring Candy?.

Voor tuiniers met een kleine tuin zijn er eiken, beuken en lindes in dwergvorm verkrijgbaar. Bij dwergvormen van bomen gaat men er van uit dat de uiteindelijke hoogte ongeveer 10 procent van de uiteindelijke hoogte van de soort mag bedragen. Quercus palustrus ?Green Dwarf? is hier een goed voorbeeld van. Deze eik wordt na jaren niet hoger dan ongeveer 1,5 meter. Een beukenboom in dwergvorm is na 15 jaar ongeveer 80 cm hoog.

Sommige dwergbomen kunnen ook in een kuip worden geplant, maar dan moeten de wortels wel voldoende ruimte hebben om zich te ontwikkelen. De omvang van de pot zou dan ongeveer even groot als de kroon van de boom moeten zijn.

Alle planten die op de kwekerij van Herman Geers worden verkocht zijn op het bedrijf vermeerderd door stekken of enten. Nieuw materiaal wordt altijd eerst getest om te kijken of het aan de voorwaarden van een miniatuur- of dwergplant voldoet. Omdat het uitgangsmateriaal erg klein is vergt dit klusje veel geduld en wordt bij het stekken door Herman Geers gebruik gemaakt van een voorzetbril (vergrootglas). Sommige planten zijn bijna niet te vermeerderen, omdat ze zo klein zijn. Het stekken vindt plaats als de stekken op de stekplant een bepaalde hardheid hebben. Dit is dus een kwestie van aanvoelen! Als stekken niet makkelijk wortelen wordt er geënt. Dit is een lastig karweitje, omdat de stammetjes waarop wordt geënt piepdun zijn.

Herman Geers kweekt op zijn bedrijf ruim 800 soorten die niet allemaal in productie zijn, maar voor een gedeelte zijn te bewonderen in de siertuin bij het huis. Op zijn bedrijf kan hij per vierkante meter 12 tot 16 planten kwijt. Door zijn grote assortiment is hij als klein bedrijfje de grootste in zijn soort in Europa. Onder zijn klanten zijn botanische tuinen uit heel de wereld, maar ook Madurodam te vinden. Veel van zijn relaties zijn afkomstig uit Oost-Europa, waar dan ook het nodige materiaal vandaan komt. Zelf gaat de heer Geers met zijn vrouw ook op zoek naar nieuw uitgangsmateriaal. Veel van zijn trippen zijn naar Engeland, maar ook andere delen van de wereld worden aangedaan. Vaak is zijn vrouw dan de chauffeur terwijl hijzelf de omgeving afscant. Het vinden van nieuw materiaal is als een tweede natuur en levert ook de nodige grappige anekdotes op. Zo vertelde de heer Geers over zijn ontmoeting met drie bruine beren in Canada, die de nodige hilariteit opleverde.

Naast de miniatuur- en dwergplanten worden er op het bedrijf ook weigelia?s gekweekt. Een soort die door hen zelf op de markt is gebracht is Weigelia florida Alexandra, die naar zijn dochter is genoemd.

Het is een dwergvorm met donkerrood tot zwart voorjaarsblad en rozerode bloemen. De hoogte na 10 jaar is 100 cm.

Aan de hand van een diapresentatie passeerden een groot aantal dwerg- en miniatuurplanten de revue, waaronder Pinus parviflora 'Adcock's Dwarf', Abies koreana 'Blue Eskimo' en Pinus sylvestris 'Jericho'. Interessant waren ook Mahonia repens, die maar 5 cm hoog wordt en Malus 'Coral Burst' een sierappel die uitermate zeldzaam is.

Dwerg- en miniatuurplanten zijn uitstekend geschikt voor rotstuinen, plantenbakken en voor bakken op het balkon. Ook kunnen ze goed als grafbeplanting dienst doen.

Wie alle soorten met eigen ogen zou willen aanschouwen, krijgt hiervoor de gelegenheid op zaterdag en zondag 28 en 29 maart a.s. Dan worden voor het 5e jaar op rij de jaarlijkse open dagen op de kwekerij georganiseerd. Tegelijkertijd zijn dan ook een aantal collega-kwekers met bijzondere plantencollecties aanwezig, zoals Clematis kwekerij Böttcher uit België, Vaste planten kwekerij Ploeger uit De Bilt, Kwekerij De Bolle Jist uit Finkum met bijzondere bol- en knolgewassen, Alpentuin Agelo, de Cactusvereniging en Johan v.d. Akker met zeldzame alpine planten. De open dagen zijn van 10.00 -16.00 uur. De kwekerij is te vinden op Laag Boskoop 104 in Boskoop. Voor meer informatie kunt u surfen naar www.hgeers.nl.

Anneke Duyvesteijn

Dahlia

Passie voor Dahlia

Een passie voor Dahlia was de titel van de film die werd vertoond tijdens de lezing/workshop over Dahlia op donderdag 10 april 2008. De avond werd verzorgd door 2 bestuursleden van de Dahlia Vereniging Utrecht, mevrouw Wil Dat en mevrouw Agnes Westerhof. Deze vereniging heeft zich tot doel gesteld om het kweken van Dahlia te stimuleren, maar ook het tentoonstellen daarvan. Om dit te bereiken geeft de vereniging kweekadviezen aan haar leden en organiseert zij jaarlijks een tentoonstelling. De vereniging heeft ongeveer 65 leden die ieder op hun eigen volkstuin of eigen stukje grond dahlia’s kweken.

De geschiedenis

De workshop begon met een presentatie van Agnes Westerhof die allereerst inging op een aantal feiten rond de komst van Dahlia in Europa. Van oorsprong komt Dahlia uit Mexico.  Door de komst van de Spanjaarden naar Mexico en de studie naar planten en dieren in dit veroverde gebied werd voor het eerst over Dahlia geschreven door de lijfarts van koning Philips II, Francisco Hernandez (eind 16de eeuw). Aan de hand van de beschrijvingen kan worden geconcludeerd dat het hier om gecultiveerde dahlia’s ging, die waarschijnlijk in de tuinen van de Azteken, een oud en hoog beschaafd Mexicaans volk voorkwamen. Pas aan het einde van de 18de eeuw werd de plant echter herontdekt en kwamen de eerste dahliazaden naar de Botanische Tuin van Madrid. Dahlia is genoemd naar de Zweedse botanicus Dahl, die een leerling was van de beroemde Carolus Linnaeus.

Indeling in groepen

Vanaf het begin van de 19de eeuw kwam het kweken van Dahlia in een stroomversnelling terecht en ontstonden er door kruisingen allerlei nieuwe vormen. In de loop van de geschiedenis zijn er tienduizenden dahlia’s gekweekt en van een naam voorzien. Om de toegankelijkheid voor de consument te vergroten wordt Dahlia tegenwoordig in groepen ingedeeld volgens de indeling van de Royal Horticultural Society uit Engeland. Deze groepen zijn: 1. de enkelbloemige groep; 2. de anemoonbloemige groep; 3. de halskraaggroep; 4. de waterleliegroep; 5. de decoratieve groep; 6. de balgroep; 7. de pompongroep; 8. de cactusgroep; 9. de semi-cactusgroep en 10 de groep overigen.

Veelzijdige sierplant

Dahlia is een veelzijdige plant, die qua populariteit momenteel weer in de lift zit. Dahlia is er in allerlei verschijningsvormen en kan qua hoogte variëren van ca. 20 cm tot bijna 2 meter hoog. Prachtig is bijvoorbeeld Dahlia 'Eveline', die niet alleen heel sterk, maar ook ontzettend wit van kleur is. Als Dahlia alleen herkenbaar aan het blad onderscheidt zich Dahlia Giraffe, die meer weg heeft van een Orchidee dan van een dahlia (type Orchidee). Eveneens afwijkend van vorm is Dahlia ‘Honka’ met een enkelbloemige stervormige bloem.

Een tijd lang hadden deze planten last van een wat oubollig imago, maar tegenwoordig is de vraag naar vooral de donkerbladige dahlia’s, zoals Dahlia ‘Bishop of Llandaff’ flink toegenomen. Dahlia is een knolgewas met holle, meestal onvertakte stengels en samengesteld blad. Dahlia’s hebben onder de grond wortelknollen waarin water en voedingstoffen worden opgeslagen. Dahlia’s bloeien vanaf de zomer tot aan de eerste nachtvorst en kunnen vanaf half mei buiten worden uitgeplant. De meeste dahlia’s hebben ondersteuning nodig omdat de bloemen soms topzwaar zijn en na een fikse regenbui niet op ‘eigen benen’ kunnen staan. In de border kan gewoon gebruik gemaakt worden van een reguliere steun. Maar op bedden kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van chrysantengaas.

De vermeerdering

Het vermeerderen van Dahlia vindt plaats door scheuren, stekken en zaaien. De meest gebruikte manier van vermeerderen is door stek. In het vroege voorjaar (maart) wordt er stek genomen van zogenaamde oplegknollen (speciaal geselecteerde knollen). De stek wordt van de knol gescheurd, waarbij een stukje van de knol wordt meegenomen (het hieltje).  De stekken wortelen hierdoor sneller. Deze stekken kunnen na te zijn geworteld ook half mei buiten worden geplant. Het delen of scheuren van knollen moet ook in het voorjaar gebeuren. Om een nieuwe plant te kunnen vormen moeten er aan de knol wel een of meer ogen zitten.

Overwinteren van de knol

Na de eerste nachtvorst (eind oktober, begin november) is het tijd om de knollen uit de grond te halen. De stengels zijn dan al afgeknipt. Na het drogen van de knollen worden ze op een vorstvrije plaats bewaard, verpakt in kranten, grof zaagsel, houtkrullen, stro of droge turfmolm. Dahlia’s in potten kunnen in de pot overwinteren. De grond in de potten mag uitdrogen. In het voorjaar is het verstandig de knollen uit de pot te halen, te delen en weer op te potten.

Grond voorbewerken

Voordat men in het voorjaar dahlia’s plant kan men in de winter de grond alvast doorwerken met compost, bladaarde of oude stalmest. Ook kan er in diezelfde periode kalk door de grond worden gewerkt. Ongeveer 3 dagen voor het planten van de knollen wordt een bevoorradingsmest aangebracht, waardoor er voor de groeiperiode voldoende voedsel voor de plant aanwezig is. Dahlia heeft tijdens het groei- en bloeiseizoen altijd voldoende water nodig. Door het vele blad verdampt de plant veel water en als de watervoorraad niet tijdig wordt aangevuld vergeelt het blad en bloeien ze niet goed. Het water geven dient op de grond te gebeuren om schimmels tegen te gaan.

Tentoonstellingen

Inzendingen van Dahlia voor tentoonstellingen vragen heel veel inspanning, omdat ze als levend product op het juiste moment moeten pieken. Het kweken van deze bloemen voor tentoonstellingen is dan ook een hele kunst. Om mooie bloemen op de plant te realiseren worden de planten half juni getopt (als ze minimaal 6 zijbladeren hebben). Uit de oksels van de zijbladeren komen later de bloemtakken. Een aantal weken later zal er moeten worden gediefd, omdat er dan in de bladoksels van de bloemtakken jonge okselknoppen verschijnen (dieven tot en met het vierde bladpaar vanaf de hoofdknop.

Vaasleven

Dahlia’s voor eigen gebruik snijdt men vroeg in de morgen of aan het einde van de dag. Dahlia moet rijp worden gesneden, wat de bloem bloeit niet door op de vaas. Het is verstandig om schone vazen te gebruiken en aan het water een druppeltje chloor toe te voegen. Ook kan er Chrysal worden gebruikt. Bij pompon- en baldahlia’s wordt het gebruik van Chrysal afgeraden.

Anneke Duyvesteijn

 

Heggen en Hagen

Beline Geertsema was uitgenodigd door Groei & Bloei Westland om een lezing te houden over heggen en hagen. Beline Geertsema heeft een eigen groenpraktijk en is voorzitter van de Nederlandse Tuinenstichting. Aan de hand van beelden liet Beline de toepassingen van heggen en hagen in binnen- en buitenland zien, zowel vroeger als in het heden.

Heggen en hagen

Volgens het internet schijnt het verschil tussen een heg en een haag te maken te hebben met de manier van beheren: een haag is een wild uitgroeiende heg (zoals een meidoornhaag) en een heg heeft als kenmerk dat deze geschoren of geknipt is. Daar is wat voor te zeggen. In ieder geval worden de termen in de praktijk door elkaar heen gebruikt. Het zijn het beplantingen van (half)heesters of houtachtige gewassen (bomen) in een rij, die dienen als afscherming of windkering.

Oorsprong

Hagen zijn er al zolang als dat er mensen op aarde wonen. Toen de mens zich op een stukje grond ging vestigen en in de ruimte rondom het huis gewassen ging telen, ontstond de behoefte om dit lapje grond te omheinen of wel te ‘omtuynen’ (hiervan is het woord tuin afgeleid). De eerste hortus conclusus of wel de omsloten tuin was een feit. In eerste instantie bestond deze omheining uit afgesneden takken en was bedoeld om de mens tegen de natuur en indringers te beschermen.

Maar ook in het landschap is het een oeroud gebruik om hagen te plaatsen, zo kennen we de boerenhagen uit het Maasheggenlandschap (weilanden met heggetjes) bij Boxmeer. Vaak waren deze hagen van meidoorn. Deze heggen zijn door de eeuwen heen grotendeels uit het Hollandse landschap verdwenen. Zo ook zijn in het eeuwenoude heggenlandschap bij Nisse in de Zak van Zuid-Beveland aanzienlijke delen van de kenmerkende haagbeplanting die de percelen van elkaar scheidden verloren gegaan. Natuurmonumenten vult alle hagen aan met soorten als liguster, vlier, meidoorn en sleedoorn (Zeeuwse haag). Deze tendens is ook in andere delen van ons land waarneembaar en dat is een goede zaak, want dergelijke hagen zijn bijzonder belangrijk voor de biodiversiteit en het ecologische evenwicht. De ontwikkeling van prikkeldraad is vooral debet aan het verdwijnen van het heggenlandschap.

Bij een zogenaamd coulisselandschap zijn open ruimtes door houtwallen van struiken en bomen omgeven (b.v. Friese Wouden). Vaak gebruikt men hier elzen en eiken. Om boomgaarden staan vaak elzen (deze boom houdt het langst zijn blad). Ook in Normandië in Frankrijk treffen we nog heggenlandschap aan; daar zijn de heggen op wallen geplaatst.

Geschiedenis en toepassing

Na het ontstaan van de hortus conclusus volgde de kloostertuin met zijn buxuskaders waarbinnen de diverse gewassen (groente, sierplanten) groeiden. Ook in de Renaissance is veelvuldig gebruik gemaakt van hagen en in die periode spelen buxushagen eveneens een belangrijke rol (parterre de broderie). Sinds de restauratie van Paleis Het Loo in Apeldoorn zijn buxushagen ook tegenwoordig weer volop in de mode. Een mooi voorbeeld van een renaissancetuin is Villa Lante in het dorpje Bagnaia, nabij Viterbo in Italië. In een boek met gravures van Vredeman de Vries (1562 -1606) zijn eveneens tal van voorbeelden van deze tuinen te vinden. Dichterbij huis waren de tuinen van Slot Zeist, met boomgaard, moestuin en siertuin een goed voorbeeld, waarbij hagen van bomen én struiken toonaangevend waren.

Bij doolhof en labyrint spelen hagen een grote rol en bij het creëren van perspectief kan een juist gebruik van hagen een verrassend resultaat opleveren. Verder zijn hagen uitstekend geschikt voor het verbergen van lelijke objecten en kunt u er tuinkamers mee maken. Tuinkamers zijn van oorsprong trouwens ontstaan om gewassen tegen de wind te beschermen. Een prachtig voorbeeld van een tuin met tuinkamers is Sissinghurst in Engeland; in iedere kamer kunt u een andere sfeer realiseren. Ook in Afrika bij de Massai ziet u het gebruik van hagen d.w.z. acaciahagen vol met doorns om het vee af te schermen.

In de 19e eeuwse tuin, waarin vaste planten een rol gaan spelen, is de haag als achtergrond belangrijk. Dit om rust te brengen in het geheel. Vaste planten hebben iets straks nodig om beter tot hun recht te komen.

Een haag op poten komt goed van pas als u inkijk van de buren wilt voorkomen. Bij oude boerderijen deden lindes vroeger dienst als zonnescherm. Ook tegenwoordig ziet u deze toepassing terug.

Iedere struik kunt u voor een haag gebruiken. Mooi zijn bijvoorbeeld hagen van Fuchsia, Forsythia, Hibiscus en Cornus Mas. Ook Acer campestre, de veldesdoorn, vooral die met rode uitlopers in het voorjaar, is een goede keus. Met beuken (Fagus sylvatica) en haagbeuken (Carpinus betulus) kunt u trouwens ook mooie hagen maken. De beuk houdt i.t.t. de haagbeuk in de winter zijn blad vast. Dit komt door het snoeien. Het blad blijft alleen op het jonge hout lang aan de struik. De allermooiste groenblijvende haag is Taxus. Ook halfheesters, zoals lavendel zijn goed te gebruiken voor lage heggetjes.

Snelle wintergroene hagen:

  • Prunus laurocerasus
  • Liguster
  • Thuja
  • Taxus media ‘Hicksii’
  • Lonicera nitida
  • C. x Leylandii (groeit 1 meter per jaar – 3 x per jaar snoeien).

 

Wintergroen, matig snelle groeier:

  • Prunus laurocerasus ‘Caucasica’
  • Escallonia (half wintergroen)
  • Berberis julianae, heel gemene stekels
  • Aucuba japonica
  • Pyracantha, vuurdoorn

Langzaam groeiend, wintergroen

  • Bamboe
  • Taxus baccata
  • Ilex, hulst
  • Mahonia
  • Eleagnus pungens en E. ebbengei (zeewind verdragend)
  • Buxus sempervirens
  • Viburnum tinus

Onderhoud:

Voor hogere hagen gebruikt u een maaibalk of een elektrische heggenschaar (al dan niet op stok). Het is handig om hagen taps af te laten lopen: bovendeel iets smaller dan onderkant. Hierdoor komt er op de onderkant van de haag ook zonlicht. Bij het aanplanten van o.a. beukhagen is het belangrijk om de haag 2/3 deel af te knippen.

Bij het planten van een haag graaft u een geul en u spant het beste een lijntje.

Overige tips:

  • Buxus: om te voorkomen dat buxushagen steeds dikker en hoger groeien, is het verstandig om de hagen tot op het hout van het vorige jaar te snoeien. Het afsteken van de wortels is ook een optie.
  • Taxus kunt u tot op het bot terugsnoeien. Dit i.t.t. andere coniferen. Daar moet altijd wat groen op blijven om weer uit te kunnen lopen. Taxus kunt u ook in een aantal jaren en in delen smaller en lager maken. Normaal snoeit u Taxus 1 x per jaar in augustus.
  • Iedere tuin zou voor 1/3 deel uit groenblijvende planten moeten bestaan. Hiermee geeft u structuur aan de tuin en is er in de winter ook nog wat te zien.
  • Hebt u een te kleine tuin voor een haag, dan kunt u klimplanten (Clematis, rozen) langs een rek laten klimmen. Tegenwoordig zijn er ook rekken met o.a. Hedera die u met plant en al als afscheiding kunt plaatsen.

Anneke Duyvesteijn

Meststoffen

De heer Leo Groenleer van DCM was uitgenodigd bij Groei & Bloei Westland tijdens een van haar thema-avonden. Het hoofdkantoor van DCM bevindt zich in Grobbendonk, België. Behalve filialen in Nederland en Duitsland, exporteert De Ceuster Meststoffen naar gebruikers over de hele wereld. Vanaf de start draagt het bedrijf, dat in eerste instantie begon met grondontsmettingen, milieuvriendelijke bemestingsoplossingen hoog in het vaandel d.w.z.: natuurlijke plantenvoeding. Dit heeft geresulteerd in een aantal bemestingsproducten voor zowel de tuinliefhebber als de professional. Voor de pauze ging Leo in op het realiseren van de een gezonde (moes)tuin:

Een gezonde bodem = mooie siertuin/gezonde producten uit de moestuin

Tijdens zijn presentatie ging Leo Groenleer allereerst in op iets wat elke beginnende tuinier zou moeten weten, namelijk dat de basis van een elke mooie tuin een gezonde bodem is. Een gezonde bodem is rijk aan organische stof. Deze stof bestaat uit resten van planten en dieren. Nuttige organismen, zoals bacteriën en schimmels zetten de organische stof om in humus, dat voedingselementen voor planten tijdelijk kan vastleggen. De humus die van nature aanwezig is in de grond, is afhankelijk van de samenstelling van het grondtype waarop u tuiniert.

Bodemverbetering

Organische stoffen

In de tuin is het voor de gezondheid van de planten belangrijk om het gehalte aan organische stof op peil te houden om zo een positieve biologische buffer te creëren. Door veel organisch materiaal te gebruiken, krijgt de grond een goede structuur vol nuttige organismen. Hierdoor vermindert de stress van het gewas bij verplanten en verhoogt de weerstand van planten tegen plantschadelijke wortelschimmels. Een betere structuur zorgt ook voor een betere verhouding tussen lucht en water in de grond.

Het verbeteren van de bodem vindt onder andere plaats door het strooien van organische mest en humus. Houdt u er rekening mee gedroogde koemest minder agressief is dan mest van kippen. Hoewel koemest de grond verbetert is het als voeding echter onvoldoende.

Zuurgraad

Ook de zuurgraad van uw grond is van belang bij het creëren van een gezonde bodem. De aard van de bodem bepaalt ook welke planten er goed op zullen floreren. Iedere plant heeft namelijk zijn favoriete zuurgraad. Naast zuurminnende kennen we pH-neutrale en kalkminnende planten. Is de pH van de grond te hoog of te laag dan kan dit effect hebben op de opname van voedingsstoffen door de plant. De meeste planten doen het goed op een pH-neutrale grond, waarbij de pH-waarde rond 6,5 ligt. Bij zuurminnende planten ligt deze waarde rond 5,5 en bij kalkminnende planten ongeveer 7.

Wilt u weten wat de pH-waarde van uw grond is dan kunt u deze op de speciale grondtestdagen laten testen. De zuurgraad van de grond kunt u bijstellen door het gebruik van (Groen)kalk bij kalkminnende planten (of als de grond te zuur is) en voor zuurminnende planten met een product als DCM Vivimus. Vivimus is er trouwens ook voor kalkminnende en pH-neutrale planten.

Onderhoud

Voeding

Evenals de mens hebben planten behoefte aan een aantal voedingselementen uit de zogenaamde schijf van vijf t.w. NPKMC:

N          = stikstof om te groeien, zorgt voor de celstrekking

P          = fosfaat voor beworteling van de plant de voeten van de plant

K          = kali voor goede knopzetting, stevigheid, kwaliteit

MgO     = voor de groene kleur goed transport groeistoffen

Ca        = calcium voor voedingsopname, structuurverbeterend, zorgt voor stevige celwand

aangevuld met sporenelementen, zoals ijzer, Borium, koper, Mangaan, Molybdeen, Silicium, zink en zwavel. Naast algemene voedingsproducten (zoals siertuinmeststof) kunt u de verschillende planten in uw tuin nog eens extra verwennen. Denkt u hierbij aan lavameel voor rozen en mest voor rozen. Afhankelijk van de doelgroep kan het percentage van voedingselementen uit de schijf van 5 in de samengestelde meststoffen verschillen. DCM Organische meststof voor groente bestaat bijvoorbeeld uit NPK 6-3-12 + 2MgO en meststof voor het gazon uit NPK 5-4-3. De combinatie is dus afhankelijk van het doel van de bemesting: snelle groei, goede knopvorming of uitgebreid wortelgestel.

Herkomst producten

De producten van DCM hebben een organische herkomst (dierlijk en plantaardig). De grondstoffen, zoals beendermeel, bloedmeel, hoefmeel, verenmeel, zonnebloemenpitten e.d. zijn allemaal gedroogd en hittebehandeld. Het voordeel van organische meststoffen is dat de voeding geleidelijk (in 100 dagen) vrij komt; vindt er minimale uitspoeling plaats, het bacterieleven en de structuur van de grond verbetert. Bij minerale meststoffen is de uitspoeling tot 60%; is er sprake van een voedingsexplosie met een korte werking. Van verbetering van de grond is er geen sprake; door de vele zouten in de minerale meststof vindt er juist een aanslag op het bodemleven plaats.

Na de pauze passeerden nog een aantal mooie moes- en siertuinen de revue, zoals Sissinghurst, de tuinen van Monet en Villandry, Hyde Hall, Hever Castle en Rosemoore en Barnsdale Gardens. Verder was er aandacht voor de verschillende producten van DCM, zoals de najaarsmest voor gras die u het best half oktober kunt strooien en lavameel voor stevige en gezonde rozen. Ook konden de bezoekers vragen stellen. Een interessante vraag was het aangeven van het verschil tussen de DCM producten en andere organische meststoffabrikanten. Het antwoord van Leo was dat de producten van andere producenten minder lang werkzaam zijn en in een aantal gevallen toch minerale grondstoffen bevatten.

Al met al was het een zeer interessante avond, die er voor heeft gezorgd, dat de kennis van de bezoekers van de avond op het gebied van bodemkunde weer is opgepoetst of bijgespijkerd!

In de samenvatting van Leo wordt nader op de werking en toepassing van de diverse producten ingegaan. Verdere informatie kunt u vinden op: www.dcm-info.nl. U kunt zich daar ook aanmelden voor de nieuwsbrief van DCM.

Anneke Duyvesteijn