Activiteiten & Actueel

Aardbeien met smaak

Verslag van de lezing ‘Aardbeien met smaak’ van Jan Robben op donderdagavond 12 maart 2009

 

De ene aardbei is de andere niet, want kleur, smaak en vorm bepalen de populariteit van een aardbei en juist met de smaak houdt Jan Robben zich graag bezig.

Na jarenlang ervaring te hebben opgedaan op het ouderlijk bedrijf in Berkel-Enschot is Jan Robben in 1986 in Oirschot, Noord-Brabant, begonnen als vollegronds aardbeienteler op 7,5 hectare. Op het bedrijf worden de aardbeien nog traditioneel in de grond geteeld, met stro tussen de planten om de vruchten zo goed mogelijk te kunnen beschermen.

 

Strawberry Tree

Terwijl hij tot voor kort zijn product via de veiling afzette houdt Jan Robben zich tegenwoordig veel meer bezig met de smaak van aardbeien. Inmiddels is zijn product een begrip geworden in de culinaire wereld, waar het dan ook gretig aftrek vindt. Met aandacht voor natuur en milieu kweekt Jan een groot aantal verschillende rassen aardbeien met allemaal hun eigen specifieke smaak. En die smaak wil hij dan maar al te graag onder de aandacht brengen. Dit heeft inmiddels geleid tot de z.g. Strawberry Tree, een kunstvoorwerp, waarop smaakaardbeien op een wel zeer aantrekkelijke wijze worden gepresenteerd. Deze manier van presenteren heeft inmiddels zijn weg gevonden op vele diners, feesten, congressen en andere happenings en al meer dan eens heeft deze presentatieschaal een bruidstaart vervangen (www.strawberrytree.nl). Door zijn creativiteit heeft Jan al diverse prijzen in de wacht gesleept. Regelmatig vinden er op zijn bedrijf ook culinaire proeverijen plaats.

 

Wat is een aardbei?
De aardbei (Fragaria) is een geslacht dat deel uitmaakt van de rozenfamilie (Rosaceae). Botanisch gezien is de aardbei een schijnvrucht. De werkelijke vruchten zijn eigenlijk de zaadjes/ pitjes op de aardbeien. Wat wij de aardbei noemen is in werkelijkheid het opgezwollen sappige en rood gekleurde weefsel van de bloembodem. Hoe meer pitjes er op het huidje van de aardbei voorkomen, hoe groter de aardbei. Aan elk zaadje zit een haartje en deze haartjes zijn, afhankelijk van het ras, soms de veroorzakers van allergische reacties. Deze haartjes komen ook op de bladsteel voor, waardoor plukkers soms ook onder de uitslag zitten.

De rhizoom is het belangrijkste deel van de plant en bevindt zich tussen grond en blad. Naast een gezonde plant en een gezond bodemleven zijn hommels en honingbijen belangrijk voor de bestuiving van de bloemen. Na de bestuiving komt de bevruchting tot stand waardoor de bloembodem opzwelt en de aardbei wordt gevormd. Er vindt ook bestuiving door de wind plaats. Voor de smaak van de aardbei is vooral ook licht erg belangrijk.

 

Er komen over de wereld verspreid zo’n 20 soorten voor en van de geteelde aardbei zijn er vele honderden rassen. In Nederland worden meestal Noord-Europese rassen gekweekt. Bij deze rassen zijn daglengte en winterkoude belangrijk voor o.a. het strekken van de trossen. Bij deze z.g. kortedag-planten vindt in de periode van september – oktober de aanleg van de bloemknoppen plaats, waarna de plant in winterrust gaat. Als de dagen gaan lengen groeien de eerder aangelegde knoppen langzaam in trossen naar boven en eenmaal op lengte verschijnen dan al snel de eerste bloemen, dit zijn ook de grootste bloemen. Californische en doordragende rassen hebben deze koude echter niet nodig.

 

De productie

Het grootste gedeelte van de aardbeien die in Nederland worden geteeld komt uit Noord-Brabant (2/3). In totaal bestaat het areaal uit 2000 ha buitenteelt en 250 ha onder glas/plastic. Dit is slechts 5 % van de totaalproductie in Europa. T.o.v. een zo’n 30 jaar geleden is er veel veranderd op het gebied van teelttechniek en worden er nu ook aardbeien op substraat onder glas geteeld. De redding van de aardbeienteelt onder glas, aldus Jan Robben. Zelf staat hij juist met het oog op de smaak van de aardbei nog steeds achter zijn keuze voor de teelt op de volle grond.

 

De productie van jonge aardbeienplanten is al een hele teelt op zich. Het is bijna niet mogelijk om aardbeien uit zaad te kweken. Om van een bepaald aardbeienras nieuwe planten te kunnen oogsten plant de teler in maart een groot aantal zogenaamde moederplanten. Aan de uitlopers van deze planten ontwikkelen zich uitlopers. Hieraan worden nieuwe planten gevormd, die in augustus volgroeid zijn. Deze stekken worden uitgeplant op een productieveld of op een zogenaamd wachtbed.  Geplant op een productieveld houdt dit in dat de eerste aardbeien van deze planten op zijn vroegst na vijftien maanden kunnen worden geplukt.

 

Bevroren aardbeien

De planten op het wachtveld ondergaan echter een andere behandeling

Een van de meest revolutionaire ontwikkelingen van de afgelopen jaren is namelijk het koelen van planten. Om nagenoeg jaarrond te kunnen oogsten kunnen planten tegenwoordig, als ze in november in ruste gaan, vanuit het wachtbed uit de grond worden gehaald en in de koelcel op anderhalve graad Celsius onder nul worden bewaard. Deze planten kunnen dan op elk gewenst moment vanuit de koeling weer de grond in. Door de planten als het ware voor de gek te houden (de winter wordt kunstmatig verlengd) kan de oogst, die van nature slechts vier weken duurt, zo worden gespreid.

Door het gebruik van allerlei tunnelsystemen kan de teelt aan de andere kant ook weer worden vervroegd.

 

Een gevoelige teelt

Verder vertelde Jan Robben, dat het belangrijk is om aardbeien op de juiste diepte te planten en met gestrekte wortels. Te diep of te ondiep geplant veroorzaakt allerlei problemen, maar ook te natte grond is uit den Boze. Ook te veel mest in het begin van de teelt kan desastreus zijn, omdat de wortels dan erg gevoelig voor verbranding zijn. Het beste is het om organische mest te gebruiken aangevuld met wat kali aan het einde van de bloei of als de vrucht begint te rijpen. Het is tevens belangrijk om de grond voor het planten goed voor te bewerken door het aanbrengen van compost. Als de planten ongeveer 15 centimeter hoog zijn wordt er tarwestro aangebracht. Stro heeft verschillende functies. Aardbeien hebben de gewoonte om als ze uit beginnen te groeien en dus zwaarder worden, op de grond te gaan liggen. Ligt er dan geen stro onder, dan worden ze bij de eerste de beste regenbui vol gespat met aarde; vandaar de naam aardbei. Het aanbrengen van stro gebeurt machinaal. Binnen 3 uur kan 12 ton stro op 1 hectare worden aangebracht. Door het gebruik van stro worden ook problemen met schimmelziekten voorkomen en is het plukwerk aangenamer.

 

 

Slapeloze nachten

Een van de dingen die aardbeientelers slapeloze nachten oplevert is nachtvorst aan het einde van het voorjaar als de plant in bloei staat. Stro verlaagt namelijk ook de temperatuur. 2 graden Celsius boven nu, betekent een temperatuur van –1 graad Celsius onder stro. Gelukkig zijn er tegenwoordig z.g. nachtvorstmelders. Nachtvorst betekent dat er gesproeid moet gaan worden om de vorst uit de plant te weren (nachtvorstberegening). De planten worden dan cyclisch beregend. Na een week nachtvorst kan de situatie kritiek worden omdat de grond dan te nat wordt. Ook hagelbuien zijn verraderlijk voor het gewas. Na een hagelbui in begin juni 2000 waren de planten op alle percelen totaal verwoest. Toch houdt een aardbeienteler wel van frisse nachten, want te warme nachten zijn funest voor de vrucht.

 

De oogst

Aardbeien worden één voor één geplukt en daarom zijn er voor de oogst veel mensen nodig. Om de twee tot drie dagen doorloopt men het perceel en gemiddeld levert een hectare zo’n 15 tot 25 ton aardbeien op.

Tijdens de oogst komt men af en toe ook misvormde vruchten tegen. Deze worden verwerkt tot jam, sap of ijs. Dat deze vruchten de gekste vormen kunnen hebben bleek uit een foto van een reuzenaardbei die door zijn broer, Gert-Jan Robben, was geoogst. Deze vrucht had een doorsnede van 12 centimeter en woog ongeveer 180 gram. Aardbeien kunnen soms ook hol zijn.

 

Het belang van een goed ecosysteem ook rondom het bedrijf

Aardbeien kennen ook belagers. Zo weten vogels precies wat lekkere aardbeien zijn. Ook worden ze aangevreten door muizen, maar torenvalken die op de velden in Oirschot voorkomen weten daar wel raad mee.

Een ander probleem dat kan voorkomen zijn wortelaaltjes in de bodem, die de wortels aanvreten, waardoor de plant niet meer groeit. Tegen dit probleem kunnen afrikaantjes (Tagetes) worden ingezet, die 15 jaar geleden opnieuw zijn ‘ontdekt’. Een nadeel is dat omdat afrikaantjes in de zomer bloeien er dan geen aardbeien kunnen worden geplant.  Afrikaantjes worden trouwens ook tussen twee teelten als groenbemester gebruikt.

 

Een echte sluipmoordenaar is spint. Hiertegen wordt zijn natuurlijke vijand de roofmijt ingezet. Ook trips kan schade aan de bloem en bloembodem aanbrengen. Een andere belager is de luis. Door o.a. de brandnetels in de slootkanten te laten staan verschijnen echter vanzelf de lieveheersbeestjes die een lekkere luis graag op het menu hebben staan. De aardbeienbloesemkever kan ook veel schade aanbrengen. Hij prikt gaatjes in de bloemen, waardoor de vrucht wordt beschadigd (bestrijding met bv. Decis).

 

Naast dierlijke belagers zijn er ook de schimmels. Botrytis is er daar een van en de infectie ontstaat vaak tijdens de bloei. Tegen Botrytis (en andere schimmels) wordt ook meetapparatuur ingezet die de infectiekans aangeeft (o.a. door te nat gewas) zodat de teler alleen nog als het echt nodig is een bestrijding uit hoeft te voeren. Vervelend zijn ook stengelbasisrot (tijdens natte zomers) en roodwortelrot (in de winter) en meeldauw.

Een ziekte die nogal eens bij hobbytelers optreedt is Verticillium, verwerkingsziekte. Dit is een vaatziekte die m.n. door de slechte structuur van de grond ontstaat. Ook kan een voorafgaande teelt de oorzaak zijn. Zet daarom nooit aardbeien na aardappels!

 

 

De lekkerste rassen met de meeste smaak

Korona vindt Jan zelf het lekkerste (Nederlandse) ras. Helaas is deze aardbei wel heel kwetsbaar en kan hij niet zo lang onderweg zijn. Het is in ieder geval een aardbei, die uitstekend geschikt is voor de hobbyteler. Het verdient aanbeveling om dit ras niet te laat te planten. Nu geplant levert een oogst in mei/juni op.

Ook Lambada is een erg populair Nederlands ras en is het summum voor de fijnproever. De vrucht heeft brede schouders en een opstaand kontje. Deze aardbei is favoriet bij de huisverkoop bij het bedrijf van Jan, maar is relatief duurder omdat er minder opbrengst is en de kostprijs hoger ligt t.o.v. een aardbei als Elsanta.

Elsanta is de aardbei die we in de meeste supermarkten tegenkomen. Het is echter een aardbei die wisselend van smaak is, soms zelfs waterig. In sommige perioden van het jaar worden ze niet helemaal rijp en kunnen ze een witte kraag hebben, Deze aardbeien hebben dan kraak noch smaak. Elsanta is ook dé aardbei die in Wimbledon wordt geserveerd.

Sonata is een nieuw ras en de opvolger van Elsanta. Deze aardbei smaakt niet alleen beter, maar ook de doorkleuring is beter. Er komen ook minder misvormingen voor.

Darselect is een stevig Frans ras met een goede smaak, maar produceert minder kilo’s dan Elsanta.

Een ander goed Nederlands ras is Polka. Polka is wat dof van kleur, maar wel erg lekker. Ook prima voor bewerking tot jams. Ook is dit ras vorstbestendig.

Mara des bois is een doordragend ras met een bosaardbeienaroma, waarvan trossen worden geplukt, om er voor te zorgen dat er niet veel kleine vruchtjes worden gevormd. Deze plant geeft vrucht vanaf juli tot aan de eerste nachtvorst.

Een ras dat vaak wordt aangeboden door postorderbedrijven is Maxim. Dit is een aardbei zo groot als een vleestomaat, maar helaas is hij niet te (vr) eten, aldus Jan Robben.

Naast al deze lekkere rassen zijn er ook nog de bosaardbei, de ananasaardbei en de framboosaardbei, die ook heel lekker maar kwetsbaar zijn, maar uitstekend voor de teelt van hobbytuinders. Er zijn ook zure aardbeien van Amerikaanse oorsprong die vooral door banketbakkers erg worden gewaardeerd.

Om het zoetgehalte van de aardbei te meten is er trouwens de z.g. refractometer.

 

Toepassingen en gebruik

In de afronding van zijn lezing wees Jan Robben nog op de diverse toepassingen van het product, zoals jams, sap en ijs. Ook worden aardbeien vaak gebruikt in yoghurtdrinks en yoghurt.

Ook allerlei heerlijke toetjes passeerden de revue zoals gekaramelliseerde aardbeien en wie komt er nou niet uit zijn bed voor een lekker beschuitje met heerlijke zomerkoninkjes?

Aardbeien hoeven verder niet voor gebruik te worden gewassen. Wilt u het toch laat dan het steeltje er aan zitten en haal dit er pas na het wassen af, anders verliest de aardbei aan smaak.

 

Aardbeien zijn ook erg gezond en bevatten veel vitamine C en antioxidanten. 100 gram aardbeien bevat meer vitamine C dan 1 sinaasappel. Aardbeien zijn tevens goed voor de lijn en dat blijkt alleen al uit het feit dat 100 gram citroen meer suiker bevat dan 100 gram aardbeien. Je kunt zelfs met het sap je tanden mee poetsen.

Watertandend gingen de aanwezigen vervolgens naar huis en gesteund door de nieuw opgedane kennis zal menigeen deze zomer weer talloze zomerkoninkjes kunnen plukken!

Wilt u mooie aardbeienplanten kopen dan kunt u deze via de post bestellen bij kwekerij Duivenvoorden, Turfspoor 57, 2165 AW Lisserbroek (0252 - 410701 /  06-51318630). Deze planten zijn tuinbouw gekeurd. Internetsite: (www.kweduivenvoorden.nl).

Mocht u meer informatie willen over het bedrijf van Jan Robben aan de Boterwijksestraat 15 in Oirschot (5688 HX) of er eens een bezoekje willen brengen (vanaf half april) dan kunt u surfen naar www.aardbeien.net of www.strawberrytree.nl (0499 - 573833 - 06 51246157).

 

Anneke Duyvesteijn 

Agapanthus

Verslag lezing van Piet Zonneveld over Agapanthus

Op donderdagavond 20 mei was Piet Zonneveld bij Groei & Bloei afdeling Westland te gast om te vertellen over zijn grote passie: het kweken van Agapanthus. Piet’s bijnaam is Piet Panthus en dat is niet voor niets, want als je op je kwekerij meer dan 400 soorten kweekt dan is een dergelijke naam wel toepasselijk. Het kweken van Agapanthus is een uit de hand gelopen hobby waar Piet al 20 jaar mee bezig is. Zijn bedrijf in Hillegom bestaat sinds 1989 en op een gedeelte van 4 hectare kweekt hij met de hulp van zeven medewerkers dit prachtige gewas.

Herkomst en betekenis van Agapanthus

De Latijnse naam Agapanthus is afgeleid van het Griekse woord “agape” dat letterlijk liefde betekent en “anthos” dat bloem betekent. De Nederlandse naam is dan ook liefdesbloem. Een andere naam voor Agapanthus is Afrikaanse of Kaapse lelie. Dit is een verwijzing naar de herkomst van Agapanthus, namelijk Zuid-Afrika.

Ze groeien in zowel warme als koudere gebieden in Zuid-Afrika en zijn door de koloniale scheepvaart rond de zeventiende eeuw naar Europa gekomen. In eerste instantie waren alleen de bladhoudende soorten bekend, maar later bleek, dat er ook bladverliezende soorten zijn. Deze soorten groeien vaak op koele berghellingen en zijn bladverliezend.

Soorten en eigenschappen

Er zijn heel veel soorten Agapanthus, die verspreid over de periode van juni tot september tot bloei komen. In hoogte kunnen ze variëren van 10 – 150 cm. De kleuren waarin ze voorkomen zijn wit en blauw tot bijna zwart. Zoals eerder gemeld zijn er zowel bladhoudende als bladverliezende Agapanthus. De voorkeur van Piet zelf gaat uit naar de bladverliezende soorten, omdat die vrij gemakkelijk de winter door kunnen komen.

De Afrikaanse lelie houdt gezien zijn herkomst van een zonnige locatie, hoe meer zon hoe beter! In de zomer kan hij (tijdens de vakantie) best twee weken zonder water. Qua standplaats houdt dit gewas van humusrijke, licht vochthoudende grond waar wat zand door heen is gemengd. Aan natte voeten heeft Agapanthus een hekel, dus een goede afwatering is een vereiste. Dit geldt ook voor Agapanthus in potten. Er moet een goed afwateringsgat in de pot zitten anders wordt de plant geel. In de winter kunnen de bladverliezende soorten tot -5ºC verdragen en bladhoudende soorten -1ºC; lagere temperaturen zijn funest! Op een plaatsje in de volle zon adviseert Piet soorten met lange stelen. Voor plekken waar minder zon zijn lagere cultivars beter geschikt, omdat deze rechtop blijven staan. Soorten met lange stelen groeien op een minder zonnige locatie namelijk krom omdat ze naar het licht toe groeien.

Snoeien is bij deze planten niet nodig en het is verstandig om twee tot drie keer per jaar te bemesten. Het advies is om mest met een lage dosering stikstof toe te dienen. Het beste is een samengestelde meststof NPK 7-14-28 (N=stikstof, P= fosfor en K=kalium) te gebruiken. Het is een meststof met weinig stikstof; teveel stikstof stimuleert de bladgroei, maar remt de bloei. Deze meststof is gewoon bij de tuincentra verkrijgbaar.

Over de ‘oude’ soorten vertelde Piet dat die snel de neiging hadden om te vallen. Door veredeling is dit probleem ondervangen en bij nieuwere soorten komt dit probleem bijna niet meer voor. Naar aanleiding van een vraag over het herkennen van bladverliezende of wintergroene Agapanthus merkte Piet op, dat de bladeren van bladverliezende planten geel kleuren en afvallen en dat bladhoudende soorten bladeren als prei hebben, die verslijmen als ze bevroren zijn.

Kweekproces van najaar tot voorjaar

Piet vertelde verder dat op het bedrijf de planten na de bloei worden gescheurd en direct als stek weer worden uitgeplant. Voor de winter maakt de plant dan weer nieuwe wortels aan. Vanaf november ligt er stro en plastic op de kwekerij klaar. Zodra er vorst op komst is dekt hij de planten machinaal met plastic af en gaat er een laag met stro en vervolgens papierpulp overheen (tegen het wegwaaien van het stro). Deze manier is zo betrouwbaar dat op zijn kwekerij in België de planten -23ºC overleefden.

Voor wie in de tuin Agapanthus in de volle grond heeft staan geldt eigenlijk hetzelfde verhaal. Een oude plastic tas, met daar bladeren, stro en zand boven op, moet het doen! Ook een dikke laag compost heeft trouwens een isolerende en beschermende werking. In de winter kan ook een pak sneeuw voor goede isolatie zorgen.

Afhankelijk van het weer gaat eind maart, begin april het stro en het plastic er weer af. Bij de vroege soorten is dan al weer leven te bespeuren. Gele en witte punten geven aan dat het nieuwe seizoen kan beginnen. Al snel kleuren de punten door het zonlicht groen en zet de groei in. Soms groeien de stelen wel 5 tot 6 centimeter per dag. De zon geeft de stelen en de bloem hun originele kleur.

Verzorging

Agapanthus kan dus zowel in de volle grond als in een kuip of pot groeien. Het beste groeien ze echter in de volle grond. Plant u één soort tegelijk, want bij het gebruik van meerdere soorten zal er altijd een zijn die de anderen overwoekert. In de volle grond is het verstandig om de planten om de vier tot vijf jaar op te nemen en te splitsen. Dit om te voorkomen dat de vorst schade aan kan richten. De wortels hebben namelijk de neiging om de plant jaarlijks wat omhoog te duwen. Als ze zijn opgenomen en gesplitst kunt u ze weer dieper terug planten. Het voordeel van Agapanthus in potten is dat ze gemakkelijker naar binnen te halen zijn.

Als het einde van het tuinseizoen nadert (half oktober) is het verstandig om Agapanthus in potten als het mogelijk is onder een afdak te plaatsen, zodat de potten droog naar binnen kunnen. Planten die te nat naar binnen gaan zullen de winter namelijk niet overleven. Vanaf november zijn alle planten in rust, dat betekent dat ze in de wintermaanden ook geen water nodig hebben tot ongeveer eind maart. Geeft u toch water dan gaat u de plant activeren en dat is niet de bedoeling. Potten die binnen overwinteren moeten ook binnen beschermd staan tegen de vorst. In een onverwarmde schuur of garage kan het namelijk ook vriezen. Dekt u tijdens vorstperiodes de planten dan extra af met een oude jas of deken.

De overwinteringstemperatuur voor Agapanthus ligt tussen de 2ºC – 8ºC (boven nul). Het is belangrijk dat de planten minimaal 2 maanden in deze conditie overwinteren. Boven de 10ºC blijft de plant groeien en dit heeft een negatief effect op de bloei (geen bloemen).

Het land der fabelen

In het land der fabelen viert onzin hoogtij. Ook over Agapanthus bestaan tal van fabels waar Piet het liefst een dikke streep doorhaalt. Zo is het verhaal dat Agapanthus het best bekneld in een pot kunnen staan klinkklare onzin. Het is juist verstandig om deze plant in een ruime pot te planten, zodat de wortels goed de ruimte hebben. Afhankelijk van de soort kunt u Agapanthus in pot het beste na een jaar of drie jaar verjongen, d.w.z. in stukken delen en opnieuw uitplanten. Na het delen zaagt u van de onderkant een stuk van de wortelkluit af. Het beste is het om dit na de bloei te doen; precies zoals op de kwekerij. De plant kan dan nog goed nieuwe wortels maken en zo hebt u eigenlijk een seizoen winst. Let u bij het kiezen van de pot vooral ook op de vorm. Het is handig als de Agapanthus bij het verjongen gemakkelijk uit de pot kan, zonder dat die kapot gaat.

Een andere fabel is, dat soorten met smal blad koeler kunnen overwinteren dan soorten met breed blad. “Pure onzin” zegt Piet!

Ook krijgt u uit het zaad van een cultivar nooit dezelfde soort terug! Het zaad kunt u natuurlijk wel zaaien, maar de uitkomst is onbetrouwbaar. Cultivars kunt u alleen door scheuren vermeerderen. De cyclus van zaad tot bloem duurt trouwens drie jaar!

Juiste keuze

Bij het kiezen van een Agapanthus is het belangrijk om een Agapanthus met een cultivarnaam te kopen. Planten met een geregistreerde naam bloeien goed en blijven dat ook doen. Koopt u liever geen Agapanthus zonder naam of met alleen de opmerking: ‘bloeit wit’ of bloeit blauw’! Dat loopt gegarandeerd op een teleurstelling uit! Dergelijke hybriden zijn vaak gezaaid en de eigenschappen zijn onbekend, dus een kat in de zak is dan zo gekocht!

Van de 400 soorten die Piet kweekt, heeft hij er naar zijn zeggen ongeveer 250 zelf in de wereld opgespoord. Ook is hij steeds op zoek naar oude soorten om mee te veredelen. Door veredeling komen er steeds andere kleuren op de markt. Momenteel vindt er een verschuiving plaats in de vraag van de consument van blauw naar wit. Voorheen bedroeg de vraag naar wit ongeveer 95%, nu is er echter steeds meer vraag naar wit. Mooie witte soorten zijn A. ‘Leicester’, doorbloeiend (als je de uitgebloeide bloemen er uit haalt) en ongeveer 65 centimeter en A. ‘Albus’, een zuiverwitte artistiekeling met een roze puntje op de bloem. Andere mooie soorten zijn A. ‘Berlin’ (donkerblauw) en A. ‘Columba (donkerblauw), die heel vroeg is.

Er zijn ook Agapanthus voor de ‘snij’. Dit zijn bladverliezende soorten die veel bloemen dragen. Vaak zijn de bladeren van deze soorten niet zo mooi. Door veredeling is het echter gelukt om deze soorten goed in het blad te krijgen. Ook is het door veredeling mogelijk om de bloeitijd te verlengen. Op termijn zal er zelfs een Agapanthus op de markt komen die in september bloeit, maar deze soort is nu nog in ontwikkeling.

Wie een bezoek wil brengen aan de kwekerij van Piet is welkom op de open dagen. De vierde editie van de Nederlandse Piet Panthus dagen is op zaterdag 26 en zondag 27 juni en op zaterdag 10 en zondag 11 juli van 11.00 – 16.00 uur. In juni en juli is de kwekerij op vrijdagmiddag open van 13.30 uur – 17.00 uur. Meer informatie is te vinden op www.agapanthus.nl. Aan het einde van de interessante lezing was er nog gelegenheid om wat mooie soorten te kopen.Daarna ging iedereen tevreden naar huis!

Anneke Duyvesteijn

Bijen: voor wie er niet bij was!

Verslag presentatie Paul Moerman van Imkervereniging Midden-Delfland op woensdag 17 februari 2016 bij Groei & Bloei Westland

 

Voor wie er niet Bij was…

 

Paul Moerman werkt als adviseur ecologie bij gemeente Westland en is al sinds zijn zeventiende bezig met bijen. De eerste bijenkas kreeg Paul van zijn vader, toen deze zijn meloenen door bijen wilde laten bestuiven. Zijn interesse voor bijen is toen gewekt en zorgde ervoor dat hij nog veel meer over de bij zelf, maar ook over het imkeren wilde weten. Als lid van Imkervereniging Midden-Delfland probeert Paul zo biologisch mogelijk te imkeren. Hij gebruikt hoge kasten en probeert zo min mogelijk van kunstraten gebruik te maken. Zoals hij zelf zegt begeleidt hij een natuurlijk proces, in dit geval het maken van honing door de bij, zonder kunstgrepen. De honingbij speelt een belangrijke rol in onze voedselvoorziening. Bestuiving door bijen is bij een groot aantal voedingsgewassen noodzakelijk om tot vruchtvorming te komen. Een reden om wat meer over de bij te weten te komen, zeker nu zijn welzijn zo onder druk staat door zaken als de varroamijt en bestrijdingsmiddelen.

 

Het herkennen van een honingbij of een wesp

Wie er deze avond bij was leerde van Paul allereerst het verschil tussen en wesp en een bij en hoe beide insecten van elkaar te onderscheiden zijn.

Zowel de bij als de wesp hebben een belangrijke functie. Wespen zijn eigenlijk hele nuttige beestjes en vangen insecten, zoals muggen en vliegen. Ze zijn vooral te herkennen aan hun gevangenispakje d.w.z. de gele strepen op hun lijfje. Vaak ervaart de mens de wesp als een plaag, maar eigenlijk is een wesp alleen maar irritant als hij in rond augustus op zoek gaat naar zoetstof om de koningineitjes te voeden, die nog voor de winter geboren worden. Alleen de koningin overwintert, de werksters vriezen dood.

Wespen maken vaak een nest in een spouwmuur of een andere hinderlijke plek. Als u er niet direct last van heeft, kan het nest er blijven zitten. Omdat wespen van een schoon nest houden, keren ze in de meeste gevallen de eerste 10 jaar niet terug, omdat het nest dan bevuild is met schimmels en bacteriën. Maar toch….wespen kunnen ook steken en niet één keer, zoals bij een bij, maar meerdere malen achter elkaar. Blijf vooral rustig in de buurt van bijen of wespen, want door in paniek te raken, raakt ook de bij of wesp in paniek en gaat steken.

 

De anatomie van een honingbij

Een bij bestaat uit een kop, een borststuk en een achterlijf.

Op de kop van een bij zitten belangrijke zintuigen die o.a. zijn ondergebracht in de antennes of wel de voelsprieten van de bij. De bij kan er van alles mee analyseren, zoals geur, geluid en luchtvochtigheid. Pas is wetenschappelijk bewezen, dat bijen tijdens het vliegen positieve ionen opnemen. Deze opgeladen spanning gebruiken ze bij een bijendans op de raten om locaties door te geven van drachtbronnen (nectar en stuifmeel) aan de andere bijen. Naast twee ogen heeft de bij ook drie kleine puntogen die eigenlijk de gps van de bij zijn. De bij bepaalt hiermee de stand van de zon en nauwkeurig de locatie van de kast. Een bij heeft een actieradius van ongeveer drie kilometer.

In de kop zitten ook de voedersapklieren welke een belangrijke rol spelen bij het produceren van de koninginnengelei, het voedingssap voor de opgroeiende larven en de koningin.

Aan het borststuk zitten de poten en de vleugels. In de honingmaag vervoert de bij de nectar. Voor één potje honing vliegt een bij gemiddeld 1x de wereld rond. Aan zijn poten heeft de bij een klein korfje, waarmee hij stuifmeel kan vervoeren, het stuifmeelkorfje. Bijen leven van stuifmeel net als een aantal andere insecten. Het is een bron van eiwitten, vetten en vitaminen, die bijenlarven nodig hebben als ze uit hun eitje zijn gekomen.

Aan het achterlijf zit ook de angel. Als een bij steekt, dan sterft hij. In de meeste gevallen levert een bijensteek geen problemen op, sommige mensen reageren krijgen echter een allergische reactie. Een angel kun je beter met je nagel wegkrabben, dan eruit te trekken, dan komt het gif namelijk vrij. Als je de angel hebt weggekrabd, veeg je het gif makkelijk weg. Bijengif wordt trouwens therapeutisch toegepast bij reuma.

 

Samenstelling van het bijenvolk

Darren, werkbijen en koninginnen variëren in grootte en hebben uiterlijk kleine verschillen. De koningin wordt door sommige imkers gemerkt, maar is te herkennen aan haar gedrag. Een dar is een mannelijke bij die de koningin bevrucht tijdens haar bruidsvlucht. Als een dar een koningin heeft bevrucht valt hij dood. Darren steken niet! Alleen een koningin produceert eitjes, tot tweeduizend per dag. De vrouwelijke bijen, de werkbijen, bepalen welk eitje een koninginne-eitje wordt.

 

Honingbijen in de natuur

In de vrije natuur leven bijen in holle ruimtes, zoals die van een boom.

Als er door vermeerdering te veel bijen in een kast zitten, gaan ze zwermen. Een gedeelte van het volk gaat er dan met een koningin vandoor op zoek naar een nieuw onderkomen. Deze zwerm is niet gevaarlijk. Een imker kan een dergelijk zwerm met een korf scheppen en meenemen. Als er bij een imker onbedoeld een zwerm is ontsnapt dan moet hij er snel bij zijn, want na een dag krijgt hij ze moeilijk meer terug en zullen ze in de natuur een plekje zoeken.

 

Producten van de bij

Honingbijen maken van nectar honing. Deze honing hebben ze o.a. nodig om de kast warm te houden. In de kast is de temperatuur doorsnee 30°C. Als de temperatuur in de kast te hoog wordt, koelen de bijen met water, dat ze in de honingmaag vervoeren. Dit doen ze om de was in de kast niet te laten smelten.
De bijen van Paul kunnen op een dag met optimale omstandigheden wel tot 10 kilo nectar verzamelen.

Nectar bestaat voor 80 % uit water en 20 % uit honing. De bijen zetten de nectar om in honing, waarbij de verhouding van water tot honing verandert in 20% water en 80% honing. Bij gunstige omstandigheden kan de opbrengst in drie weken wel 18 kg honing bedragen. Bij een opbrengst van 30 – 35 kg moet er ter compensatie 13 kg suiker(water) worden aangeboden aan de bijen. Bijen verlagen de luchtvochtigheid met hun vleugels, als het veel regent duurt het langer om de nectar om te zetten.  Een imker kan zijn kasten ook naar een drachtbron brengen; dit om de afstand voor de bijen korter te maken. Een bij is bloemvast. Dit betekent, dat ze gedurende één vlucht op dezelfde bloemsoort blijven vliegen.

Naast honing leveren de bijen de imker ook propolis, een rode kleverige substantie, die de bijen gebruiken om gaten in de kast af te dichten en om te desinfecteren. Is hierom ook geschikt voor het helen van wondjes. Een ander bijproduct is bijenwas. Molenaars gebruiken bijenwas bijvoorbeeld om de raderen van de molen mee te smeren.

 

Bijen houden kun je leren

Mocht u geïnteresseerd zijn in het houden van bijen, dan kunt u het beste een basiscursus bijen houden volgen. Wat u verder nog nodig hebt, is een plek om een kast neer te zetten.


Na de lezing van Paul Moerman, kwam Gerrit Stuurman van De Werkbij Westland nog even aan het woord.

Gerrit vertelde het een en ander over zijn imkerij en honingproeverij. De Werkbij levert alles voor bijen, zoals imkermaterialen. Ook verkoopt De Werkbij honing, propolis, stuifmeelpollen en koninginnegelei.

 

Anneke Duyvesteijn

Buurt in Uitvoering door André Westbroek op 16 januari 2014

Op donderdag 16 januari 2014 waren André van Westbroek en Marieke van der Meer te gast bij Groei & Bloei Westland om een lezing te geven over ‘Buurt in Uitvoering’. Met de acties rondom de Tuinsafari, een wandeling door o.a. 5 tuinreservaten in de kern Wateringen op 1 juni van het afgelopen jaar, hadden we, als afdeling, al kennis met André en Marieke gemaakt. Zo waren er i.s.m. Buurt in Uitvoering boomspiegels op het plein in Wateringen beplant en was de entree van het Kamrad aangepakt.

Oud-bestuurslid Arjan van der Voort die nauw bij een en ander betrokken was, beet de spits van de avond af met een kleine terugblik op deze samenwerking in het afgelopen jaar. Die samenwerking was niet alleen vruchtbaar, maar leverde indirect de Vernieuwingsprijs van Groei & Bloei 2013 voor de afdeling op. Omdat de tuinwandeling dit jaar in Honselersdijk is, vroeg Arjan aan het publiek of er in die kern misschien plekken of straten zijn die ook een opknapbeurtje kunnen gebruiken. Ook andere kernen zijn, aldus Arjan, natuurlijk van harte uitgenodigd.

Afdeling Wijkbeheer

Hierna kreeg André het woord. André is teamleider van Wijkbeheer gemeente Westland, de afdeling die gaat over inrichting en beheer van de openbare ruimte. Volgens André is dit de leukste afdeling van de gemeente, omdat deze afdeling midden in de maatschappij staat, dicht bij de mensen en altijd zichtbaar is.  Het team bestaat uit ongeveer 35 mensen, waar onder een aantal wijkregisseurs. Wijkbeheer houdt zich o.a. bezig met het onderhoud van groen, het herstellen van straatwerk, speelplekken, maar lost ook problemen op bij stormschade en calamiteiten; dit betekent dat deze afdeling 24/7 paraat is. Het project ‘Buurt in Uitvoering’ is eigenlijk een gevolg van de recente bezuinigingen en is bedoeld om samen met burgers de leefruimte zo optimaal mogelijk te houden.

Buurt in Uitvoering

Aan de hand van een presentatie vertelde André over dit bijzondere participatietraject, dat aan inwoners van gemeente Westland de mogelijkheid biedt om een stukje openbare ruimte in beheer te nemen. Dit houdt in dat in samenwerking met de gemeente inwoners hun leefomgeving aangenamer kunnen maken c.q. hun buurt op kunnen fleuren. Ongeveer 1,5 jaar geleden is het project van start gegaan als een vernieuwde versie van het bekende ‘opzomeren’, een initiatief dat in Rotterdam zijn oorsprong kent.

Voorbeelden van projecten zijn: het aanleggen van een dierenweide, skatebaan, een jeu-de-boulesbaan, opschoonacties en acties zoals vorig jaar met onze afdeling in Wateringen. Inmiddels zijn er al ruim 125 projecten uitgevoerd. Deze projecten zijn voor zover mogelijk kostenneutraal uitgevoerd en dit is o.a. mogelijk door het zoeken van allerlei (menselijke) verbindingen, zoals o.a. met Groei & Bloei Westland.

Wat te doen met een idee?

Hebt u een idee, dan kunt u dit, aldus André, samen met Buurt in Uitvoering realiseren. U gaat zelf, samen met de buurt, aan de slag en de gemeente faciliteert uw project door materialen, vakkennis en expertise beschikbaar te stellen.

Na het indienen van het initiatief kijkt de betreffende wijkregisseur met u naar de haalbaarheid van het project en de beleving van uw omgeving. Binnen 14 dagen is er meestal al uitsluitsel, omdat André het belangrijk vindt, dat goede ideeën gehonoreerd worden en niet te lang in de la blijven liggen.

Wat houdt beheer van de openbare ruimte nog meer in?

Na de pauze ging André in op het beheren van de openbare ruimte. Dat beheer is veel meer dan alleen schoffelen en het verwijderen van zwerfvuil. Ook het onderhoud van bruggen, groeiplaatsverbetering van bomen, belijnen en het uitbaggeren van watergangen, zoals sloten behoren tot de werkzaamheden van het team.

Over het inzamelen van huisvuil vertelde André dat het in de komende jaren steeds meer in de bedoeling ligt om omgekeerd te gaan inzamelen, dit betekent dat de burgers het huisvuil steeds meer aan de bron zullen moeten gaan scheiden. Dat is niet alleen schoner, maar is ook op den duur goedkoper voor de burger, aldus André.

Grote wegtransporten vallen eveneens onder de werkzaamheden van Wijkbeheer en wat te denken van kapotte kolken in straten, die beschadigd zijn door de steeds zwaardere lawinepijlen die de jeugd tijdens de jaarwisseling gebruikt.

Gemalen en rioleringen vragen ook veel aandacht. Een bekend probleem is het lozen in het toilet of gootsteen van bakvet na het bakken van oliebollen rond de jaarwisseling. De elektronica van een gemaal raakt hierdoor ernstig van slag, vooral na zware regenval. Gebruikt vet dus niet in de afvoer, maar met het huisvuil afvoeren!

Nationale Tuinweek/Tegel eruit – plant erin!

Na het verhaal van André ontspon zich nog een levende discussie en was er volop gelegenheid tot het stellen van vragen en maken van opmerkingen.

Omdat de projecten van Buurt in Uitvoering niet alleen een leefbare, maar ook groenere leefomgeving beogen, kwam ook de Nationale Tuinweek nog aan de orde.

Een van de initiatieven die momenteel in ontwikkeling is, is het op landelijke schaal lichten of kantelen van tegels (nationale tegelichtactie) met het doel om op de plek van de tegel een plant te zetten. Het startschot van deze actie zou het lichten van een aantal m2 aan tegels door een bekende of hoogstaande persoon kunnen zijn.

Oud-voorzitter Aad van der Knaap die betrokken is bij de Nationale Tuinweek van 14  - 21 juni a.s. vertelde de bezoekers in het kort wat deze actie tijdens deze week precies inhoudt. Het is de bedoeling dat in die week burgers in het hele land de gelegenheid hebben om op een bepaalde plaats en tijd een tegel in te leveren en daarvoor een plant krijgen. Om de bereidwilligheid van gemeenten te checken is als pilot contact gezocht met gemeente Westland en is inmiddels, aldus Aad, toegezegd dat in een aantal kernen van Westland de mogelijkheid bestaat om tegels in te leveren. Buurt in Uitvoering zal ook hier bij betrokken zijn.

Aad van Uffelen, een van de aanwezigen, gaf aan Aad en Buurt in Uitvoering de suggestie mee om de ingeleverde tegels te benutten en te gaan gebruiken om ergens een biostapelmuur te realiseren. Deze muren kunnen in openbare parkjes, slootkanten en bij vijvers worden aangelegd in een strakke, slingerende, golvende vorm. Zodra de muren begroeid zijn, ontstaat een ideale leefomgeving voor zeldzame planten en diersoorten en insecten.

Het was een leerzame, interessante, maar vooral inspirerende avond en er was een terecht applaus voor het werk van Buurt in Uitvoering, dat bij nog te weinig mensen bekend is! Voor meer informatie over het participatietraject kunt u surfen naar: www.buurtinuitvoering.nl. Op facebook zijn de projecten te bekijken: Wijkbeheer gemeente Westland.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

Clematis

Lezing over Clematis door de heer Wim Snoeijer op donderdag 8 oktober 2009 

Op donderdag 8 oktober jl. was de heer Wim Snoeijer te gast bij Groei & Bloei, afdeling Westland. Mocht ooit de titel Mr. Clematis worden toegekend dan is Wim Snoeijer toch wel de eerste gegadigde. Wim Snoeijer is al veertig jaar hobbymatig met Clematis bezig en startte daarmee op de kwekerij van F. Fopma B.V. in Boskoop. Toen Jan Fopma met pensioen kwam de kwekerij met bijbehorende collectie in de ‘groene’ handen van Jan van Zoest, waaronder ook de planten die door Wim waren opgekweekt. Inmiddels is Wim al weer sinds 2003 in vaste dienst is bij Van Zoest, nadat zijn baan bij de Universiteit van Leiden bij de afdeling Pharmacognosie op de tocht kwam te staan. Jan van Zoest is een zogenaamde sortimentskweker ( met kleine voorraad) en kweekt zowel groot- als kleinbloemige Clematis, met een totaal sortiment van meer dan 500 soorten en cultivars waarvan er voor de handel ongeveer 400 beschikbaar zijn.

Wetenswaardigheden over Clematis

Er valt over Clematis heel veel te vertellen. Over heel de wereld zijn er wel 5000 verschillende clematissen (cultivars en wilde soorten bij elkaar). Door hun vaak mooie pasteltinten passen zij uitstekend bij de overige beplanting in de tuin.

Clematis is van oorsprong een bosplant, dat verklaart ook dat de onderkant van de plant vaak kaal is. Door die achtergrond heeft Clematis behoefte aan een koele voet en voldoende vocht. Om Clematis goed te laten gedijen heeft hij dus voldoende water en voeding nodig. Staat een Clematis bij een muur of regenpijp dan zou je eigenlijk in de regenpijp wat gaatjes moeten prikken. Als een Clematis aan de bloei gaat is het verstandig om deze naast extra water ook wat extra mest te geven. Verder is een dakpan bij de voet niet echt nodig. Ergens tussen planten gaat ook uitstekend. Op het bedrijf gebruikt Wim Snoeijer oscomotekorrels die langdurig voedingsstoffen afgeven.

Om de basis van de plant te vergroten is het verstandig om bij het planten de Clematis wat dieper te zetten dan normaal (afhankelijk van de cultivar groep kan dit variëren van 0 – 15 centimeter dieper dan de potrand). Vooral bij Clematis met vlezige wortels verdient het aanbeveling ze dieper te planten. Deze Clematis, meestal grootbloemig, zijn vaak gevoeliger voor ziektes zoals de verwelkingsziekte en meeldauw. Door dieper te planten blijven er altijd ondergrondse knoppen over om weer uit te lopen.

In tegenstelling van wat vaak wordt gedacht is Clematis namelijk een vaste plant. Dit heeft zo zijn voordelen. Is de plant namelijk door een ziekte (verwelkingsziekte of meeldauw) aangetast en zijn de aangetaste delen afgeknipt, dan loopt hij in de meeste gevallen gewoon weer opnieuw uit. Deze Clematis heeft ook vaak meer vocht nodig dan andere vaak kleinbloemigen.

Omdat Clematis oppervlakkig wortelt, is het verder verstandig om bij het planten afstand te bewaren tot planten die ook een oppervlakkige beworteling hebben. Wilt u bijvoorbeeld Hedera (klimop) aan een muur of schutting met Clematis combineren dan verdient het aanbeveling om een afstand van zeker 50 cm in acht te nemen (klimop tegen de muur en Clematis wat meer naar voren).

In alle gevallen geldt echter dat de planten goed vast moeten staan. Zogenaamde waggelplanten krijgen slijtplekken in de stengels, waardoor schimmels eenvoudig toegang krijgen. Clematis houdt er verder van om een beetje omhoog geholpen te worden. Wilt u Clematis langs een paal planten dan is het wel handig om er een stuk gaas omheen te zetten. Clematis met vlezige wortels zijn goed te vermeerderen door de wortels te scheuren c.q. de wortels in stukken te knippen (voorjaar).

Veredeling

Op het bedrijf van Jan van Zoest is veredeling aan de orde van de dag. Wim Snoeijer heeft zelf ook een aantal Clematis cultivars op zijn naam staan. Cultivar is niet hetzelfde als soort. Kleine uitleg:

Clematis is de geslachtsnaam van een groep die bestaat overwegend uit klimplanten die lid is van de Ranunculaceae (ranonkelfamilie). Een clematissoort is bijvoorbeeld Clematis vitalba. Het begrip cultivar is een samentrekking van cultivated (geteeld) variety. Een cultivar bestaat uit een plant of groep van planten die op grond van een bepaalde eigenschap of eigenschappen geselecteerd is (van oorsprong een kweekproduct of uit het wild verzameld) en die betrouwbaar vermeerderd kan worden. De naam die een nieuwe cultivar krijgt is internationaal erkend en staat tussen enkelvoudige leestekens: bijvoorbeeld Clematis Blue Pirouette ‘Zobluepi’ (= afkorting van: Zoest – Blue – Pirouette).

Staat er op het etiket ook nog een r in een kleine cirkel bij, dan betekent dit dat hier sprake van een merknaam is. Terwijl er veel cultivars in blauwachtige tinten zijn, veredelt Wim zelf meestal in roze en wit en het liefst in de Clematis Diversifolia Groep. Dit is een zeer rijkbloeiende groep. Hij heeft hier zelfs privé een boek over geschreven. Het veredelen is een langdurig proces, dat meestal tussen de 8 en 10 jaar duurt.

Omdat de handel graag Clematis met grote bloemen wil wordt er veelal veredeld op grotere bloemen, maar ook op zelfruiend. Ook sommige landen hebben zo hun voorkeur. In Japan en Rusland zijn de mensen bijvoorbeeld dol op gevuldbloemige Clematis. Zelf heeft Wim in het kader van Clematis een reis naar Japan gemaakt en daar onder andere de Hayakawa kwekerij bezocht. Het bezoeken van een kwekerij is in Japan niet eenvoudig. Je kunt er slecht op uitnodiging binnenkomen en bent dus afhankelijk van Japanse relaties. Omdat Clematis in Japan een heel populaire plant is, zijn er overal gebruiksvoorwerpen met clematisafbeeldingen te koop (postzegels, telefoonkaarten e.d.). Een aantal voorwerpen had Wim van Zoest voor de gelegenheid meegebracht.

PowerPointpresentatie

Aan de hand van een PowerPoint presentatie passeerden op deze avond een groot aantal Clematis cultivars de revue die door zowel Wim Snoeijer zelf als door F. Fopma B.V. en J. van Zoest B.V. zijn ontwikkeld.

Enkele opvallende namen zijn Clematis ‘Jan Fopma’ genoemd naar de grondlegger van het bedrijf, toen hij zijn 75ste verjaardag vierde. Dit is een zeer rijkbloeiende Clematis die naar chocolade ruikt. Clematis ‘Hendryetta’ is, volgens Wim, een van de beste Clematis met een klokjesachtige roze bloem die goed winterhard is, tot 1,50 m hoog en bloeit tussen juni – augustus. Mooi te combineren met hortensia’s en rozen.

Door bij zomerbloeiende Clematis in april het aantal stengels voor de helft te toppen is het mogelijk om de bloei tot ver in september te verlengen.

Een Clematis die erg leuk combineert met struikrozen en een vaste plant zoals Echinacea ‘Art’s Pride’ is Clematis ‘Pretty in Blue’. Deze Clematis wordt niet hoger dan 1 tot 1,50 meter, is blauwpaars van kleur en bloeit tussen mei en september met piepkleine bloemen (3 – 5 cm).

Er zijn ook Clematis die heerlijk ruiken zoals de ruimte vragende Clematis Terniflora (september tot half oktober) en Clematis ’ Wyevale’ die ook vlinders aantrekt en struikachtig is. Een andere leuke struikclematis is Clematis ‘Pink Dwarf’.

Zeer rijkbloeiend is Clematis JACKMANII PURPUREA die tot twee meter hoog groeit en Clematis ‘Victoria’ die hij zelf een van de beste keuzes vindt (paars en tot 2 meter). Deze gezonde Clematis is rijkbloeiend en bloeit van juli – september. 

Een groep die uitstekend te combineren is met rozen is de Viticella groep. Dit jaar heeft Clematis ‘Sunny Sky’ de gouden medaille toegekend gekregen tijdens de internationale vakbeurs voor boomkwekerijproducten Plantarium 2009. Andere Viticella cultivars zijn: Clematis I AM LADY Q, Clematis ‘Maria Cornelia’, Clematis JOHN HOWELLS.

De planten die door Wim Snoeijer tijdens de lezing zijn behandeld zijn voor particulieren o.a. te koop bij Esveld in Boskoop (www.esveld.nl).

Alle aanwezigen kregen tijdens de pauze door Wim Snoeijer een mooie etikettencatalogus uitgereikt met als titel WWW.CLEMATISINFO.NL. In dit boekwerk zijn een enorme hoeveelheid etiketten opgenomen van Clematis die door fa J. van Zoest gekweekt en verkocht worden. Ook zijn hierin de diverse cultivar groepen beschreven.

Voor geïnteresseerden hieronder per groep iets over snoeitijd en plantdiepte:

Clematis Armandii groep: planten net zo diep als potrand, snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Atragene groep: planten net zo diep als de potrand, snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Campanella groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien van bladverliezende planten: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari, de bladhoudende alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Cirrhosa groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Diversifolia groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Flammula groep: planten ongeveer 2,5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Florida groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Forsteri groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en na de bloei.

Clematis Heracleifolia groep: planten net zo diep als potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Integrifolia groep: planten ongeveer 2,5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 10 cm boven de grond in februari.

Clematis Jackmanii groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari. De cultivars die op het oude hout in het voorjaar bloeien kunnen na deze bloei worden gesnoeid.

Clematis Montana groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien alleen indien nodig en dan na de bloei maar beter in maart.

Clematis Patens groep: planten ongeveer 6 – 10 cm dieper dan de potrand. Snoeien: cultivars die bloeien op het oude hout alleen snoeien indien nodig; de cultivars die bloeien op jonge scheuten sterk terugsnoeien in februari tot 20 cm.

Clematis Tangutica groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Texensis groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Viorna groep: planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Vitalba groep: planten net zo diep als de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Clematis Viticella groep:  planten ongeveer 5 cm dieper dan de potrand. Snoeien: sterk terugsnoeien tot 20 cm boven de grond in februari.

Tip:

Gaat u Clematis aankopen leest u dan vooral goed het etiket. Hierop staan een aantal belangrijke zaken op aangegeven.

 Anneke Duyvesteijn 

 

 

Combineren van tuinplanten

Verslag van de lezing van Florentine van Eeghen over: ‘De Kunst van het combineren’.

Voor veel mensen is het al niet eenvoudig om de juiste plant op de juiste plaats te zetten, maar nog lastiger is het om in de border meerdere planten bij elkaar te kiezen en wel zodanig dat er sprake is van een geslaagde combinatie. Het combineren van planten met contrasterende vorm en bladtextuur bouwt spanning op en geeft dynamiek aan de border

Om een tipje van de sluier over dit onderwerp op te lichten was daarom op donderdag 8 april Florentine van Eeghen uitgenodigd. Florentine van Eeghen is auteur van tuinboeken en schrijft daarnaast regelmatig voor tijdschriften. Haar nieuwste boek is: ‘Tuinplanten combineren’ dat zij samen met Cora Koning heeft samengesteld. Dit boek dat vol staat met praktische adviezen en is een uitstekend hulpmiddel bij het maken van een border met mooie combinaties. Dit boek was ook het uitgangspunt van de lezing.

Combineren kun je leren!

De schone kunst van het combineren lijkt wellicht iets waar alleen de ware tuinfanaat patent op heeft. Toch is het combineren van tuinplanten te leren en kunt ook u van het combineren van planten uw liefhebberij maken. Aan de hand van een prachtige diapresentatie met daarin vele beelden van tuinfotografe van het eerste uur, Marijke Heuff, liet Florentine van Eeghen zien aan welke elementen een geslaagde combinatie zou moeten voldoen.

Samen sterk

Bij het combineren van planten staat niet de individuele plant centraal, maar een aantal planten, dat op een of andere manier een onderlinge samenhang heeft. Deze planten voldoen vaak aan dezelfde bodemeisen of een plaatsje al dan niet in de zon. Omdat een mooie plant een gezonde plant is, is het dus verstandig om allereerst te zorgen voor de juiste planten op de juiste plaats. Belangrijk is ook de beschikbare ruimte voor de gekozen planten, zodat ze gezamenlijk tot volle wasdom kunnen komen.

Planten die een mooie combinatie vormen en dezelfde bodemeisen (kalkrijk) verlangen zijn bijvoorbeeld Helleborus argutifolius (Corsicaanse kerstroos) met Cyclamen coum. Gunnera, Dalmera peltata en varens staan echter liever op een vochtige locatie. Planten die veel vocht verdampen en vaak grote bladeren hebben staan graag op een schaduwrijke plaats. Hoe vochtiger de grond echter is, hoe meer een dergelijke plant in de zon kan staan.

Het combineren van planten beperkt zich natuurlijk niet alleen tot de groep vaste planten. Er zijn ook prachtige combinaties te maken tussen vaste planten en houtige gewassen, die zorgen voor de structuur van de tuin, zoals heesters, bomen, maar ook klimplanten. Ook houtige gewassen kunnen onderling voor verrassende plaatjes zorgen zoals de donkere pruikenboom (Cotinus) met de klimmer: Clematis ‘Etoile Violette’.

Combinaties door kleur

Bij het kiezen van plantencombinaties zijn verschillende uitgangspunten mogelijk. Zo zou u kunnen kiezen voor een contrastrijke combinatie die ontstaat door het gebruik van zogenaamde complementaire kleuren, zoals rood en groen, geel en paars, blauw en oranje. Deze kleuren zijn elkaars tegenpolen en laten, volgens Florentine, elkaar knallen. Een goed voorbeeld is blauwe Delphinium met de oranje roos ‘Westerland’.

Omdat we er naar streven dat het beeld niet al te onrustig wordt is het verstandig om niet teveel van deze kleuren te gebruiken en deze op een of andere manier af te zwakken met bijvoorbeeld afgezwakte tinten van de gebruikte planten.

Naast een contrastrijke combinatie zou u ook kunnen kiezen voor combinaties waarbij harmonie de hoofdrol speelt. Denkt u hierbij aan het gebruik van aangrenzende tinten zoals in de combinatie van Iris foetidissima met Digitalis purpurea ‘Apricot’.

Combineren met bloemvormen

Bij het combineren al dan niet op kleur is, aldus Florentine, de variatie in bloemvorm belangrijk. Een mooie combinatie is Lavatera Cashmiriana met Angelica gigas en Sanguisorba tenuifolia. Interessant is het om te weten dat vlakke bloemvormen zoals bij Viburnum plicatum ‘Mariesii’ rustpunten zijn en dat opgaande lijnen zoals bij aarvormige bloemen, zoals Veronicastrum en toortsen (Verbascum en Digitalis) aanleiding geven tot verder kijken. Naast mooie kleurencombinaties zijn natuurlijk ook geurcombinaties mogelijk.

Waarde van blad

Ook het belang van blad moet niet worden onderschat. Bladeren bepalen het hele jaar door de sfeer van de tuin. Of het nu grijs, geel, groen of rood blad is, in de juiste combinatie met andere planten hebben bladeren een grote waarde. Mooi is bijvoorbeeld het roodbruinige blad van Prunus cistena, dat mooi combineert met de roze voorjaarslathyrus (Lathyrus vernus). Aralia elata ‘Variegata’, de duivelswandelstok met witbont blad, is uitstekend te combineren met Yucca en het blad van de geelbonte hulst met de gele bloemen van Verbascum. Prachtig is ook het witbonte blad van Cornus alba ‘Elegantissima’, die volgens Florentine in geen enkele tuin zou mogen ontbreken.

Combinaties te over

Tussen houtige gewassen en bollen zijn ook mooie combinaties te maken, terwijl strategisch geplaatste bollen in het voorjaar kortgeknipte grassen kunnen camoufleren. Grassen op hun beurt kunnen vaste planten versterken, zoals het rode Japanse bloedgras (Imperata cylindrica ‘Red Baron’) dat een mooi plaatje vormt met Salvia officinalis ‘Berggarten’.  

Tot slot

Eigenlijk is het combineren van planten in de tuin niets meer dan het schikken van bloemen en blad in een vaas. Wie nog meer wil weten over dit onderwerp doet er goed aan het boek ‘Tuinplanten combineren’ aan te schaffen of te lezen. In dit nieuwste boek van Florentine van Eeghen staan nog veel meer tips en suggesties. Net als in haar succesvolle boek ‘Tuinplanten kiezen’, zijn de planten ingedeeld in zeven tuinseizoenen waardoor de bloeitijden beter op elkaar aansluiten. Verder laten mooie plaatjes zien welke bijzondere resultaten er te behalen zijn en wordt het verlangen naar een mooi en lang tuinseizoen alleen maar vergroot!

Anneke Duyvesteijn

Composteren en bodemverzorging

De zaak van de grond is de grond van de zaak.

Op donderdag 10 februari 2011 was Marie-José Meertens uit Boxtel aanwezig om te praten over tips en trucs voor het maken van compost en het belang van compost voor de verzorging van de bodem.  Tot voor kort was zij tuinvoorlichter van ‘De Kleine Aarde’, Centrum voor Duurzaam Leven, dat helaas door geldgebrek ter ziele is gegaan. Naast het feit dat ze zich ook inzet voor de plaatselijke Groei & Bloei afdeling van Boxtel, werkt ze ook voor de AVVN, de Algemene Vereniging van volkstuinen in Nederland. Als milieukundige weet Marie-José heel veel van ecologie en de bodem en die kennis wilde ze graag met de bezoekers delen.

De basis van tuinieren is bodemverzorging

Omdat tuinieren niets anders is dan het op kunstmatige wijze beheren van de natuur, is het handig om je te laten leiden door de natuur, maar ook met de natuur mee te werken. Deze samenwerking heet ‘natuurlijk tuinieren’ en stimuleert het gegeven dat planten in de tuin hun voeding via de bodem krijgen. De bodem is als de maag van de plant. Hoe beter de structuur van de grond is hoe beter de plant voedingsstoffen kan opnemen uit de bodem. Ook een goed bodemleven is van belang. In en onder de grond doen talloze organismen, mits ze van ons die kans krijgen, hun nuttige werk.

Het verzorgen van de bodem kan door het toedienen van kunstmest. Kunstmest, dat mineraal van oorsprong is voedt de plant weliswaar rechtstreeks en snel, maar spoelt ook weer snel uit. Organische bemesting voedt de plant via de bodem, bouwt humus op, maar voedt en verzorgt ook het bodemleven.

Natuurlijke kringloop

Dit bodemleven heeft een belangrijke rol in de natuurlijke kringloop, zoals we die ook in een bos aantreffen. Bladeren, bijvoorbeeld, verteren door organismen, insecten en regenwormen en het verteerde materiaal zorgt ervoor dat het bos zonder bemesting door blijft groeien. Het is een kwestie van eten of gegeten worden. Dit proces kunt u ook in eigen tuin creëren door organisch materiaal te composteren.

Composteren is een van de hulpmiddelen van de natuur, waarmee een tuinier de planten in de tuin een grote dienst kan bewijzen, maar ook een evenwicht kan creëren tussen plant, dier en mens. De biodiversiteit in uw tuin zal er zeker door toenemen. Om te kunnen composteren zult u wel een aantal randvoorwaarden moeten scheppen.

Medewerkers gevraagd

Bij het composteren hebt u als tuinier de hulp van ‘medewerkers’ uit de natuur nodig. Bij het omzetten van organisch materiaal zijn vooral straalschimmels belangrijk, maar ook aaltjes, springstaarten, pissebedden, kreeftachtige organismen en mijten. In een goede composthoop bivakkeren ook rode wormen, Eisenia fetida. Deze mestworm is 6 tot 13 cm lang wordt en heeft een belangrijke taak bij het composteringsproces. Bij het starten van een composthoop is het handig om wat van deze wormen bij een bevriende tuinier uit een composthoop te halen en hiermee de eigen hoop te enten. Vult u vat of bak met ongeveer gelijke delen, dus zowel nat als droog materiaal ofwel groen of bruin materiaal.

Keuze compostsysteem

Het is belangrijk om een compostsysteem te kiezen dat bij de grootte van de tuin past. Voor kleinere tuinen is een vat ideaal. Deze zijn in diverse maten verkrijgbaar. Kies het liefst voor een dubbelwandig exemplaar, waar lucht voor een betere temperatuurregeling zorgt. Bij het gebruik van een vat kunt u door blijven composteren. Als de massa zakt is het afbraakproces aan de gang.

Voor een grotere tuin kunt u bakken maken van ongeveer 1m³. U kunt ze maken van planken, pallets of met gaas of betonijzer. Het is wel handig om te zorgen, dat de voorkant verwijderbaar is. Ook is het gebruik van een deksel aan te bevelen, zeker bij nat weer of bij het afrijpen van compost. U kunt ook een mat of een zeil gebruiken.

De beste plaats voor een composthoop of bak is een plaatsje in de zon of halfschaduw. Zorgt u er wel voor dat er voldoende ruimte is om te werken. Een hoop bouwt u direct op de grond, terwijl u een vat op een vlakke ondergrond zet die goed doorlatend is. Deze vlakke ondergrond kan bestaan uit enkele tegels die 5 cm uit elkaar liggen.

In een plastic zak met gaten kunt u trouwens heel goed blad composteren. Na een jaar hebt u half verteerde compost en na twee jaar prachtige bladaarde.

Methodes om te composteren

Er zijn diverse manieren om te composteren. De methodes die Marie-José Meertens de revue deed passeren, waren de hete of wel rode methode, de koude of wel blauwe en de paarse methode.

De rode methode houdt in dat de hoop heet moet worden. In een dergelijke composthoop kan de temperatuur in het meest gunstige geval al in drie tot vier dagen tot wel 70°C oplopen. Het hele broeiproces duurt ongeveer 20 dagen. Om de temperatuur op peil te houden is het belangrijk om de hoop geregeld om te zetten zodat de temperatuur gehandhaafd blijft en het omzetten (afbraak van het materiaal) doorgaat. Na de afbraakfase vindt het rijpen van compost plaats en u kunt het na een tweetal maanden oogsten.

Bij de blauwe methode vult u het organische materiaal steeds aan. De bak moet minimaal met 30 cm materiaal gevuld zijn. Werkt u de massa elke week met een stok of riek door en na een maand of drie zult u onderin de bak mooie compost kunnen oogsten.

Bij de paarse methode vult u de bak helemaal en u zet de inhoud om wanneer er tijd of gelegenheid is. Het proces zal dan wel langer duren, maar het feit dat u compost maakt is al positief. Probeer in ieder geval de hoop minstens elke drie maanden om te zetten en zorg er voor dat het materiaal voldoende vochtig blijft.

Naast het boven de grond composteren kunt u ook onder de grond composteren. Dit heet met een Engels woord: ‘Trench composting’. In een geul van 30 cm diep en breed wordt organisch materiaal gestort en afgedekt. Hierop kunt u in het voorjaar dan bonen of komkommers planten. Aangevuld met paardenmest is dit een goede bodem voor meloenen. Er zijn ook speciale wormencompostbakken, die ideaal zijn voor op het balkon. Hierin kunt u keukenafval composteren.

Succesvol composteren

Om succesvol te composteren hebt u afval van verschillend materiaal nodig. Dat is ten eerste koolstofhoudend (droog) materiaal, zoals versnipperd snoeihout, stro en ook wel hooi. Op de tweede plaats is het stikstofrijk materiaal, zoals gras en vers tuinafval. Een goede variatie van die twee stoffen bevordert de broeiwerking en zorgt voor de juiste verhouding van zuurstof en vocht in het compost. Hoe kleiner het aangevoerde materiaal is hoe fijner het werkt. Als er weinig activiteit in de hoop is, kan het zijn dat er te weinig groen materiaal aanwezig is. Houdt u er ook rekening mee, dat een composthoop vegetariër is. Verder is het verstandig om zieke plantenresten, onkruid met zaad, wortels van wortelonkruiden, gekookte keukenafval, ontlasting van katten en honden en aarde en zand ver van de composthoop te houden.

Als u rijke compost wilt dan is het verstandig om wat stalmest of paardenmest aan de hoop toe te voegen. Zorgt u echter altijd voor voldoende evenwicht. Vooral voor de moestuin werkt dit uitstekend. Gewone compost is prima voor de siertuin. Wilt u kalirijke compost dan is het handig om stukjes smeerwortel aan de hoop toe te voegen. Het planten van Symphytum grandiflorum in de border is trouwens ook een uitstekende manier om zevenblad te lijf te gaan.

De toepassing van compost

Siertuin compost kunt u in het voorjaar aanbrengen als de bodem nog vochtig is en al is opgewarmd. Brengt u een laag van ongeveer 5 cm aan tussen de planten om te voeden en vocht vast te houden. Het bodemleven zorgt ervoor dat compost wordt verwerkt. In het najaar kunt u opnieuw een laag aanbrengen om de planten tegen de weersinvloeden te beschermen.

Vooral bosplanten zullen het waarderen. Omdat compost bij regelmatig gebruik zuurbindend is, kunt u bij zuurminnende planten beter geen compost gebruiken. Over het gazon kunt u fijn gezeefde compost strooien (2 kg per vierkante meter). Goed gerijpte compost is steriel en bevat geen onkruidzaden. Bij de aanleg van een siertuin kunt u om de bodem te verbeteren 12 – 20 kg compost per vierkante meter verwerken.

Moestuin

In de moestuin is compost te gebruiken als basisbemesting, 6 tot 10 kruiwagens per 100m². Toedienen gebeurt in het najaar wanneer u de grond niet spit in het voorjaar, anders kunt u het in het voorjaar inwerken. Bij gewassen die veel voeding vragen, zoals kook, kunt u bij mesten met organische meststoffen.

Anneke Duyvesteijn

Dahlia

Verslag van de lezing over Dahlia door leden van de Dahlia Vereniging Utrecht op donderdag 10 april 2008

 

Passie voor Dahlia

 

Een passie voor Dahlia was de titel van de film die werd vertoond tijdens de lezing/workshop over Dahlia op donderdag 10 april. De avond werd verzorgd door 2 bestuursleden van de Dahlia Vereniging Utrecht, mevrouw Wil Dat en mevrouw Agnes Westerhof. Deze vereniging heeft zich tot doel gesteld om het kweken van Dahlia te stimuleren, maar ook het tentoonstellen daarvan. Om dit te bereiken geeft de vereniging kweekadviezen aan haar leden en organiseert zij jaarlijks een tentoonstelling. De vereniging heeft ongeveer 65 leden die ieder op hun eigen volkstuin of eigen stukje grond dahlia’s kweken.

 

De geschiedenis

 

De workshop begon met een presentatie van Agnes Westerhof die allereerst inging op een aantal feiten rond de komst van Dahlia in Europa. Van oorsprong komt Dahlia uit Mexico.  Door de komst van de Spanjaarden naar Mexico en de studie naar planten en dieren in dit veroverde gebied werd voor het eerst over Dahlia geschreven door de lijfarts van koning Philips II, Francisco Hernandez (eind 16de eeuw). Aan de hand van de beschrijvingen kan worden geconcludeerd dat het hier om gecultiveerde dahlia’s ging, die waarschijnlijk in de tuinen van de Azteken, een oud en hoog beschaafd Mexicaans volk voorkwamen. Pas aan het einde van de 18de eeuw werd de plant echter herontdekt en kwamen de eerste dahliazaden naar de Botanische Tuin van Madrid. Dahlia is genoemd naar de Zweedse botanicus Dahl, die een leerling was van de beroemde Carolus Linnaeus.

 

Indeling in groepen

 

Vanaf het begin van de 19de eeuw kwam het kweken van Dahlia in een stroomversnelling terecht en ontstonden er door kruisingen allerlei nieuwe vormen. In de loop van de geschiedenis zijn er tienduizenden dahlia’s gekweekt en van een naam voorzien. Om de toegankelijkheid voor de consument te vergroten wordt Dahlia tegenwoordig in groepen ingedeeld volgens de indeling van de Royal Horticultural Society uit Engeland. Deze groepen zijn: 1. de enkelbloemige groep; 2. de anemoonbloemige groep; 3. de halskraaggroep; 4. de waterleliegroep; 5. de decoratieve groep; 6. de balgroep; 7. de pompongroep; 8. de cactusgroep; 9. de semi-cactusgroep en 10 de groep overigen.

 

Veelzijdige sierplant

 

Dahlia is een veelzijdige plant, die qua populariteit momenteel weer in de lift zit. Dahlia is er in allerlei verschijningsvormen en kan qua hoogte variëren van ca. 20 cm tot bijna 2 meter hoog. Prachtig is bijvoorbeeld Dahlia 'Eveline', die niet alleen heel sterk, maar ook ontzettend wit van kleur is. Als Dahlia alleen herkenbaar aan het blad onderscheidt zich Dahlia Giraffe, die meer weg heeft van een Orchidee dan van een dahlia (type Orchidee). Eveneens afwijkend van vorm is Dahlia ‘Honka’ met een enkelbloemige stervormige bloem.

Een tijd lang hadden deze planten last van een wat oubollig imago, maar tegenwoordig is de vraag naar vooral de donkerbladige dahlia’s, zoals Dahlia ‘Bishop of Llandaff’ flink toegenomen. Dahlia is een knolgewas met holle, meestal onvertakte stengels en samengesteld blad. Dahlia’s hebben onder de grond wortelknollen waarin water en voedingstoffen worden opgeslagen. Dahlia’s bloeien vanaf de zomer tot aan de eerste nachtvorst en kunnen vanaf half mei buiten worden uitgeplant. De meeste dahlia’s hebben ondersteuning nodig omdat de bloemen soms topzwaar zijn en na een fikse regenbui niet op ‘eigen benen’ kunnen staan. In de border kan gewoon gebruik gemaakt worden van een reguliere steun. Maar op bedden kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van chrysantengaas.

 

De vermeerdering

 

Het vermeerderen van Dahlia vindt plaats door scheuren, stekken en zaaien. De meest gebruikte manier van vermeerderen is door stek. In het vroege voorjaar (maart) wordt er stek genomen van zogenaamde oplegknollen (speciaal geselecteerde knollen). De stek wordt van de knol gescheurd, waarbij een stukje van de knol wordt meegenomen (het hieltje).  De stekken wortelen hierdoor sneller. Deze stekken kunnen na te zijn geworteld ook half mei buiten worden geplant. Het delen of scheuren van knollen moet ook in het voorjaar gebeuren. Om een nieuwe plant te kunnen vormen moeten er aan de knol wel een of meer ogen zitten.

 

Overwinteren van de knol

 

Na de eerste nachtvorst (eind oktober, begin november) is het tijd om de knollen uit de grond te halen. De stengels zijn dan al afgeknipt. Na het drogen van de knollen worden ze op een vorstvrije plaats bewaard, verpakt in kranten, grof zaagsel, houtkrullen, stro of droge turfmolm. Dahlia’s in potten kunnen in de pot overwinteren. De grond in de potten mag uitdrogen. In het voorjaar is het verstandig de knollen uit de pot te halen, te delen en weer op te potten.

 

Grond voorbewerken

 

Voordat men in het voorjaar dahlia’s plant kan men in de winter de grond alvast doorwerken met compost, bladaarde of oude stalmest. Ook kan er in diezelfde periode kalk door de grond worden gewerkt. Ongeveer 3 dagen voor het planten van de knollen wordt een bevoorradingsmest aangebracht, waardoor er voor de groeiperiode voldoende voedsel voor de plant aanwezig is. Dahlia heeft tijdens het groei- en bloeiseizoen altijd voldoende water nodig. Door het vele blad verdampt de plant veel water en als de watervoorraad niet tijdig wordt aangevuld vergeelt het blad en bloeien ze niet goed. Het water geven dient op de grond te gebeuren om schimmels tegen te gaan.

 

Tentoonstellingen

 

Inzendingen van Dahlia voor tentoonstellingen vragen heel veel inspanning, omdat ze als levend product op het juiste moment moeten pieken. Het kweken van deze bloemen voor tentoonstellingen is dan ook een hele kunst. Om mooie bloemen op de plant te realiseren worden de planten half juni getopt (als ze minimaal 6 zijbladeren hebben). Uit de oksels van de zijbladeren komen later de bloemtakken. Een aantal weken later zal er moeten worden gediefd, omdat er dan in de bladoksels van de bloemtakken jonge okselknoppen verschijnen (dieven tot en met het vierde bladpaar vanaf de hoofdknop.

 

Vaasleven

 

Dahlia’s voor eigen gebruik snijdt men vroeg in de morgen of aan het einde van de dag. Dahlia moet rijp worden gesneden, wat de bloem bloeit niet door op de vaas. Het is verstandig om schone vazen te gebruiken en aan het water een druppeltje chloor toe te voegen. Ook kan er Chrysal worden gebruikt. Bij pompon- en baldahlia’s wordt het gebruik van Chrysal afgeraden.

 

Zelf stekken

 

Na de presentatie en pauze konden de aanwezigen o.l.v. het team van de Dahliavereniging zelf aan het werk en kon er zelf gestekt worden. Ook konden alle brandende vragen die er over het kweken van Dahlia bestonden aan hen worden gesteld.

Tevreden ging een ieder, al dan niet met een aangeschafte dahliaknol, aan het einde van de bijeenkomst naar huis.

Anneke Duyvesteijn

 

Druiven

Lezing over druiven door Wim van Dijk op donderdag 9 oktober 2008

 

Op donderdagavond 9 oktober was Wim van Dijk uitgenodigd om iets te komen vertellen over druiven.

Wim, die zegt onder de druiven geboren te zijn, weet als zoon van een druiventeler als geen ander hoe men een kwalitatief goede druif kan telen. Nadat de vader van Wim in 1962 druivenkwekerij van Paassen aan de Zwarte Dijk in Monster had overgenomen, heeft Wim in 1975 het bedrijf van zijn vader overgenomen.

Toen hij in 1999 genoodzaakt was met de teelt van druiven te stoppen was dit het moment voor de Stichting ‘De Westlandse Druif’ om hier op in te springen. Deze unieke teelt, de bakermat van de wereldtuinbouw onder glas, mocht niet helemaal verdwijnen. Het resultaat van de inspanningen van de stichting is Themapark ‘De Westlandse Druif’, dat in juni 2007 is geopend. Wim is momenteel bedrijfsleider van de druiventuin, een onderdeel van het park, dat in maart 2003 is gestart.

 

Een stukje geschiedenis

Allereerst werd door Wim ingegaan op het belang van de druiventeelt voor het Westland. In de 17e eeuw is men in het Westland met het telen van druiven begonnen. Volgens overlevering zou Pastoor Franciscus Verburch, die in 1647 werd aangesteld als eerste pastoor van het Westland na de Reformatie, de druiventeelt in het Westland hebben ingevoerd. Hierbij kan men vragen stellen. Zeker heeft, dat hij zich heeft ingezet om vooral de druiventeelt op een hoger niveau te brengen. Tot ca. 1880 werden zogenaamde druivenmuren gebouwd om het gewas tegen gure winden te beschermen; later opgevolgd door de Lessenaars; halve kassen tegen druivenmuren. Hieruit ontwikkelde zich kopkassen, de serre – de verwarmde kas en het warenhuis.

In de eerste helft van de 20e eeuw was de teelt van grote betekenis in deze streek. Vanaf de jaren vijftig ging het echter bergafwaarts en verloor de druiventeelt zijn betekenis. Concurrentie van druiven uit het gebied langs de Middellandse zee was hier debet aan. Hoewel de kwaliteit van de Westlandse druif hoog was, was ook de prijs hoog en werd men door de import van buitenlandse tafeldruiven gedwongen naar andere teelten te gaan zoeken.

 

Druivensoorten en –rassen

In totaal zijn er ca. 8.000 geregistreerde druivensoorten en rassen, waarvan de meeste wijndruiven. Wijndruiven hoeven in tegenstelling tot tafeldruiven niet mooi te ogen. Tafeldruiven moeten echter en qua smaak en qua uiterlijk van excellente kwaliteit zijn. Druivenbomen kunnen verder heel oud worden. Een van de oudste druiven is te vinden in Hampton Court in Engeland. Deze druif is er rond 1768 geplant. Van oudsher werden in het Westland vier populaire rassen gekweekt namelijk de Frankenthaler, de Black Alicante, Muscaat van Alexandrië en de Golden Champion. In de assortimentskas in het Themapark staan 45 rassen tafel- en wijndruiven uit de hele wereld. Hieronder bevinden zich ook pitloze druiven zoals Ruby seedless. Wie geïnteresseerd is in een vroege druif kan kiezen voor het ras ‘Sieger’. In de druiventuin worden in maart worden de eerste (stook)druiven gekrent, deze worden in juni geoogst. Er zijn in het warenhuis in de zomer druiven in vijf stadia te vinden.

 

Tips over druiven:

Door zijn jarenlange ervaring weet Wim precies wat druiven nodig hebben en kon hij het aanwezige publiek na zijn inleiding van de nodige tips voorzien, waarvan hieronder een kleine bloemlezing:

 

  1. Nieuwe druif:

Als men een druif heeft geplant, moet men de plant rustig en geleidelijk ‘opbouwen’, zodat er een goed wortelgestel kan worden ontwikkeld. Na het planten kan men de druivenstok daarom het beste tot 2 ogen terugzetten. Er zijn verschillende soorten plantsystemen, zoals horizontale leggers en rechtopstaande snoeren.

 

  1. Snoeien:

Snoeien van druiven is heel belangrijk, omdat men door de snoei de productie van het volgende seizoen bepaalt. Als een druif zwak in zijn groei is kan men deze het beste terugsnoeien: snoeien doet namelijk groeien. In het voorjaar gaat de druif werken op de snoeiplek. Buitendruiven kan men beter niet te kort snoeien. Het beste is om wat hout boven het oog te laten zitten (van het oog af snoeien). Het snoeien is verder afhankelijk van het ras (Frankenthaler bijvoorbeeld op 2 ogen terugsnoeien). Voor wie moeite met snoeien heeft geeft de druiventuin geeft in het najaar snoeicursussen. (www.westlandsedruif.nl).

 

  1. Gewasbehandeling

 Het eerste symptoom, dat de sapstroom weer op gang is, is het zogenaamde ‘lekken van de druif’ (druppeltjes). Als het gewas voldoende is gegroeid gaat men het binden, waarbij men er voor zorgt dat de bos voor de draad komt (1e binding). Bij de tweede binding worden de uitlopers verder geleid.

 

Druiven moeten ook op maat worden gezet d.w.z. dat het teveel aan vruchttrosjes moet worden weggebroken. Teveel trossen is nadelig voor de kleuring in het najaar en voor de productie van het volgende jaar.

 

Voor de zetting van de druif is het belangrijk dat de druif gezond is. Luchtvochtigheid en temperatuur spelen hierbij een grote rol. Als het in de periode van de zetting te droog is dan moet men de grond onder de druiven natmaken. Luchtvochtigheid is erg belangrijk zowel in de bloei als voor de bloei. Het is verstandig om ’s nachts het lucht te laten zakken en als het te koud is kan men zo nodig licht bij verwarmen.

Ook beluchten is belangrijk. Het is zelfs mogelijk door een bepaalde beluchting in het voorjaar de periode van oogsten te bepalen.


Is er gekrent dan kan er, volgens Wim, lucht in de tent. Na het krenten kan de luchtvochtigheid namelijk weer naar beneden. Verstandig is het verder om er voor te zorgen dat het nooit tocht. Druiven worden gekrent om ruimte te geven aan de vruchten die aan de bos blijven en om een mooie vorm van de bossen te bewerkstelligen.

 

Lamsteligheid

Bij lamsteligheid wordt het steeltje van de druif bruin. Oorzaak: alles waar TE voor staat. Het kan te droog, te nat, te heet, te koud zijn geweest. Het is daarom raadzaam om te zorgen voor zo min mogelijk grote temperatuurschommelingen. Dit betekent krijten als het te warm wordt of op een andere manier afschermen. Het is ook belangrijk om genoeg water te geven als het warm is.

Verder is het van belang om op tijd te dieven. Is dit door vakantie bijvoorbeeld niet mogelijk en zijn er veel dieven dan is het zaak om het dieven over een paar keer te verspreiden. Te veel dieven in één keer kan ook lamsteligheid veroorzaken.

 

Bemesting

Bij druiven kan men organische meststoffen toepassen, maar ook een gift van 12-10-18 is prima. Tegen de tijd dat de druiven gaan kleuren kan men kalisalpeter strooien. Ook bitterzout is belangrijk voor de druif.

 

Zijn ze rijp?

Om te weten of druiven rijp is, kan men het beste een van de onderste druiven proberen. Als die goed smaakt dan is de rest ook goed.

 

  1. Ziekten en plagen:

Ook druiven kunnen last hebben van ziekten en plagen. Een van de meest gevreesde kwalen is het z.g. ‘kwaad’ Er is dan sprake van een aantasting met meeldauw. Meeldauw is een veelvuldig voorkomende plantenziekte. Er is verschil tussen valse meeldauw en echte meeldauw. Valse meeldauw komt voornamelijk voor op de onderkant van het blad en echte meeldauw voornamelijk aan de bovenkant. Bij druiven is er meestal sprake van valse meeldauw. Deze aantasting is te herkennen aan bobbeltjes op het blad en grijs pluis aan de onderkant van het blad. Valse Meeldauw is dol op vochtige periodes en slaat dus vooral toe als de omstandigheden vochtig zijn.

 

Zwavelpapje

In de druiventuin wordt biologisch geteeld en ter voorkoming worden de druivenstokken in januari/februari ingesmeerd met een zwavelpapje. Om makkelijker te smeren wordt de zwavel aangemaakt met wat behangplak (kan ook yoghurt o.i.d. zijn). Bij oude bomen kan men volstaan met het aansmeren van de knoppen. Ook kunnen er schoteltjes met zwavel in de kas worden gezet. Door verdamping van de zwavel (door de zon) wordt een eventuele aantasting de kop ingedrukt. Bij slecht weer of een slechte zomer is een zwavelverdamper een alternatief: door een verwarmingselement wordt de zwavel opgewarmd. De zwavelverdamper gaat elke nacht een paar uur aan. Als de druiven beginnen uit te lopen kan men met het gebruik hiervan beginnen. Het is ook verstandig om het lucht laag te houden. In het begin zet men de verdamper 1 uur per nacht aan (uitgangspunt per 100 m2) met een uitloop in de zomer tot ongeveer 2 uur. Voor de verdamper wordt granulaat of pijpzwavel gebruikt. De zwavel moet wel regelmatig worden ververst en men gebruikt de verdamper tot aan de oogst toe. De verdamper moet zo laag mogelijk hangen.

Buiten kan men beter spuiten, want dan spoelt het zwavelpapje er snel af. Hiervoor kan men het middel Exact gebruiken. Dit doet men voordat de druif in het voorjaar uitloopt. Exact vloeibaar is genezend, maar werkt ook preventief.

Over het algemeen kan men beter na de bloei niet meer spuiten, want er blijft altijd residu achter.

 

Een ander probleem bij druiven kan het druivenhaantje zijn (taxuskever). De witte pootloze larve vreet aan de wortels.  De zwarte of bruin-zwarte kever van ca. 10 mm lengte, vreet aan blad en scheut. In de druiventuin wordt er onder de druiven houtwol aangebracht, waar de kevers ’s nachts (na het aanvreten van het blad) in wegkruipen (i.p.v. in de grond). De kevers worden dan overdag met de hand gevangen.

 

Druiven kunnen ook last hebben van thrips. Deze kunnen bij het uitlopen van de knoppen verschijnen (bruine tot zwarte langgerekte diertjes). Op blad, vruchtsteel en bes veroorzaken ze verkurkte vlekjes. Aan de bladuiteinden komen de eerste aantastingen. Omdat thrips van stuifmeel houden is het belangrijk om preventief, dus voor de bloei hun natuurlijke belagers uit te zetten. (Biobest)

 

Ook motten zijn belagers van de druif. Ter bestrijding van deze vruchtmot kan men mottenvallen plaatsen die lokstof (feromoon) bevatten (Maasmond/Sosef).

Tegen spint worden roofmijten uitgezet. Er is ook een cursus biologische gewasbescherming te volgen bij de druiventuin.

 

  1. Het verplaatsen van een wat oudere druif

Een oudere druif kan met wat inspanning en geduld worden verplaatst. Dit kan het beste in de wintermaanden gebeuren (voorkeur november) Steek de druif uit en probeer zoveel mogelijk van de wortelkluit met aarde te bewaren. Snoei de hoofdtak/ stam voor 1/2 tot 2/3 terug tot op een jonge twijg. Alle jonge twijgen snoei je in tot op 2 knoppen. Goed terugsnoeien is van belang voor een goede hergroei.
Laat het eerste jaar en tweede jaar geen trossen op de druif staan, omdat dit de plant teveel uitput.
De eerste jaren na het verplanten moet alles gericht zijn op een goede hergroei. Druiven kunnen trouwens ook goed worden gestekt. Zet de druif in een goed plantgat en meng wat compost of humusrijke grond door de aanwezige aarde. Plant liever geen druif op een plek waar voorheen een druif heeft gestaan.

 

  1. Ook het enten van druiven is mogelijk. De beste tijd is als de druiven uitlopen.

Anneke Duyvesteijn

Druiven

Lezing: “Alles over druiven”  door de heer Piet Alkema (aangevuld met nog meer wetenswaardigheden)

 

Op donderdagavond 13 januari 2005 heeft de heer Piet Alkema een lezing gehouden over een typisch Westlands onderwerp: de druif.

Nog niet zo lang geleden werden er in het Westland volop druiven geteeld en zo hier en daar zijn er nog steeds authentieke druivenkassen en soms muurkassen te vinden. De druiventeelt en de kennis terzake verdwijnen de laatste jaren echter in hoog tempo. Om het tij te keren is sinds een aantal jaren, de stichting “De Westlandse Druif”  gelukkig actief om in ieder geval een deel van de druiventeelt en de daartoe benodigde kennis voor de toekomst veilig te stellen.

De heer Alkema begon zijn lezing met de opmerking, dat als we het over druiven hebben we kunnen spreken van een bijzonder oud gewas, dat zelfs in de bijbel al genoemd wordt. Van druiven kan men sap bereiden, wijn maken, krenten en rozijnen, maar men kan ze natuurlijk ook als tafeldruif nuttigen. Het is een klimmend (door ranken) houtig fruitgewas met een bijzonder sterke groeikracht en een hoge vruchtbaarheid.
Voor wat betreft het telen van druiven kan men een onderscheid maken tussen de professionele druiventeelt en de teelt van druiven door hobbyisten,  weer onder te verdelen in de teelt onder glas en de buitenteelt.

De bedoeling van deze lezing was, volgens de heer Alkema, echter het behandelen van de tafeldruif, de problematiek die bij de teelt ervan komt kijken en het geven van praktische tips om tot een gezond product te komen.

Allereerst ging de heer Alkema in op de grondsoort, waarop de druif kan groeien. Zowel klei, zavel en zand zijn hiervoor geschikt. Het is wel belangrijk om bij het planten van druiven  er rekening mee te houden dat een druivenboom diep en breed uitgroeit. De grond, waarin de druif wordt geplant moet goed doorlatend zijn en kalkrijk en de gunstigste plaats is een plekje tegen een warme zuidmuur. Deze omstandigheden gelden zowel voor de binnen- als de buitendruif.

Ook belangrijk voor een goed resultaat is de keuze van het ras. Er zijn natuurlijk voor zowel binnen als buiten vele rassen, maar voor buiten zijn de twee beste rassen: “Boskoops Glorie” (blauwvruchtig) en “Vroege of Witte van de Laan” (wit/groenvruchtig). Beide rassen komen kunnen zowel binnen als buiten worden geteeld en komen goed op smaak en kleur.

Onder glas (koude kas) is “Black Alicante” een aanrader (is wel laat – mogelijk toch wat bijverwarmen in voorjaar). Dit ras is bijzonder vruchtbaar, heeft grote bessen in september/oktober en is blauwvruchtig. “Frankenthaler” is , volgens de heer Alkema, minder productief (?? = namelijk meest geteeld druivenras zowel door amateur als beroepskweker), maar is ook goed van smaak en iets vroeger rijp dan Alicante. Als men oogstspreiding prefereert dan is het planten van beide rassen aan te raden. Verder is Muscaat van Alexandrië een goed te gebruiken ras, hoewel deze witvruchtige druif minder productief is. Wie een hekel aan krenten heeft, zou kunnen kiezen voor “Gros Maroc”, welk ras een kleine krentbehoefte heeft.

Ook vormen, de opkweek en het snoeien van druiven zijn aan de orde geweest. De meest eenvoudige vorm is het staande snoer (verticale cordon). Verder kennen we nog vormen zoals liggend snoer (horizontaal cordon), stemvorkmodel en schuinsnoer e.a.

Deze vormen zijn zowel binnen als buiten mogelijk.

Door de heer Alkema werd vooral ingegaan op de opkweek en verzorging van het staande snoer. In het eerste jaar na aanplant is het vooral belangrijk, dat de plant wortels vormt. In de winter voor het 2e groeiseizoen wordt de boom op twee ontwikkelde ogen teruggesnoeid. In de loop van het tweede seizoen geeft de druif dan een geweldige scheutvorming te zien. In de volgende winter (3e seizoen) wordt de druif  tot 50 – 75 centimeter teruggezet (afhankelijk van de groei = halveren). In het derde seizoen volgt de eerste productie. Dit is, volgens de heer Alkema, een cruciaal moment.  De scheut met tros moet namelijk om voldoende af te rijpen, op het achtste blad na de tros worden afgenepen. Scheuten zonder tros worden op het achtste blad vanaf de stam geteld afgenepen. Op deze manier behoudt men een rustig, overzichtelijk gewas. In de winter van het 4e seizoen wordt “Boskoops Glorie” op 2 à 3 ogen teruggesnoeid. In hetzelfde seizoen lopen deze ogen weer uit en worden de twee  van de drie scheuten gehandhaafd. De scheut die het dichtst bij de hoofdtak, zonder tros, wordt op acht bladeren afgenepen en de andere scheut met tros op acht bladeren vanaf de tros. In de winter erop wordt de scheut die vrucht heeft gedragen verwijderd. De scheut die zonder tros was, wordt op 2 à 3 ogen teruggesnoeid. De verlenging van de boom, die elk jaar ca. 50 centimeter groeit wordt elk jaar iets teruggenomen, totdat hij niet meer verder mag groeien. Bij elk ras verschilt de wintersnoei. Zo moet men “Witte van der Laan” wat langer snoeien d.w.z. op zes ogen; “Frankenthaler” op 3 à 4 ogen; Muskaat van Alexandrië op 2 à 3 ogen en “Gros Maroc” 4 à 5 ogen. “Black Alicante” dient men zeer kort te snoeien (2 ogen).

Over het tijdstip van het snoeien zei de heer Alkema dat het nu een uitstekende tijd is om dit klusje uit te voeren. Kasdruiven moeten in de winter altijd vroeg worden gesnoeid. Omdat in een kas de temperaturen vrij snel oplopen in het voorjaar, beginnen de wortels al weer vroeg te werken. Wordt er laat in de winter gesnoeid dan kan de druif  gaan bloeden. Het door de wortels opgepompte vocht (sapstroom) loopt dan via de wonden weg. Het bloeden gaat ten koste van de groei. Voor het snoeitijdstip van buitendruiven geldt in principe hetzelfde als voor kasdruiven. Het is echter niet verstandig om tijdens een vorstperiode te snoeien.

De voorjaarssnoei (na het vormen van de trossen) houdt verder in niet alleen overtollige scheuten worden weggebroken, er tot acht bladeren wordt teruggenepen, maar ook dat de okselscheuten (de dieven) op 1 blad worden verwijderd.

Per scheut wordt verder meestal 1 tros gehandhaafd (Boskoops Glorie 2 ook mogelijk).

Voor wat betreft het krenten (het met de hand uitdunnen van de bos) zei de heer Alkema, dat dit ook met een druivenschaartje kan plaatsvinden. Eenpitters (slecht bevruchte bessen met maar één pit) en normaal gezette bessen die in de bos naar binnen groeien worden verwijderd. Dit is noodzakelijk omdat ze later in de verdrukking komen. Als de bossen goed zijn gekrent blijft de tros binnenin goed luchtig, wat helpt om schimmels te voorkomen. In een goed gekrente bos blijft ongeveer eenderde van het aantal bessen over. Het is verstandig om zo vroeg mogelijk met krenten te beginnen, want dan wordt de waslaag zo min mogelijk beschadigd. Na het krenten dienen de druiven zo’n  twee dagen zo droog mogelijk te worden gehouden om de wonden snel te laten drogen, hetgeen de kans op schimmels verkleint. Na twee dagen is het belangrijk de druiven flink water te geven voor een goede doorgroei.

Als de trossen gaan kleuren vindt er nog een rijpingssnoei plaats. Deze houdt in dat de scheuten met tros tot op 2 bladeren na de tros worden afgenepen om verdere kleuring te bevorderen.

Gedurende het groeiseizoen moet men verder elke 7 tot 14 dagen het teveel aan blad verwijderen.

Ook bij druiven kunnen ziektes en plagen voorkomen. Vooral schimmels kunnen nogal eens problemen opleveren. Bij druiven is vooral echte meeldauw (het kwaad) een vaak voorkomende schimmel. Deze schimmel komt van oorsprong uit Amerika en kan grote schade aanrichten bij plant en vrucht. De schimmel is te herkennen aan wittige, op meel lijkende plekjes, die op alle groene delen van de plant kunnen voorkomen en op de bessen. Speciaal in vrij warm en vochtig voorjaar moet men op deze schimmel bedacht zijn. Deze schimmel, maar ook andere schimmels zijn, volgens de heer Alkema, goed te behandelen met Eupareen, een schimmelwerend middel, dat ook nog tegen druivenmijt werkt.

Deze schimmel is echter ook goed te bestrijden met zwavel. Dit is een natuurlijk middel en niet giftig. Zwavel is een van de weinige stoffen die toegestaan zijn in de biologische en ecologische land- en tuinbouw. Zo kennen we bijvoorbeeld spuitzwavel. Dit wordt in water opgelost (4 tot 5 gram per liter water, zie ook dosering op de verpakking). Dit mengsel spuit men op de druivenplanten, volgens Arnold Jansen, een aanwezig druiventeler, voor de eerste keer als de eerste drie blaadjes ontvouwen zijn. De tweede keer spuit men net voor de druif gaat bloeien en de derde keer spuit men net na het krenten. Na een ernstige aantasting in het voorgaande groeiseizoen zou men preventief ook direct na de wintersnoei al kunnen spuiten. Men spuit dit dan op de planten zodra men klaar is met snoeien en voordat de ogen uit gaan lopen. Het middel werkt dan vooral tegen overwinterende schimmelsporen.

Terwijl u de spuitzwavel gebruikt kunt u aan het mengsel ook andere middelen toevoegen tegen bijvoorbeeld schild- en dopluis (Admire of Décis).

Verder bestaat er nog een oud boerenmiddel: een zwavelpapje met yoghurt en gedroogde koemestkorrels, dat op de stam en takken van de druif wordt gesmeerd. Ook dit kan na de wintersnoei.

Verder kan men in de zomer nog gebruik maken van zwavelpotjes. Door het opwarmen van de potjes komt zwavelgas vrij, dat de schimmel doodt. Dit werkt alleen goed in een kas die volledig luchtdicht kan worden afgesloten. Omdat dit gas verstikkend werkt dient men wel de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. Verder gebruikt men ook wel zwavelpoeder. Dat op plankjes wordt gelegd, die in de nok van de kas worden bevestigd. Spuitzwavel is niet systemisch en kan worden gespoten als er weinig groei is. Als uitzondering op de andere middelen bestaat voor zwavel geen resistentiegevaar.

De heer Wim van Dijk van Stichting “De Westlandse Druif”, die ook aanwezig was, noemde in de wandelgangen nog het middel Exact Vloeibaar van Bayer (triadimenol),  Exact vloeibaar is genezend werkzaam tegen schimmelziekten op appel, druiven, sierheesters en sierplanten.

Het middel kan op alle gewassen worden toegepast. Men moet zodanig spuiten dat het gewas zo nat is dat de spuitvloeistof er af begint te druipen. Bij druiven dient vanaf de eerste meeldauwaantasting te spuiten en de behandeling eventueel te herhalen.

Volgens de heer van Dijk is een preventieve bespuiting met dit middel, als de eerste blaadjes ontvouwen zijn, vaak al voldoende.

De termijn tussen de laatste toepassing en de oogst mag niet korter zijn dan 14 dagen.

Bemesting van de druif is natuurlijk ook noodzakelijk. Vooral kalium is belangrijk voor de druif. Het zorgt voor een gezonde plant die voor een goede productie zorgt.

Wat kalium strooien voor het afrijpen is ook aan te bevelen.

Men kan zowel kunstmest (12 –10 – 18) als organische mest  (koemestkorrels) gebruiken. Verder is ook kalk noodzakelijk voor een goede groei.

Fosforgebrek: bruingele verkleuring aan de randen

Kalium: verkleuring van jonge bladeren, die een bruinige omgebogen bladrand krijgen; oudere blad krijgt een violette tot bruin-zwarte verkleuring aan de bovenkant van het blad.

Kalkgebrek: het blad krijgt tussen de nerven grote gele plekken. De bladranden sterven hierna af en de rest van het blad volgt.

Druiven kan men vermeerderen door een oog van een verhoute scheut op een bedje van scherp zand en turfmolm te leggen in een kistje met een stukje glas erover. Enten kan natuurlijk ook goed. “Frankenthaler” kan goed als onderstam dienen.

Voor het kleuren van de druiven is het goed regelmatig te gieten. Na kleuring kan men beter niet meer gieten.

Een onderteelt bij druiven in het vroege voorjaar is spinazie.

Omdat zon en warmte essentieel zijn voor een goede oogst dan is de meest ideale plaats van een druif een plaats waar de hele dag de zon op staat, maar het liefst ook een plek waar de warmte blijft hangen. Voor een buitendruif is een muur op het zuiden het beste. Ook een pergola kan gebruikt worden om een druif tegen te laten groeien.

Voor een kasje is de beste plaats dus ook op het zuiden. Verder is belangrijk bij een kasje dat er voldoende gelucht kan worden en er voldoende ramen open kunnen.

De hierboven staande onderwerpen zijn door de heer Piet Alkema behandeld en zo nodig aangevuld.

 

Anneke Duyvesteijn

 

Aanvulling:

 

Probleem bij druiven: soort verdroging: er worden mooie trossen gevormd, maar in het begin lijken ze te worden aangetast door een soort verdroging.

 

Na het wegknippen van de verdroogde besjes ontwikkelen de trossen zich weer voorbeeldig.

 

Druiven vertonen duidelijk de gevolgen van zonnebrand. In de periode van ongeveer twee weken na het krenten tot enkele weken voor het kleuren zijn druiven en vooral Frankenthalers daar erg gevoelig voor, vooral onder droge omstandigheden. De schil van de snelgroeiende bessen is wat poreus en daardoor ontstaat er gemakkelijk vochtverlies als ze erg heet wordne. Het eerste verschijnsel is dat de druif wat indeukt. Vervolgens treedt in en om de inzinking bladverkleuring op en in een later stadium wordt de hele bes droog en bruin, meestal in groepjes bij elkaar, boven in de tros. Het verbranden is te voorkomen door te zorgen voor een goed gesloten bladerdek. Ga dus niet flink dieven als het heet weer wordt of wordt verwacht. Eventueel schermdoek aanbrengen.

 

Het barsten van vruchten komt voor bij kersen, pruimen, peren en bij druiven. Bij kersen en pruimen kan overvloedige regenval hier een nadelige invloed hebben. Bij druiven wordt het barsten meestal veroorzaakt door de schimmelziekte Echte meeldauw. Uitzonderlijk kunnen groeistoornissen ook barsten veroorzaken.

 

 

Dwerg- en minatuurplanten

Verslag van de lezing van donderdagavond 15 januari van Herman Geers uit Boskoop bij Groei & Bloei, afdeling Westland. 

De kop van de activiteiten in 2009 is er af en wel in de vorm van een lezing van Herman Geers over dwerg- en miniatuurplanten. Mensen met grote tuinen zullen zich niet direct tot het onderwerp aangetrokken voelen, maar toch valt er op dergelijke avonden wel degelijk wat te leren. Voor mensen met een kleine tot piepkleine tuin of rotstuin was deze avond eigenlijk een ?must?, want wie wil er nu niet op zijn eigen stekkie, waar er eigenlijk geen plaats voor een boom is, een heuse kastanjeboom, beuk, eik of linde planten?

In zijn kwekerij in Boskoop houdt Herman Geers zich vooral bezig met het kweken en vermeerderen van dwerg- en miniatuurplanten. Het kweken van deze piepkleine gewassen, moet vooral niet worden verward met het kweken van bonsai. Het kweken van bonsai is een kunstvorm, die van oorsprong uit China afkomstig is. Op kunstmatige manier wordt geprobeerd om een boom/heester/conifeer in miniatuur te scheppen en te houden. Hiervoor worden stekken gebruikt tussen de 5 ? 10 cm, ook kunnen zaailingen worden gebruikt.

Dwerg- of miniatuurplanten zijn ook kleine vormen van bomen, coniferen en heesters, maar zij zijn en blijven van nature klein. Op plaatsen waar de groeiomstandigheden ongunstig zijn - bijvoorbeeld op grote hoogtes of gebieden dicht bij de polen - hebben planten zich door de eeuwen heen zodanig aangepast, dat zij de plaatselijke omstandigheden kunnen trotseren en wel in een compacte vorm. In gunstige omstandigheden kan een soort als hoge boom bossen vormen, terwijl dezelfde boom in ongunstige omstandigheden ? plat over de grond of in compacte vorm groeit.

Veel van deze kleine vormen zijn van overal ter wereld door z.g. planthunters (plantenvinders) naar de bewoonde wereld meegenomen en nu verkrijgbaar omdat men ze door te stekken of te enten zijn vermeerderd.

Dwergplanten ontstaan echter ook nog een andere manier en wel door gebruik te maken van zogenaamde heksenbezems. Heksenbezems komen vaak voor in berken en worden hierbij veroorzaakt door een schimmel. Het is een soort woekering, waarbij de plant in een enkele tak een groot aantal zijtakjes maakt. Ze komen ook bij andere bomen en struiken voor en worden o.a. veroorzaakt door een spontane mutatie aan de plant. Door deze mutatie probeert de plant zijn kansen om te overleven te vergroten c.q. zich beter aan de veranderende omstandigheden aan te passen. Een plant zou zich op deze manier kunnen aanpassen aan een klimaatsverandering (nieuwe ijstijd). Hierbij moet men dan wel denken aan een proces van honderden jaren. Deze kleine zijtakjes vormen dus de basis voor nieuwe dwerg- en miniatuurplanten. Door deze te stekken of te enten ontstaan nieuwe planten met de compacte eigenschappen van de heksenbezems. Vooral van Picea, Abies en andere coniferen zijn veel heksenbezems in omloop.

Af en toe komt het wel eens voor dat sommige conifeertjes een z.g. ?kop maken?. Ze vertonen dan een afwijkende groei en willen dan terug naar de oorspronkelijke (grote) soort. Dit is een genetische kwestie. Verstandig is het dan om deze afwijkende kop uit de plant te knippen.

Dwerg- en miniatuurplanten groeien maar enkele centimeters per jaar. Uitzonderingen daargelaten groeien miniatuurplanten ca. 2,5 cm per jaar, dwergplanten ca. 5 cm en zogenaamde semi-dwergplanten 7,5 cm per jaar. Deze kleine vormen komen in bijna elke plantenfamilie voor. Onder de door Herman Geers getoonde voorbeelden was o.a. een wilgje uit het Noorden van Europa, dat maar een paar centimeter hoog is en die blaadjes zo klein als een ouderwets dubbeltje heeft. Een Cryptomeria japonica die in Japan wel 40 meter hoog wordt is na 10 jaar niet hoger dan 30 cm. Ook struiken komen in dwergvorm voor, zoals Hydrangea ?Pink Elf? en Pieris japonica ?Spring Candy?.

Voor tuiniers met een kleine tuin zijn er eiken, beuken en lindes in dwergvorm verkrijgbaar. Bij dwergvormen van bomen gaat men er van uit dat de uiteindelijke hoogte ongeveer 10 procent van de uiteindelijke hoogte van de soort mag bedragen. Quercus palustrus ?Green Dwarf? is hier een goed voorbeeld van. Deze eik wordt na jaren niet hoger dan ongeveer 1,5 meter. Een beukenboom in dwergvorm is na 15 jaar ongeveer 80 cm hoog.

Sommige dwergbomen kunnen ook in een kuip worden geplant, maar dan moeten de wortels wel voldoende ruimte hebben om zich te ontwikkelen. De omvang van de pot zou dan ongeveer even groot als de kroon van de boom moeten zijn.

Alle planten die op de kwekerij van Herman Geers worden verkocht zijn op het bedrijf vermeerderd door stekken of enten. Nieuw materiaal wordt altijd eerst getest om te kijken of het aan de voorwaarden van een miniatuur- of dwergplant voldoet. Omdat het uitgangsmateriaal erg klein is vergt dit klusje veel geduld en wordt bij het stekken door Herman Geers gebruik gemaakt van een voorzetbril (vergrootglas). Sommige planten zijn bijna niet te vermeerderen, omdat ze zo klein zijn. Het stekken vindt plaats als de stekken op de stekplant een bepaalde hardheid hebben. Dit is dus een kwestie van aanvoelen! Als stekken niet makkelijk wortelen wordt er geënt. Dit is een lastig karweitje, omdat de stammetjes waarop wordt geënt piepdun zijn.

Herman Geers kweekt op zijn bedrijf ruim 800 soorten die niet allemaal in productie zijn, maar voor een gedeelte zijn te bewonderen in de siertuin bij het huis. Op zijn bedrijf kan hij per vierkante meter 12 tot 16 planten kwijt. Door zijn grote assortiment is hij als klein bedrijfje de grootste in zijn soort in Europa. Onder zijn klanten zijn botanische tuinen uit heel de wereld, maar ook Madurodam te vinden. Veel van zijn relaties zijn afkomstig uit Oost-Europa, waar dan ook het nodige materiaal vandaan komt. Zelf gaat de heer Geers met zijn vrouw ook op zoek naar nieuw uitgangsmateriaal. Veel van zijn trippen zijn naar Engeland, maar ook andere delen van de wereld worden aangedaan. Vaak is zijn vrouw dan de chauffeur terwijl hijzelf de omgeving afscant. Het vinden van nieuw materiaal is als een tweede natuur en levert ook de nodige grappige anekdotes op. Zo vertelde de heer Geers over zijn ontmoeting met drie bruine beren in Canada, die de nodige hilariteit opleverde.

Naast de miniatuur- en dwergplanten worden er op het bedrijf ook weigelia?s gekweekt. Een soort die door hen zelf op de markt is gebracht is Weigelia florida Alexandra, die naar zijn dochter is genoemd.

Het is een dwergvorm met donkerrood tot zwart voorjaarsblad en rozerode bloemen. De hoogte na 10 jaar is 100 cm.

Aan de hand van een diapresentatie passeerden een groot aantal dwerg- en miniatuurplanten de revue, waaronder Pinus parviflora 'Adcock's Dwarf', Abies koreana 'Blue Eskimo' en Pinus sylvestris 'Jericho'. Interessant waren ook Mahonia repens, die maar 5 cm hoog wordt en Malus 'Coral Burst' een sierappel die uitermate zeldzaam is.

Dwerg- en miniatuurplanten zijn uitstekend geschikt voor rotstuinen, plantenbakken en voor bakken op het balkon. Ook kunnen ze goed als grafbeplanting dienst doen.

Wie alle soorten met eigen ogen zou willen aanschouwen, krijgt hiervoor de gelegenheid op zaterdag en zondag 28 en 29 maart a.s. Dan worden voor het 5e jaar op rij de jaarlijkse open dagen op de kwekerij georganiseerd. Tegelijkertijd zijn dan ook een aantal collega-kwekers met bijzondere plantencollecties aanwezig, zoals Clematis kwekerij Böttcher uit België, Vaste planten kwekerij Ploeger uit De Bilt, Kwekerij De Bolle Jist uit Finkum met bijzondere bol- en knolgewassen, Alpentuin Agelo, de Cactusvereniging en Johan v.d. Akker met zeldzame alpine planten. De open dagen zijn van 10.00 -16.00 uur. De kwekerij is te vinden op Laag Boskoop 104 in Boskoop. Voor meer informatie kunt u surfen naar www.hgeers.nl.

Anneke Duyvesteijn

Een- en tweejarigen

Verslag lezing over een langere bloei in de tuin aan het einde van het seizoen: De bloem vergaat maar het gaat om het zaad

 

Op donderdagavond 13 maart heeft Marcel Batist een lezing verzorgd over het gebruik van eenjarigen en kuipplanten in de tuin met als insteek het realiseren van een langere bloei in de tuin aan het einde van het seizoen.

Bij de meeste tuinen is aan het einde van de maand juli het mooie van de tuin af. Dit kan worden ondervangen door in de tuin meer gebruik te maken van herfstbloeiende vaste planten, struiken of bomen. Ook kan het bloeiseizoen in de tuin worden opgerekt door de toepassing van eenjarige zomerbloeiers, zomerbollen en knollen, maar ook kuipplanten. De bloemenpracht van deze planten houdt vaak aan tot aan de eerste nachtvorst.

Er kan natuurlijk ook gebruik gemaakt worden van het voor iedereen wel bekende perkgoed, maar voor een border met wat meer cachet kan men ook kiezen voor bijzondere zomerbloeiende planten. Veel van deze planten zijn helaas bijna niet te koop en daarom zal men zelf moeten gaan zaaien.

Marcel Batist is iemand die veel ervaring heeft met het zaaien van dergelijke planten en weet deze door zijn hobby van fotografie ook nog uitstekend in beeld te brengen. Aan de hand van een diapresentatie passeerden een aantal soorten uit deze relatief onbekende plantengroep de revue. Allereerste behandelde Marcel een aantal eenjarige planten. Hieronder was ook Hibiscus trionum een eenjarige Hibiscus met de Nederlandse naam: drie-urenbloem. Deze plant bloeit lang, maar heeft ook nog eens een prachtige zaaddoos als toetje. Van Lavatera trimestris ‘Silver Cup’ wist hij te vertellen dat men deze plant niet te vroeg moet zaaien. Dit roze kaasjeskruid wordt wel 60 tot 90 centimeter hoog en is rijk bloeiend. Cerinthe major purpurescens is een eenjarige met blauwe bloemen en de Nederlandse naam luidt: wasbloem. Vroeger dacht men dat was van deze plant afkomstig was. Ook de nodige eenjarige salvia's kwamen aan de orde. Naast vaste Salvia is ook eenjarige Salvia een aanwinst in de tuin en is te zaaien in o.a. rood, blauw, magenta en zalmkleur. Erg fotogeniek is ook Nigella damascena, Juffertje in het groen, met prachtige decoratieve zaaddozen in het najaar.

Ook eenjarige inheemse planten verdienen een plaatsje in de tuin. Het gaat hier om planten die men in het wild ook kan aantreffen, zoals Malva silvestris Mauritanica, het Mauritaans kaasjeskruid, dat paars bloeit en tot 1.50 meter hoog wordt. Indrukwekkend is ook Angelica archangelica, engelwortel, een tweejarig en twee meter hoog keukenkruid.

Van de eenjarige klimmers is Dolichos lablab purpureus toch wel een van de favorieten. Deze lathyrusachtige plant heeft paarse bloemen en paarse bonen en is geurend. Mooi is ook Cobaea scandens, de klokwinde met 8 centimeter grote bloemen, die pas laat in het seizoen tot volle glorie komt.

Verder kunnen ook kuipplanten voor een langere bloei in de herfst zorgen. Gedacht kan hierbij worden aan Bulbine frutescens, een Zuid-Afrikaanse plant met vleesachtige bladeren met bloei van juni tot november. Fuchsia, Abutilon, Polygala myrtifolia “Grandiflora” en Phygelius aeaqualis, Kaapse fuchsia, verdienen een plaatsje in de tuin of op terras of balkon.

Knollen en bollen, zoals Eucomis bicolor, de kuifbloem, Dahlia, Canna en bijvoorbeeld Begonia bloeien ook tot ver in het najaar en mogen zeker niet in het rijtje worden vergeten.

Wie dus aan het einde van het seizoen nog wil genieten van een bloeiende tuin doet er goed aan de zaadcatalogi eens op wat bijzondere soorten na te slaan. Vergeet ook niet om tijdig het zaad van uw lievelingsplanten op te vangen, want om met een oude spreuk van een zaadhandelaar af te ronden: de bloem vergaat, maar het gaat om het zaad! Een lijst van de behandelde planten vindt u hieronder.

 

Anneke Duyvesteijn

Geranium (voor de tuin)

Lezing van de heer Rein ten Klooster

 

Op donderdagavond 13 oktober 2005 was de heer Rein ten Kooster, oud-voorzitter van Groei & Bloei, afdeling Breda te gast bij afdeling Westland. De heer ten Klooster heeft op deze avond een voordracht in woord en beeld gehouden over de ‘echte’ Geranium, een zeer soortenrijk geslacht voor de siertuin, dat niet verward dient te worden met Pelargonium, die bij de meeste mensen bekend staat als geranium (de staande en hangende voor in kuipen en bakken).

 

Een van de redenen dat de heer ten Klooster is begonnen met het verzamelen van Geranium kwam eigenlijk door een plant met de grappige naam  Haplopappus (Familie: Asteraceae (Composietenfamilie)). Deze plant inspireerde hem tot het volgen van cursussen over planten en hun naamgeving. De heer ten Klooster is ook houder van de Nederlandse Plantencollectie  voor het geslacht Geranium en Erodium. Alle Nederlandse Plantencollecties resulturen onder de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen, die ook voor de kwaliteitsbewaking van de collecties zorgt. Op dit moment zijn er al meer dan 70 NPC’s.

 

Allereerst werden de aanwezigen door de heer ten Klooster wegwijs gemaakt in de familie van Geraniaceae.

Deze familie, ook wel Ooievaarsbekfamilie genoemd is een familie van bloeiende planten die voorkomen in gematigde tot warme streken, met name in Zuidelijk Afrika.

Het overgrote deel van alle soorten behoort tot de geslachten Ooievaarsbek (Geranium en Pelargonium) en reigersbek (Erodium) en zijn herkenbaar aan de zaden, die een smalle, snavelachtige vorm hebben, vandaar ook de namen ooievaarsbek en reigersbek. Planten uit deze familie zijn ook te herkennen aan hun 5 bloemblaadjes, hun 5-lobbig blad en hun 5 zaadjes.

 

De planten die tot het geslacht van Geranium behoren zijn winterharde vaste planten voor de siertuin met diep ingesneden of gelobde bladeren, schotelvormige bloemen met 5 kroonbladeren (aan de vrucht zit spiraaltje). De meeste soorten zijn bodembedekkers en bloeien afhankelijk van de soort van het vroege voorjaar tot laat in de herfst. Het liefst staan ze op een plekje in de zon of halfschaduw en kunnen op bijna alle gronden worden toegepast. Er zijn ook zogenaamde alpinesoorten die het in de rotstuin goed doen. Deze soorten houden niet van natte voeten.

Aan de hand van een 100-tal dia’s ‘wandelde’ de heer ten Klooster met de aanwezigen door het geslacht Geranium, dat ongeveer 400 soorten kent. Stil gestaan werd o.a. bij Geranium endressii en Geranium versicolor waar veel mee gekruist wordt en Geranium oxonianum een product van is. Deze soort staat trouwens bekend om zijn lange bloeitijd.

Een goede soort voor in de schaduw is Geranium nodosum, die ook nog zaait en dus voor nakomelingen zorgt.

Geranium psilostemon, een magnentakleurige soort, die wel 1.50 meter hoog kan worden, werd door de heer ten Klooster, als “erg mooi” gekwalificeerd. Door de rode neuzen met daaronder vele wortelvertakkingen, die in het voorjaar te voorschijn komen, op te graven en uit te spoelen tot ze loskomen, kan deze plant prima worden vermeerderd. Ook Geranium ‘Patricia’ is een dankbare plant.

Een mooie dubbele Geraniumsoort is Geranium himalayense ‘Plenum’ (dubbele bloemen zijn eigenlijk foutjes); nog mooier is Geranium himalayense ‘Irish Blue’.

Geranium wallichianum ‘Buxton’s Variety’ is een prachtige blauw bloeiende soort die zelfs aan het einde van de herfst nog bloeit.

Om een verzameling in stand te houden is het in een aantal gevallen noodzakelijk om zaad op te vangen (ook om kruisen te voorkomen). Het gaat hier met name om zaad dat ‘zelfstandig’ de wereld in gaat. Als het zaad van dergelijke planten bijna rijp is, kan men er het beste een nylonkous omheen binden, zodat het zaad niet kan verwaaien. Geranium farreri is zo’n plant. Hij wordt maar ongeveer 10 centimeter hoog, is goed winterhard en prima geschikt voor de rotstuin.

Nog een aanrader is Geranium sanguineum ‘Apfelblüte’. Deze plant wordt ongeveer 25 centimeter hoog. Ook Geranium sanguineum var.striatum is erg mooi. Naast de winterharde soorten kwamen ook nog Geranium canariense en Geranium madeirense aan de orde. Beide zijn monocarpe soorten, die na de bloei afsterven. Ze komen zoals uit de naam al kan worden afgeleid, respectievelijk van de Canarische eilanden en Madeira en zijn niet winterhard en overwinteren in de kas (rond 5◦C). Ook de zilverkleurige Geranium argenteum is niet winterhard en kan na het opgraven in de herfst, het beste in de koude bak overwinteren.

 

Na Geranium kwam ook nog het geslacht Erodium aan de orde. Erodium is een geslacht dat absoluut niet van natte voeten houdt en het liefst met de voeten van de grond staat.  Erodium heeft geveerd blad met een vruchtje met kurketrekker zonder veren. Dit geslacht kan goed worden toegepast in rotstuinen, mits er sprake is van een zeer goede afwatering. Ook gebruik in bakken of potten is mogelijk. Let u er dan wel op dat er geen mieren in de bakken gaan wonen, want daar heeft Erodium een hekel aan.  Enkele soorten die de revue passeerden zijn: Erodium pelargoniflorum, een soort dat in Noord-Brabant ook als akkeronkruid voorkomt; Erodium ‘Spanish Eyes’ en Erodium reichardii ‘Bishops Form’.

 

Tussen de bedrijven kwamen ook nog enkele Pelargonium-soorten aan de orde. Het geslacht Pelargonium, in de volksmond ook wel geranium, genoemd, is een groenblijvend (in huis en onder glas het hele jaar door, mits de temperatuur 5◦C is), niet-winterhard geslacht, dat vaak in huis, op balkon, maar ook wel in de tuin wordt toegepast. Kortweg kan Pelargonium in drie verschillende groepen worden verdeeld: kamerpelargoniums, welriekende pelargoniums en tuinpelargoniums. Het merendeel van Pelargonium t.w. 98 % is afkomstig uit Zuidelijk Afrika. Het overige deel is afkomstig uit Turkije en Syrië en zijn veelal winterhard. Een van de winterharde soorten is Pelargonium endlicherianum, evenals Pelargonium quercetorum.

Mooie niet winterharde soorten zijn Pelargonium ‘Lord Bute’, Pelargonium ‘Sensation’ en Pelargonium ‘Friesdorfer’. Pelargonium is verder te herkennen aan  5 verkruiste bloemblaadjes,met aan de vrucht een “kurketrekker met veren” en het ovale zaadje in een doosje.

 

Het bovenstaande is een bloemlezing van de behandelde soorten; het zou echter te veel tijd en papier kosten om alle soorten hier te behandelen.

Bent u echter geïnteresseerd geraakt en wilt u meer over deze dankbare planten weten, dan kunt u het 1e weekend van juni 2006 alvast in uw agenda noteren. Dan houden Rein en zijn vrouw Anneke open dagen van 10.00 – 17.00 uur. De toegang is gratis.

 

Het adres luidt: Rein en Anneke ten Klooster,

Tilburgseweg 235a,

4817 BD Breda

076-5876042  rten.klooster(at)casema.nl

Anneke Duyvesteijn

Gereedschappenshow van De Tuinheeren op woensdag 20 november 2013

Over De Tuinheeren

Aandacht voor het onderhoud van gereedschap is vaak een ondergeschoven kindje. Daarom waren De Tuinheeren uit Krimpen aan de Lek uitgenodigd om bij Groei & Bloei Westland een wervelende gereedschappenshow te geven. Eén van de Tuinheeren, Louis Decae, gaf deze avond samen met zijn vrouw Marja acte de presence. De Tuinheeren zijn, zoals Louis verwoordde twee heren op leeftijd die voor hun plezier een bedrijfje in tuingereedschap van topkwaliteit hebben opgericht. De zware kleigrond in hun tuin in de Krimpenerwaard was de aanleiding, want juist op zware klei is het belangrijk om met goed en degelijk tuingereedschap te werken. De vraag was echter waar dit te verkrijgen was en wie daarvoor het beste advies kon geven. Sinds die vraag hen in 2001 voor het eerst bezig hield, zijn de Tuinheeren thans uitgegroeid tot ware specialisten in tuingereedschap en leveren ze hun producten aan zowel particulieren als professionele tuinverzorgers en gemeentelijke groendiensten. Ze staan garant voor een ambachtelijk stuk gereedschap, dat met veel zorg door vakmensen uit zowel binnen- als buitenland is geproduceerd en dat u door zijn hoge kwaliteit als duurzaam gereedschap kan kwalificeren.

Tuingereedschap

Een goed stuk handtuingereedschap heb je, aldus Louis, voor je leven. De grondsoort waarop je tuint is bepalend voor de kwaliteit en sterkte van het gereedschap dat je gebruikt. Tuinieren op zand of klei is een wezenlijk verschil. Goed smeedijzeren tuingereedschap is een aanrader op zware klei; hiermee doelt Louis op koolstofstaal, dat is uitgesmeed, afgehard en ontlaten en waarvan het hele (handmatige) productieproces wel een dag of tien in beslag kan nemen. Koolstofstaal zorgt er voor, dat het handtuingereedschap, dat in de grond gebruikt wordt, scherp is en gemakkelijk de grond in gaat. Tuingereedschap uit gehard koolstofstaal is ook bijna niet te buigen en slijpt zichzelf door het gebruik. Zijn er onverhoopt toch bramen aanwezig aan het stalen blad, gebruikt u dan een halfronde bastaardvijl en vijl alleen de snijkant.

Snoeischaren

Het tuingereedschap, dat het meest in de tuin in gebruik is, is de snoeischaar. Snoeischaren zijn er in allerlei maten en soorten; er zijn zelfs vrouwvriendelijke korte scharen op de markt. De scherpste schaar die er is, is de schaar met twee snijdende messen. Ook is er de schaar met aambeeld (breed vlak); veelal is dit de sterkste schaar, maar veroorzaakt rafelige randen, die schimmelvorming kunnen veroorzaken. Een schaar met één snijdend vlak, dat een aambeeld passeert is het beste. Foutief gebruik, of een verkeerde of botte snoeischaar kan schade aan Uw handen en aan Uw planten veroorzaken. Snoeischaren zijn te gebruiken tot een takdikte van ongeveer 2 centimeter, heggenscharen zijn inzetbaar tot een takdikte van 15 mm, takkenscharen knippen tot 5 centimeter, maar in de meeste situaties is boven 3 centimeter takdikte een snoeizaag het handigste te gebruiken.

Onderhoud

Eigenlijk bestaan er tegenwoordig geen slechte scharen, maar is er veel meer sprake van slecht onderhouden scharen. Een goede tuinschaar heeft gehard stalen messen. Deze zijn alleen te slijpen met een diamantvijl. Producent Felco adviseert zelfs, dat u een snoeischaar na elke dag dat u hem gebruikt eigenlijk zou moeten slijpen.

Dat is eigenlijk niet zo’n slecht idee, zeker als u gebruik maakt van een galvanische diamantvijl, die Louis gebruikt om zijn tuingereedschap scherp mee te houden. Met deze diamantvijl (van de Duitse firma Dick) kunt u ook uw keukenmessen slijpen.

Naast het slijpen is het ook raadzaam om uw schaar regelmatig schoon te maken met een harde borstel of staalborstel. Harsresten kunt u weghalen met terpentine en staalwol. Wilt u uw gereedschap ontsmetten dan kunt u het beste medische alcohol gebruiken. Verder is het zo, dat hoe schoner uw schaar is, des te gemakkelijk u hem slijpt. Na het slijpen kunt u uw schaar het beste invetten met wat olijfolie. Een druppel olie op de mechaniekjes van scharen doet wonderen. Handvaten en stelen van spades e.d. kunt u het beste 1 x per jaar behandelen met gekookte lijnolie. Als u uw gereedschap in de winter weghangt, is het handig om dit vrij van de grond op te hangen. Wetten heeft zin bij gereedschap dat superscherp moet zijn, zoals oculeermessen, tuinmessen, entmessen, buxusscharen en heggenscharen.

Het slijpproces

Het slijpen van een snoeischaar is, met deze diamantvijl, een eenvoudige handeling. Het duurt nog geen vijf minuten en met deze diamantvijl hoeft u uw tuinschaar niet uit elkaar te halen. Slijp alleen het snijblad! Het is heel eenvoudig te zien of uw mes of schaar bot is: onder een gloeilamp reflecteert het snijvlak (de vouw) als deze bot is!

• Ga met een van uw vingers aan de binnenkant langs het snijblad, voelt u daar een braam, vijl deze dan eerst weg.

• Rechtshandige mensen nemen hun schaar in de linkerhand met het snijblad aan de bovenkant en houden de schaar vast bij de veer.

• Zet de diamantvijl in de hoek het dichts bij uw hand, met de punt van de slijper tegen de onderkant van het er tegenover liggend aambeeld en haal de vijl in ca. 10 bewegingen, onder een hoek van ongeveer 23 graden over het snijvlak van de schaar. Slijp alleen het snijvlak, de rest is niet nodig. (U ziet ook direct de vorm waarin de schaar door de fabrikant is geslepen). Werk van binnen naar buiten.

• Een scherpe schaar knipt gemakkelijk en zorgt ook voor een gladde snede aan alles dat u snoeit. Dus goed voor Uw handen en Uw planten.

• Slijp uw scharen vaak. Professionele gebruikers minstens 1x per dag. Linkshandige mensen doen deze bewegingen met de schaar in hun rechterhand.

Zagen

Ook over zagen had Louis het een en ander te vertellen. Belangrijk bij de keuze van een fruitzaag is te weten, dat hoe fijner de vertanding is hoe mooier de wond is. Er zijn ook speciale wortelzagen, waarmee u goed onder de grond kan zagen. Andere zagen kunt u verknoeien door er mee in de grond te werken.

Leuke namen

Na het behandelen van de meest gebruikte handgereedschappen kwamen nog een aantal bijzondere gereedschappen aan de orde zoals het boseigenaarsbijltje, de rietsikkel, de Cape Cod wieder en het hoveniersschepje. Grappig om te weten is verder, dat er zelfs streekgebonden gereedschap is.

Voor meer informatie over gereedschap kunt u het beste surfen naar www.detuinheeren.nl.

Oefening baart kunst

Na de pauze volgde een lesje tuingereedschap slijpen. Nadat Louis iedereen een testvijltje had aangereikt, konden alle bezoekers hun meegebrachte scharen weer vlijmscherp maken. En iedereen was het er mee eens: het was een fluitje van een cent!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Geurende gewassen

Verslag lezing Marco Hoffman over geurende gewassen

Op donderdag 13 januari was Marco Hoffman te gast bij Groei & Bloei afdeling Westland. Hij is botanicus en taxonoom en werkt bij Praktijkonderzoek Plant & Omgeving (PPO) in Wageningen. Marco Hoffman houdt zich naast de toepasbaarheid en functionaliteit van planten ook bezig met zaken als naamgeving, gebruiksnaam en beschrijving. Daarnaast heeft hij ook onderzoek gedaan naar geurende planten en dat was ook het onderwerp waar de lezing over ging.

Groen en geur

Dat planten een goed gevoel geven is tegenwoordig algemeen bekend. Minder bekend is, dat dit mede veroorzaakt wordt door plantengeuren. Hoewel plantengeuren een belangrijke rol in ons leven spelen, was tot een jaar of tien geleden deze eigenschap enigszins op de achtergrond geraakt. Andere eigenschappen van planten, zoals kleur, grootte e.d. kregen door selectie een prominentere plaats en veel nieuwe cultivars geurden niet. De laatste jaren is er gelukkig weer sprake van een toenemend geurbewustzijn. Bij onder andere rozenveredelaars zijn er weer lijnen met geurende rozen ontwikkeld. Ook is uit een recent marktonderzoek gebleken dat bij 75 % van de Nederlanders geur een belangrijk aankoopcriterium is bij planten, zoals lavendel.

Geurende plantendelen

Niet alleen de bloemen en bladeren van planten geuren. Ook vruchten (citrus, jasmijn), zaden (Ginkgo), schors (Magnolia stellata), knoppen (Cedrus), hars, gommen (Pinus) en wortels (Iris) geven geur af. Geuren worden veroorzaakt door vluchtige/gasvormige chemische stoffen die zich door de lucht verspreiden. Geurstoffen zitten vaak in de door de plant aangemaakte etherische olie, zoals bij lavendel, citrus, munt en roos. Deze olie verdampt bij normale buitentemperaturen. De olie kan in diverse delen van de plant worden geproduceerd door speciale klieren. Soms zijn deze klieren op de blaadjes van planten zichtbaar, zoals bij hertshooi.

Functie van geur: communicatiesignaal (aankomen of afblijven)

Dat planten geuren is natuurlijk niet alleen om de mens te behagen. Geurende bloemen trekken namelijk dieren, als insecten aan voor de bestuiving. Vruchten die geuren, trekken dieren, zoals vogels en insecten aan voor de verspreiding van de zaden. Bladeren verspreiden soms juist geuren die dieren of insecten afstoten. Andere planten verdampen op hun beurt olie, waardoor energie ontstaat om de plant bovengronds te koelen, zoals bij lavendel. Geurstoffen in hout en in knoppen zijn afkomstig van hars dat bedoeld is om rotting tegen te gaan.

Bestuiving en bloemgeur

De geuren van bloemen die door insecten, zoals bijen en hommels worden bestoven, zijn vaak min of meer zoet te noemen. Zogenaamde avond- of nachtbloeiers hebben vaak een heel sterke geur, vooral om nachtvlinders aan te trekken. Bloemen die door vogels worden bestoven hebben vaak geen geur. Bloemen die kevers bestuiven hebben uiteenlopende geuren van zoet tot weezoet en stinkend toe. De geuren van bloemen waar vliegen hun werk doen hebben eveneens een voor de mens onaangename geur (aasgeur).

Gaschromatografie

De geurbeleving bij mensen ontstaat wanneer via reukzintuigen en hersenen, geurprikkels worden omgezet in een geursensatie. Geuren kunnen, afhankelijk van aard en hoeveelheid sterk persoonsgebonden zijn, maar ook universeel. Bovenmatig zoete geuren kunnen irriteren. In ieder geval is geur sterk gekoppeld aan smaak. Geuren kunnen worden aangeduid als zoet; weezoet, kruidig; zurig, harsachtig en onaangenaam. 

In het plantenrijk zijn rond de 700 individuele geurstoffen bekend, die in een aantal grote groepen zijn ingedeeld, waarvan terpenen (b.v. Limoneen in citrus), benzenen (b.v. vanille in Vanilla plantifolia) en aminen de belangrijkste zijn. Aangename geuren zijn vaak afkomstig van terpenen en benzenen en onaangename geuren van aminen.

Geur en omstandigheden

Temperatuur heeft grote invloed op het manifesteren van geuren. Hoge temperaturen zorgen voor sterkere verdamping met als resultaat meer geur. Ook weinig wind en droge lucht dragen hieraan bij. Op een zwoele zomeravond, als aan alle ingrediënten wordt voldaan, kan de lucht zwanger zijn van aangename geuren.

Naast dat temperatuur belangrijk is, is ook het bloeistadium en de levensfase van de plant belangrijk voor het al dan niet sterk geuren van een plant. Het tijdstip van de dag kan hier invloed op hebben, maar ook het ideale moment van bestuiving speelt een rol in het geheel. Sommige planten, als Mahonia en vlier kunnen in een vroeg stadium een aantrekkelijke zoete geur verspreiden, die in een later stadium juist weer weezoet kan zijn.

Gebruik geurende planten

Van de geurende eigenschappen van planten wordt door de mens al eeuwenlang gebruik gemaakt. Vooral voor de parfumindustrie is deze eigenschap van groot belang. Denkt u daarbij aan lavendelolie, rozenolie en neroli-olie van Citrus aurantium. Deze oliën, maar ook andere plantendelen worden eveneens gebruikt in cosmetica, geurartikelen en levensmiddelen (bergamotolie: Earl Grey thee). Wist u trouwens dat er 5.000 kg bloemblaadjes nodig is om 1 liter rozenolie te produceren?

Er is ook onderzoek naar de invloed van plantengeuren op het welbevinden van de mens gedaan. Over dit onderwerp is veel bekend en beschreven. Vooral over bekende soorten, zoals lavendel, roos en rozemarijn is veel bekend. Significant is aangetoond, dat lavendel bijvoorbeeld kan helpen tegen slapeloosheid en dat rozemarijn kan helpen bij vermoeidheid. Hoewel de werkzaamheid van een en ander is aangetoond is er geen chemische of fysieke verklaring voor. Wel speelt de verwachting van de werking een grote rol. Geurbeleving is verder sterk cultuurgebonden en persoonsafhankelijk (door belevingen en associaties uit het verleden).

Na deze uiteenzetting over geur volgde nog een PowerPoint presentatie met beelden van geurende tropische planten, geurende bloembollen, kruiden en vaste planten en houtige gewassen. Ook is stilgestaan bij planten met een minder aangename geur, zoals Lysichiton americanus en Amorphophallus titanum (beide aronskelkachtigen).

Wie deze planten allemaal nog eens op een rijtje wil zien kan het best surfen naar: http://www.tuinbouw.nl/files/page/Geurende%20Houtige%20Gewassen.pdf Dit is een PDF van het artikel over geurende gewassen in het blad Dendroflora 42 (2005) van de hand van Marco Hoffman. Hier zijn alle behandelde planten te vinden.

Anneke Duyvesteijn

Grassen

De thema-avond over Siergrassen, die verzorgd werd door de heer Emiel van den Berg uit Breda, werd bezocht door ruim 40 personen. Na een korte inleiding over grassen en siergrassen in het algemeen, liet de heer van den Berg, aan de hand van een diapresentatie, een 50-tal grassen de revue passeren. Hierbij werd er door de heer van den Berg op gewezen, dat er voor elke plaats wel een siergras te bedenken is; voor droge plaatsen onder hoge bomen tot drassige vijverranden, zelfs tot in het water.  Naast dwergsoorten van amper 30 cm  kwamen ook reuzen tot wel vier meter  aan de orde, maar ook wintergroene grassen waren van de partij. Tegelijkertijd werden door de heer van den Berg nog enkele vooroordelen over grassen uit de weg geruimd. Siergrassen zijn namelijk niet alleen in het najaar interessant. Van het vroege voorjaar tot in de winter toe kunnen siergrassen een ‘sierraad’ voor de tuin zijn. Al in mei gaan de eerste soorten bloeien en bij sommige grassen is er in de winter zelfs sprake van een ‘wintersilhouet’. Ook stelde de heer van den Berg dat niet alle grassen woekeren of uitzaaien of een agressieve groeiwijze vertonen. Naast de siergrassen, toepasbaar in de siertuin was de diapresentatie verder nog doorspekt met plaatjes uit de natuur en plaatjes van de oorspronkelijke vindplaatsen van grassen die in cultuur gebracht zijn. Verder liet de heer van den Berg ook de verschillen in bloemvorm bij de diverse grassen  zien.

Al met al was er sprake van een geslaagde avond, die een goed inzicht heeft gegeven in de wereld der grassen.

Eetbare groente uit de natuur door Karel Gort op 13 februari 2014

Op donderdagavond 13 februari 2014 heeft natuurgids Karel Gort een lezing geven over eetbare planten in de natuur met daarin ‘vergeten groente’ verweven. Visueel nam Karel de bezoekers mee op een reis tussen tuin en duin om te laten zien, wat de natuur ons aan lekkernijen biedt, die voor veel geld in de schappen van de supermarkten liggen, zoals sla, knoflook, wortels, aardperen, bessen en nog veel meer. Meer dan 70 mensen waren aanwezig; een gegeven dat dit onderwerp leeft!

Er is veel meer eetbaars in de natuur dan we denken. Het is echter niet zo, dat wat de natuur ons biedt voldoende is om de bevolking in leven te houden bij calamiteiten. De hoeveelheid eetbare planten is ook afhankelijk van het gebied. Zo zal er op de Veluwe meer te vinden zijn, dan in een Randstedelijke omgeving. Ook is het een gegeven, dat iets wat eetbaar is niet per definitie ook smakelijk is.

Groente in of vlak bij zee (zeegroente)

Tot de eetbare wilde planten die in of vlak bij zee groeien en die je bij laag water kunt plukken behoren onder andere zeekraal, zeesla, lamsoor en strandbiet. Ze zijn vooral te vinden op de kwelders langs de Waddenzee en in Zeeland en op slikken en schorren langs de Oosterschelde.
De bekendste zeegroente is zeekraal. Zeekraal is beschermd, hoewel vooral aan de Waddenkust de vloedlijn er vol mee staat. Rauwe zeekraal is heerlijk knapperig in een salade, maar stoven of even op hoog vuur roerbakken is ook lekker. Het is smakelijk bij vis of in een omelet.

Zeesla is een eenjarig wier, dat vol mineralen en vitamines zit en dat vooral in getijdepoeltjes groeit. De sla kunt u bakken in boter; laat de sla afkoelen en eet het dan als salade.

Lamsoor

Zowel de lange smalle blaadjes van de zeeaster (Tripolium vulgare) als de spatelvormige bladeren van zeelavendel (Limonium vulgare) een lid van de strandkruidfamilie die ook in de duinen net boven de waterlijn, dus op zilte grond groeit, staan als lamsoor bekend. Beide planten hebben mooie bloemen die lila bloeien. De bladeren zijn te eten als spinazie, rauw in een salade, gestoofd of geroerbakt. De (vaak gekweekte) lamsoor in de viswinkel is altijd zeeaster.

Strandbiet
De strandbiet of zeebiet is als soort de basis voor bieten, dus de voorvader de suikerbiet, voederbiet, snijbiet en onze rode kroot. In Nederland is de strandbiet zeldzaam en komt voor aan de voet van duintjes en zeedijken (vanaf Goeree-Overflakkee en dan naar het zuiden).

Zeekool of Crambe maritima

Deze kool is zoutminnend en komt vooral voor langs de Atlantische kusten van Frankrijk, Engeland en Denemarken. In Nederland is het een beschermde plant en is in het wild langs de Afsluitdijk en op Texel te vinden. Op Texelis deze groente voor de handel in cultuur genomen. De stengels kunt u eten door ze te blancheren of te roerbakken.

Verder van de zee: in duinen en langs dijken

In de duinen is vooral de duindoorn een opvallende verschijning. De duindoorn (Hippophae rhamnoides) heeft opvallende oranje, eetbare bessen, die vol vitamine C zitten en naar sinaasappel smaken. Het gewas komt voor in open, kalkrijke duinen. Op het moment zijn er nog volop bessen aan de struiken te vinden. In ‘normale’ winters zouden vogels zoals spreeuwen en kramsvogels de struiken al lang kaal gegeten hebben. Zijn de bessen aan de struiken gegist, dan kunt u nog wel eens een dronken vogel tegenkomen. Door de warme winter zijn deze vogelsoorten deze keer echter massaal weggebleven. Van deze bessen kunt u overigens heerlijke jam of gelei maken. Ook dauwbraam die in de duinen te vinden is, is erg smakelijk.

De vlierbes is eveneens in de duinen te vinden. Het is beter om vlierbessen eerst te koken voor ze te eten. Van deze bessen kunt u heerlijke jam of saus maken. De bloesem van vlier kunt u gedoopt in beslag bakken als een pannenkoek. Van vlierbesbloesem kunt u limonade maken.

De boksdoorn is verwilderd in Europa, maar komt van oorsprong uit Azië. Het is een lid van dezelfde familie als de aardappel, de familie der nachtschaden. De bessen van de boksdoorn zijn eetbaar, maar de rest van de plant is giftig. De bessen staan ook bekend als Gojibessen en zijn rijk aan vitamines en antioxidanten. In België beschouwt men deze plant als gevaarlijk. Er zijn namelijk gevallen bekend, dat het gebruik van de bessen een negatief effect op de bloedstolling heeft. Ook kan het gebruik van de bessen allergieën oproepen, dus voorzichtigheid is geboden.

Langs het strand en in de duinen groeit ook stekend loogkruid. De zaden van dit kruid gebruikt men in sushi en andere gerechten om de speciale zoutsmaak.

Een plant die ook in het wild te vinden is, is winterpostelein of Claytonia perfoliata. De smaak van deze plant zit tussen spinazie en postelein in.

Mooi is ook heemst, Althea officinalis uit de familie der kaaskruidachtigen. Heemst komt voornamelijk voor in brak water in rietmoerassen, in slootkanten en verruigde gebieden en is ook langs het IJsselmeer te vinden. Het zetmeel van de wortel van heemst gebruikte men vroeger voor snoepgoed als marshmallows en spekjes.

De wilde pastinaak komt voor in bermen, uiterwaarden en op dijken en soms zelfs massaal. Ook op open plekken in de duinen is de plant te vinden. De plant bloeit van juni tot de herfst met gele schermen en wordt in november geoogst. De wortels bevatten veel zetmeel. Wilde pastinaak is lid van de familie der schermbloemigen en moet niet verward worden met dodemansvingers, een schermbloemige die ook langs de kust voorkomt, maar waarvan de wortel zeer giftig is.


Veldsla komt in het wild voor in bermen en op dijken en hellingen op vochtige, voedselrijke grond.

Deens lepelblad is een eenjarige plant die behoort tot de kruisbloemigen en is te vinden op strand, duinen en op dijken. De laatste jaren komt deze zoutminnende plant steeds vaker voor langs wegen die in de winter gepekeld worden.

Zoutminnend is ook de hertshoornweegbree die groeit op ziltige, zandige plekken in duinen, op zeedijken, hoge schorren en stranden.  Kan als groente van maart tot augustus worden gezaaid en is al na zeven tot acht weken te oogsten. De jonge bladeren zijn geschikt voor consumptie. Ze kunnen worden gekookt of rauw in salades worden verwerkt.

Op weg naar huis

De grote zandkool is een overblijvende plant die ook wel  wilde rucola wordt genoemd (Diplotaxis tenuifolia). Hij hoort tot de familie der kruisbloemigen. Grote zandkool kan als rucola worden gebruikt. De plant komt voor op droge, voedselrijke grond langs spoorwegen, in wegbermen, in het stedelijk gebied tussen stenen, maar ook in de duinen. De plant bloeit met zwavelgele bloemen. Kleine zandkool komt ook in het wild voor.

Vervelend in tuinen is zevenblad, maar dit kruid kunt u niet alleen als salade eten, maar er ook pesto van maken. Ook kunt u het jonge blad als spinazie bereiden.

Vogelmuur kunt u eveneens als spinazie bereiden of als waterkers aan een salade toevoegen.

Naast al deze wilde planten was er ook aandacht voor vergeten groente, zoals schorseneren, rammenas en mierikswortel en een niet eetbare kruising van een aardappel en een tomaat: de Tom Tato.

Afsluitend nog een tip:

In Nederland is het wettelijk verboden paddenstoelen, wilde planten, vruchten en bloemen te plukken zonder toestemming van de grondeigenaar. Meestal wordt het oogluikend toegelaten. Belangrijk is dat u respectvol aan de slag gaat: pluk met terughoudendheid, pluk nooit alle vruchten of bloemen op één plek weg! Plukt u niet in bermen vlak langs wegen, want daar kunnen de planten door uitlaatgassen verontreinigd zijn.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

De zaak van grond is de grond van de zaak

De zaak van de grond is de grond van de zaak.

Op donderdag 10 februari 2011 was Marie-José Meertens uit Boxtel aanwezig om te praten over tips en trucs voor het maken van compost en het belang van compost voor de verzorging van de bodem.  Tot voor kort was zij tuinvoorlichter van ‘De Kleine Aarde’, Centrum voor Duurzaam Leven, dat helaas door geldgebrek ter ziele is gegaan. Naast het feit dat ze zich ook inzet voor de plaatselijke Groei & Bloei afdeling van Boxtel, werkt ze ook voor de AVVN, de Algemene Vereniging van volkstuinen in Nederland. Als milieukundige weet Marie-José heel veel van ecologie en de bodem en die kennis wilde ze graag met de bezoekers delen.

De basis van tuinieren is bodemverzorging

Omdat tuinieren niets anders is dan het op kunstmatige wijze beheren van de natuur, is het handig om je te laten leiden door de natuur, maar ook met de natuur mee te werken. Deze samenwerking heet ‘natuurlijk tuinieren’ en stimuleert het gegeven dat planten in de tuin hun voeding via de bodem krijgen. De bodem is als de maag van de plant. Hoe beter de structuur van de grond is hoe beter de plant voedingsstoffen kan opnemen uit de bodem. Ook een goed bodemleven is van belang. In en onder de grond doen talloze organismen, mits ze van ons die kans krijgen, hun nuttige werk.

Het verzorgen van de bodem kan door het toedienen van kunstmest. Kunstmest, dat mineraal van oorsprong is voedt de plant weliswaar rechtstreeks en snel, maar spoelt ook weer snel uit. Organische bemesting voedt de plant via de bodem, bouwt humus op, maar voedt en verzorgt ook het bodemleven.

Natuurlijke kringloop

Dit bodemleven heeft een belangrijke rol in de natuurlijke kringloop, zoals we die ook in een bos aantreffen. Bladeren, bijvoorbeeld, verteren door organismen, insecten en regenwormen en het verteerde materiaal zorgt ervoor dat het bos zonder bemesting door blijft groeien. Het is een kwestie van eten of gegeten worden. Dit proces kunt u ook in eigen tuin creëren door organisch materiaal te composteren.

Composteren is een van de hulpmiddelen van de natuur, waarmee een tuinier de planten in de tuin een grote dienst kan bewijzen, maar ook een evenwicht kan creëren tussen plant, dier en mens. De biodiversiteit in uw tuin zal er zeker door toenemen. Om te kunnen composteren zult u wel een aantal randvoorwaarden moeten scheppen.

Medewerkers gevraagd

Bij het composteren hebt u als tuinier de hulp van ‘medewerkers’ uit de natuur nodig. Bij het omzetten van organisch materiaal zijn vooral straalschimmels belangrijk, maar ook aaltjes, springstaarten, pissebedden, kreeftachtige organismen en mijten. In een goede composthoop bivakkeren ook rode wormen, Eisenia fetida. Deze mestworm is 6 tot 13 cm lang wordt en heeft een belangrijke taak bij het composteringsproces. Bij het starten van een composthoop is het handig om wat van deze wormen bij een bevriende tuinier uit een composthoop te halen en hiermee de eigen hoop te enten. Vult u vat of bak met ongeveer gelijke delen, dus zowel nat als droog materiaal ofwel groen of bruin materiaal.

Keuze compostsysteem

Het is belangrijk om een compostsysteem te kiezen dat bij de grootte van de tuin past. Voor kleinere tuinen is een vat ideaal. Deze zijn in diverse maten verkrijgbaar. Kies het liefst voor een dubbelwandig exemplaar, waar lucht voor een betere temperatuurregeling zorgt. Bij het gebruik van een vat kunt u door blijven composteren. Als de massa zakt is het afbraakproces aan de gang.

Voor een grotere tuin kunt u bakken maken van ongeveer 1m³. U kunt ze maken van planken, pallets of met gaas of betonijzer. Het is wel handig om te zorgen, dat de voorkant verwijderbaar is. Ook is het gebruik van een deksel aan te bevelen, zeker bij nat weer of bij het afrijpen van compost. U kunt ook een mat of een zeil gebruiken.

De beste plaats voor een composthoop of bak is een plaatsje in de zon of halfschaduw. Zorgt u er wel voor dat er voldoende ruimte is om te werken. Een hoop bouwt u direct op de grond, terwijl u een vat op een vlakke ondergrond zet die goed doorlatend is. Deze vlakke ondergrond kan bestaan uit enkele tegels die 5 cm uit elkaar liggen.

In een plastic zak met gaten kunt u trouwens heel goed blad composteren. Na een jaar hebt u half verteerde compost en na twee jaar prachtige bladaarde.

Methodes om te composteren

Er zijn diverse manieren om te composteren. De methodes die Marie-José Meertens de revue deed passeren, waren de hete of wel rode methode, de koude of wel blauwe en de paarse methode.

De rode methode houdt in dat de hoop heet moet worden. In een dergelijke composthoop kan de temperatuur in het meest gunstige geval al in drie tot vier dagen tot wel 70°C oplopen. Het hele broeiproces duurt ongeveer 20 dagen. Om de temperatuur op peil te houden is het belangrijk om de hoop geregeld om te zetten zodat de temperatuur gehandhaafd blijft en het omzetten (afbraak van het materiaal) doorgaat. Na de afbraakfase vindt het rijpen van compost plaats en u kunt het na een tweetal maanden oogsten.

Bij de blauwe methode vult u het organische materiaal steeds aan. De bak moet minimaal met 30 cm materiaal gevuld zijn. Werkt u de massa elke week met een stok of riek door en na een maand of drie zult u onderin de bak mooie compost kunnen oogsten.

Bij de paarse methode vult u de bak helemaal en u zet de inhoud om wanneer er tijd of gelegenheid is. Het proces zal dan wel langer duren, maar het feit dat u compost maakt is al positief. Probeer in ieder geval de hoop minstens elke drie maanden om te zetten en zorg er voor dat het materiaal voldoende vochtig blijft.

Naast het boven de grond composteren kunt u ook onder de grond composteren. Dit heet met een Engels woord: ‘Trench composting’. In een geul van 30 cm diep en breed wordt organisch materiaal gestort en afgedekt. Hierop kunt u in het voorjaar dan bonen of komkommers planten. Aangevuld met paardenmest is dit een goede bodem voor meloenen. Er zijn ook speciale wormencompostbakken, die ideaal zijn voor op het balkon. Hierin kunt u keukenafval composteren.

Succesvol composteren

Om succesvol te composteren hebt u afval van verschillend materiaal nodig. Dat is ten eerste koolstofhoudend (droog) materiaal, zoals versnipperd snoeihout, stro en ook wel hooi. Op de tweede plaats is het stikstofrijk materiaal, zoals gras en vers tuinafval. Een goede variatie van die twee stoffen bevordert de broeiwerking en zorgt voor de juiste verhouding van zuurstof en vocht in het compost. Hoe kleiner het aangevoerde materiaal is hoe fijner het werkt. Als er weinig activiteit in de hoop is, kan het zijn dat er te weinig groen materiaal aanwezig is. Houdt u er ook rekening mee, dat een composthoop vegetariër is. Verder is het verstandig om zieke plantenresten, onkruid met zaad, wortels van wortelonkruiden, gekookte keukenafval, ontlasting van katten en honden en aarde en zand ver van de composthoop te houden.

Als u rijke compost wilt dan is het verstandig om wat stalmest of paardenmest aan de hoop toe te voegen. Zorgt u echter altijd voor voldoende evenwicht. Vooral voor de moestuin werkt dit uitstekend. Gewone compost is prima voor de siertuin. Wilt u kalirijke compost dan is het handig om stukjes smeerwortel aan de hoop toe te voegen. Het planten van Symphytum grandiflorum in de border is trouwens ook een uitstekende manier om zevenblad te lijf te gaan.

De toepassing van compost

Siertuin compost kunt u in het voorjaar aanbrengen als de bodem nog vochtig is en al is opgewarmd. Brengt u een laag van ongeveer 5 cm aan tussen de planten om te voeden en vocht vast te houden. Het bodemleven zorgt ervoor dat compost wordt verwerkt. In het najaar kunt u opnieuw een laag aanbrengen om de planten tegen de weersinvloeden te beschermen.

Vooral bosplanten zullen het waarderen. Omdat compost bij regelmatig gebruik zuurbindend is, kunt u bij zuurminnende planten beter geen compost gebruiken. Over het gazon kunt u fijn gezeefde compost strooien (2 kg per vierkante meter). Goed gerijpte compost is steriel en bevat geen onkruidzaden. Bij de aanleg van een siertuin kunt u om de bodem te verbeteren 12 – 20 kg compost per vierkante meter verwerken.

Moestuin

In de moestuin is compost te gebruiken als basisbemesting, 6 tot 10 kruiwagens per 100m². Toedienen gebeurt in het najaar wanneer u de grond niet spit in het voorjaar, anders kunt u het in het voorjaar inwerken. Bij gewassen die veel voeding vragen, zoals kook, kunt u bij mesten met organische meststoffen.

Anneke Duyvesteijn

 

 

Hamamelis

Bie Wouters

Verslag Lezing door Wim van der Werf: De winter in bloei – de schoonheid van Hamamelis

Op donderdagavond 9 februari was Wim van der Werf uit Boskoop, beheerder van de Nederlandse Planten Collectie Hamamelis, te gast om een lezing te geven over deze heester. Hamamelis is een winterbloeier, die afhankelijk van soort of cultivar in de meest prachtige verschijningsvormen en kleuren voorkomt, variërend van zachtgeel tot bruinrood. Naast het feit dat de kleuren van Hamamelis in deze tijd van het jaar een welkome aanvulling voor een saaie wintertuin zijn, is het ook niet onbelangrijk om te weten, dat een aantal van deze winterbloeiers ook nog eens heerlijk geuren. In ons klimaat bloeit Hamamelis voornamelijk in de maanden januari en februari. Er zijn echter ook cultivars die eerder of later bloeien. Hamamelis is verder een vrij gemakkelijke en langzaam groeiende struik die vrijwel nooit ziek wordt of last van luis heeft. Hamamelis kan goed tegen de vorst en takken met knop die nog niet gebloeid hebben, gaan na de vorst gewoon verder.

Van werk naar hobby

Wim die ruim 45 jaar boomkweker is geweest, heeft sinds twee jaar van zijn werk zijn hobby gemaakt. Al 40 jaar verzamelt hij Hamamelis en tegenwoordig is hij de trotse bezitter van zo’n 135 verschillende cultuurvariëteiten in vier soorten. Wim kweekt ze op een klein eiland van ongeveer 5.000 m². Naast het verzamelen en in stand houden van zijn collectie, probeert Wim door  te zaaien en te selecteren variëteiten te vinden, die nog mooier van kleur zijn en nog lekkerder geuren. Dit heeft o.a. geresulteerd in Hamamelis x intermedia ‘Lansing’, een eigen selectie met bronskleurige bloemen.

What’s in a name? 

De geslachtsnaam Hamamelis is mogelijk afgeleid van twee Oudgriekse woorden ‘hama’ (tegelijk met) en ‘melon’ (vrucht); dit betekent dat de struik bloemen en vruchten tegelijk (in dit geval zaaddozen) draagt. Een andere mogelijkheid is Latijnse woord ‘hamatus’ wat haakvormig betekent (vorm vrucht). De Nederlandse naam van deze winterbloeier is toverhazelaar, een naam die er wel op moet duiden dat er iets magisch om deze struik heen hangt. Toverhazelaar is weer een vertaling van de Amerikaanse benaming van de struik: ‘Witch Hazel’. ‘Witch’ betekent in dit geval niet ‘heks’, maar refereert naar de buigzame takken van de struik. De oorspronkelijke bevolking van Amerika, de Indianen, gebruikten de takken van Hamamelis virginiana als wichelroede om waterbronnen te vinden.

Van Amerika tot Japan en China

H. virginiana is een van de twee soorten die uit het oosten van Noord-Amerika afkomstig zijn, waar ze vaak tegen hellingen groeien. H. virginiana bloeit niet in het voorjaar, maar in september/oktober en heeft een onopvallende bloei. Deze soort heeft weinig sierwaarde, maar is uitermate geschikt als onderstam voor andere toverhazelaars. De andere Amerikaanse soort is H. vernalis. Een bekende cultivar van vernalis is Hamamelis vernalis 'Quasimodo'. Dit is een soort die door zijn grootte uitermate geschikt is voor de kleinere tuin. Deze toverhazelaar heeft ook nog eens een sterk kruidige geur. Helaas is deze Hamamelis slecht verkrijgbaar, omdat hij langzaam groeit (niet interessant voor de handel). 

Naast de Amerikaanse Hamamelis komen de andere twee soorten van dit geslacht uit China en Japan. De Chinese H. Mollis is, aldus Wim van der Werf, de toverhazelaar met de beste geur. Hij groeit van oorsprong vooral langs de oevers van de rivier de Yangtze. Hij bloeit met grote gele bloeiwijzen. Deze struik kan wel tussen de 3.00 en 5.00 meter hoog groeien en heeft een rode kelk en een opstaande gestrekte bloem, waar u dus in kunt kijken. Prachtige exemplaren van H. Mollis zijn te vinden in Savill Garden, The Great Park in Windsor in Engeland. Tegenwoordig wordt deze soort bijna niet meer gekweekt. De Japanse soort H. Japonica komt overal in Japan voor, geurt niet echt, maar is wel sterk te noemen. Een van de oudste cultivars is H. japonica ‘Zuccariniana’, welke door Philip F. Von Sieboldt in 1862 hier is ingevoerd. 

Cultivars

De cultivars van Hamamelis zijn ontstaan uit kruisingen van H. japonica en de Chinese Hamamelis mollis en de Noord-Amerikaanse H. virginiana en H. vernalis. Een kruising tussen japonica en mollis noemt men H. x intermedia. De goede eigenschappen van beide ouders zijn hierin terug te vinden: de kruidige geur en de herfstkleur van de Japanse en de uitbundige bloei en de sterke geur van de Chinese soort. H. x intermedia ‘Arnold Promise’ is een goed voorbeeld van een dergelijke kruising. Deze geel bloeiende cultivar heeft naast een mooie herfstkleur, ook ruim voldoende zijtakken en veel bloemen. De bloeitijd is februari/maart.  Een andere mooie cultivar is H. x intermedia ‘Rubin’ die rood bloeit en uitstekend winterhard is en licht geurt. De bloeitijd is januari/februari. Tegenwoordig selecteert men trouwens steeds meer op een latere bloei, omdat dit beter voor de handel is. 

Arboretum Kalmthout (www.kalmthout.be)

Voor alle gekweekte planten zijn er internationale normen voor de nomenclatuur van cultivars. Er bestaat een wereldwijd netwerk van registratieautoriteiten voor de verschillende plantengeslachten. De International Cultivar Registration Authority voor het geslacht Hamamelis is Arboretum Kalmthout. In dit arboretum, waar Jelena en Robert de Belder en zijn broer de grondleggers van zijn, zijn een aantal schitterende plantencollecties te vinden, waaronder Hamamelis. Naast verzamelaars van planten waren ze ook uitstekende veredelaars, ook op het gebied van Hamamelis. Een aantal bekende cultivars die door hen zijn geselecteerd, zijn: H. x intermedia ‘Diana’, een van de mooiste rood bloeiende met een goede herfstkleur; H. x intermedia ‘Danny’ met een kruidige geur; H. x intermedia ‘Robert’ en H. x intermedia ‘Livia’ (de cultivars zijn genoemd naar familieleden van de in 2003 overleden Jelena de Belder). Er is ook een H. x intermedia ‘Jelena’.

Dat het goed benoemen van cultivars belangrijk is, bewijst het bestaan van een ‘valse’ H. x intermedia ‘Pallida’. Terwijl de echte cultivar heerlijk geurt en mooie gele bloemen heeft, geeft de ‘valse’ cultivar heel veel blad en nietig kleine bloemen. 

Hamamelisnamen beginnend met een ‘A’ 

Komt u een Hamamelis tegen waarvan de naam met een A begint, dan is het heel goed mogelijk dat dit een selectie is van de inmiddels overleden J. van Heijningen, die zijn tuin had aan de Overaseweg in Breda. Van Heijningen was voorheen de beheerder van de Nederlandse Planten Collectie Hamamelis. Een mooie cultivar is H. x intermedia ‘Aurora’, die heerlijk geurende bloemen heeft. H. x intermedia ‘Amanon’, vernoemd naar zijn kleindochter (A)Manon heeft een mooie herfstkleur. Net in de handel is H. x intermedia ‘Arnhem’ die warmoranje van kleur is en lekker geurt. H. x intermedia ‘Aphrodite’ is ook oranje en heeft een heel mooie bloei van gestrekte bloemen. 

Andere mooie cultivars

Interessant is ook H. x intermedia ‘Doerak’. De kleur is erg mooi (warmgeel), de geur is minder en deze cultivar houdt ook tijdens de bloei zijn blad vast. H. intermedia ‘Glowing Embers’ heeft hangende bloeiwijzen en H. x intermedia Sunburst'' heeft een opgerichte bloei, groeit goed, maar heeft geen geur. H. x intermedia ‘Twilight’ heeft gestrekte bloemen en bloeit rood. 

Standplaats en verzorging

Hamamelis heeft een hekel aan natte voeten en groeit het best in een zanderige bodem. Bestaat de bodem van uw tuin uit klei, dan kunt u het beste een heel groot gat graven en dit opvullen met goede tuingrond en de struik als het ware op een heuveltje planten. Hamamelis houdt van een beetje zon en tegen een donkere achtergrond komt de plant het meest tot zijn recht. Het verdient geen aanbeveling om Hamamelis in een pot op het terras te zetten. Hamamelis wordt ook niet in de pot gekweekt. Alleen het laatste jaar voor verkoop gaan de planten voor de winter de pot in. Hamamelis heeft slechts af en toe wat mest nodig. Zogenaamde zuigers, uitlopers van de onderstam moet u verwijderen. Minder sterke Hamamelis zullen eerder zuigers vertonen. Hamamelis kan goed tegen de vorst en takken met knop die nog niet gebloeid hebben, gaan na de vorst gewoon verder. Van deze eigenschap maakt Wim ook gebruik als hij zijn Hamamelis tentoonstelt. In de vriescel worden de afgesneden takken van bloeiende exemplaren bewaard tot het tijdstip van de tentoonstelling daar is. 

Snoeien

In principe hoeft u een pas aangeplante Hamamelis niet te snoeien. Wilt u de plant echter klein houden dan verdient het aanbeveling om jaarlijks na de bloei, dus na de winter, het jonge hout van de plant te halen (bij afgaande maan). Dit moet u dan wel elk jaar herhalen. Jong hout kunt u, volgens Wim v.d. Werf, altijd snoeien, maar van het oude hout moet u afblijven. Af en toe een tak weghalen bij een oudere struik is niet erg, maar daar moet het dan ook bij blijven. Het jonge hout kunt u eventueel als enthout gebruiken; altijd 1 oog laten zitten. Problemen geeft Hamamelis doorgaans niet. Is er sprake van gescheurde bast, dan is dit mogelijk veroorzaakt door wateroverlast of vorst. Hierdoor kan Hamamelis mogelijk afsterven. Hamamelis houdt niet van erg wisselende omstandigheden. 

Selectie en vermeerdering 

De vermeerdering van Hamamelis vindt vooral plaats door door te enten op een onderstam van H. virginiana. Stekken is niet aan de orde, dat draait altijd op een mislukking uit.

Door zaad van Hamamelis te zaaien en te selecteren kunnen nieuwe cultivars ontstaan. Hierbij doet de natuur het werk. Het zaad is rijp in september / oktober en zit ondersteboven in de zaaddoos. Als het rijp is springt het zaad uit de zaaddoos weg. Om het te verzamelen vangt Wim het zaad op in een oude pantykous. Het proces van het oogsten van het zaad tot zaailing en het daarop volgende entproces duren ongeveer vijf jaar.

Het duurt echter ongeveer 8 – 10 jaar om te beoordelen of een plant mooi genoeg is om verder te kweken. Niet alleen de bloemen moeten mooi zijn en beter dan die bestaande variëteiten, ook de groeiwijze, habitus, gezondheid e.d. moeten verbeterd zijn.

Moderne bedrijven werken niet meer op deze traditionele manier, maar maken gebruik van geënt materiaal van speciale kwekerijen.

Waar te koop? 

Het beste kunt u Hamamelis kopen bij een gerenommeerd tuincentrum of bedrijf waar men verstand van zaken heeft en goed advies over kleur, geur en hoogte kan geven. Goede adressen zijn o.a.: Plantentuin Esveld (www.esveld.nl), Boomkwekerij Rein en Mark Bulk (bulk-boskoop.nl);Pieter Zwijnenburg (zwijnenburgjr@planet.nl) en Jan den Hertog (www.jandenhertog.nl).

Wim sloot de lezing af met een mooi gedicht over Hamamelis van Bie Wouters en zo kwam er op een winterse avond een einde aan een interessante lezing

Anneke Duyvesteijn

Heggen en hagen

Hagenspel in Sissinghurst
Witte tuin in Sissinghurst

Op donderdag 11 oktober jl. was Beline Geertsema uitgenodigd door Groei & Bloei Westland om een lezing te houden over heggen en hagen. Beline Geertsema heeft een eigen groenpraktijk en is voorzitter van de Nederlandse Tuinenstichting. Aan de hand van beelden liet Beline de toepassingen van heggen en hagen in binnen- en buitenland zien, zowel vroeger als in het heden.

 

Heggen en hagen

Volgens het internet schijnt het verschil tussen een heg en een haag te maken te hebben met de manier van beheren: een haag is een wild uitgroeiende heg (zoals een meidoornhaag) en een heg heeft als kenmerk dat deze geschoren of geknipt is. Daar is wat voor te zeggen. In ieder geval worden de termen in de praktijk door elkaar heen gebruikt. Het zijn het beplantingen van (half)heesters of houtachtige gewassen (bomen) in een rij, die dienen als afscherming of windkering.

 

Oorsprong

Hagen zijn er al zolang als dat er mensen op aarde wonen. Toen de mens zich op een stukje grond ging vestigen en in de ruimte rondom het huis gewassen ging telen, ontstond de behoefte om dit lapje grond te omheinen of wel te ‘omtuynen’ (hiervan is het woord tuin afgeleid). De eerste hortus conclusus of wel de omsloten tuin was een feit. In eerste instantie bestond deze omheining uit afgesneden takken en was bedoeld om de mens tegen de natuur en indringers te beschermen.

 

Maar ook in het landschap is het een oeroud gebruik om hagen te plaatsen, zo kennen we de boerenhagen uit het Maasheggenlandschap (weilanden met heggetjes) bij Boxmeer. Vaak waren deze hagen van meidoorn. Deze heggen zijn door de eeuwen heen grotendeels uit het Hollandse landschap verdwenen. Zo ook zijn in het eeuwenoude heggenlandschap bij Nisse in de Zak van Zuid-Beveland aanzienlijke delen van de kenmerkende haagbeplanting die de percelen van elkaar scheidden verloren gegaan. Natuurmonumenten vult alle hagen aan met soorten als liguster, vlier, meidoorn en sleedoorn (Zeeuwse haag). Deze tendens is ook in andere delen van ons land waarneembaar en dat is een goede zaak, want dergelijke hagen zijn bijzonder belangrijk voor de biodiversiteit en het ecologische evenwicht. De ontwikkeling van prikkeldraad is vooral debet aan het verdwijnen van het heggenlandschap.

 

Bij een zogenaamd coulisselandschap zijn open ruimtes door houtwallen van struiken en bomen omgeven (b.v. Friese Wouden). Vaak gebruikt men hier elzen en eiken. Om boomgaarden staan vaak elzen (deze boom houdt het langst zijn blad). Ook in Normandië in Frankrijk treffen we nog heggenlandschap aan; daar zijn de heggen op wallen geplaatst.

 

Geschiedenis en toepassing

Na het ontstaan van de hortus conclusus volgde de kloostertuin met zijn buxuskaders waarbinnen de diverse gewassen (groente, sierplanten) groeiden. Ook in de Renaissance is veelvuldig gebruik gemaakt van hagen en in die periode spelen buxushagen eveneens een belangrijke rol (parterre de broderie). Sinds de restauratie van Paleis Het Loo in Apeldoorn zijn buxushagen ook tegenwoordig weer volop in de mode. Een mooi voorbeeld van een renaissancetuin is Villa Lante in het dorpje Bagnaia, nabij Viterbo in Italië. In een boek met gravures van Vredeman de Vries (1562 -1606) zijn eveneens tal van voorbeelden van deze tuinen te vinden. Dichterbij huis waren de tuinen van Slot Zeist, met boomgaard, moestuin en siertuin een goed voorbeeld, waarbij hagen van bomen én struiken toonaangevend waren.

 

Bij doolhof en labyrint spelen hagen een grote rol en bij het creëren van perspectief kan een juist gebruik van hagen een verrassend resultaat opleveren. Verder zijn hagen uitstekend geschikt voor het verbergen van lelijke objecten en kunt u er tuinkamers mee maken. Tuinkamers zijn van oorsprong trouwens ontstaan om gewassen tegen de wind te beschermen. Een prachtig voorbeeld van een tuin met tuinkamers is Sissinghurst in Engeland; in iedere kamer kunt u een andere sfeer realiseren. Ook in Afrika bij de Massai ziet u het gebruik van hagen d.w.z. acaciahagen vol met doorns om het vee af te schermen.

 

In de 19e eeuwse tuin, waarin vaste planten een rol gaan spelen, is de haag als achtergrond belangrijk. Dit om rust te brengen in het geheel. Vaste planten hebben iets straks nodig om beter tot hun recht te komen.

Een haag op poten komt goed van pas als u inkijk van de buren wilt voorkomen. Bij oude boerderijen deden lindes vroeger dienst als zonnescherm. Ook tegenwoordig ziet u deze toepassing terug.

 

Iedere struik kunt u voor een haag gebruiken. Mooi zijn bijvoorbeeld hagen van Fuchsia, Forsythia, Hibiscus en Cornus Mas. Ook Acer campestre, de veldesdoorn, vooral die met rode uitlopers in het voorjaar, is een goede keus. Met beuken (Fagus sylvatica) en haagbeuken (Carpinus betulus) kunt u trouwens ook mooie hagen maken. De beuk houdt i.t.t. de haagbeuk in de winter zijn blad vast. Dit komt door het snoeien. Het blad blijft alleen op het jonge hout lang aan de struik. De allermooiste groenblijvende haag is Taxus. Ook halfheesters, zoals lavendel zijn goed te gebruiken voor lage heggetjes.

 

Snelle wintergroene hagen:

  • Prunus laurocerasus
  • Liguster
  • Thuja
  • Taxus media ‘Hicksii’
  • Lonicera nitida
  • C. x Leylandii (groeit 1 meter per jaar – 3 x per jaar snoeien).

 

Wintergroen, matig snelle groeier:

  • Prunus laurocerasus ‘Caucasica’
  • Escallonia (half wintergroen)
  • Berberis julianae, heel gemene stekels
  • Aucuba japonica
  • Pyracantha, vuurdoorn

 

Langzaam groeiend, wintergroen

  • Bamboe
  • Taxus baccata
  • Ilex, hulst
  • Mahonia
  • Eleagnus pungens en E. ebbengei (zeewind verdragend)
  • Buxus sempervirens
  • Viburnum tinus

 

Onderhoud:

Voor hogere hagen gebruikt u een maaibalk of een elektrische heggenschaar (al dan niet op stok). Het is handig om hagen taps af te laten lopen: bovendeel iets smaller dan onderkant. Hierdoor komt er op de onderkant van de haag ook zonlicht. Bij het aanplanten van o.a. beukhagen is het belangrijk om de haag 2/3 deel af te knippen.

Bij het planten van een haag graaft u een geul en u spant het beste een lijntje.

 

Overige tips:

  • Buxus: om te voorkomen dat buxushagen steeds dikker en hoger groeien, is het verstandig om de hagen tot op het hout van het vorige jaar te snoeien. Het afsteken van de wortels is ook een optie.

 

  • Taxus kunt u tot op het bot terugsnoeien. Dit i.t.t. andere coniferen. Daar moet altijd wat groen op blijven om weer uit te kunnen lopen. Taxus kunt u ook in een aantal jaren en in delen smaller en lager maken. Normaal snoeit u Taxus 1 x per jaar in augustus.

 

  • Iedere tuin zou voor 1/3 deel uit groenblijvende planten moeten bestaan. Hiermee geeft u structuur aan de tuin en is er in de winter ook nog wat te zien.

 

  • Hebt u een te kleine tuin voor een haag, dan kunt u klimplanten (Clematis, rozen) langs een rek laten klimmen. Tegenwoordig zijn er ook rekken met o.a. Hedera die u met plant en al als afscheiding kunt plaatsen.

 

Volop bijgepraat over heggen en hagen gingen de bezoekers aan het einde van de lezing huiswaarts!

 

Anneke Duyvesteijn

Herfst, het vergeten seizoen door Hans Kramer van De Hessenhof in Ede

Verslag presentatie Hans Kramer Kwekerij ‘De Hessenhof’ uit Ede: Herfst, het vergeten seizoen op woensdag 21 september 2016

 

Al meerdere malen was Hans Kramer te gast bij Groei & Bloei Westland en niet voor niets, want Hans weet, met zijn 35 jaar ervaring, als geen ander bijna alles over vaste planten en het gebruik ervan in onze tuinen. In de biologische kwekerij van Hans, kwekerij ‘De Hessenhof’ krijgen planten, zoals hij zelf zegt, nog de tijd om te groeien. De keuze op de kwekerij is enorm. Dat komt omdat er op de kwekerij ruim 7.000 soorten moederplanten staan, waarvan minstens de helft worden vermeerderd. Als tuiniers kunnen wij hiermee ons voordeel doen, want op deze kwekerij kunnen we bijna elke plant van onze gading vinden: voor elk plekje in de tuin is er wel iets.

 

Biologisch: lang levend

De vermeerdering vindt op biologische wijze plaats en dat heeft als voordeel, dat planten langer leven. Dit in tegenstelling tot zogenaamde turboplanten, of zoals u wilt plofplanten, die snel worden opgekweekt en bijvoorbeeld voorgetrokken zijn. Hans pleit dan ook voor het gebruik van ‘vrije’ niet gepatenteerde planten die zichzelf bewezen hebben. Denkt u hierbij aan oude rassen, zoals Anemone ‘Honorine Jobert’ die al sinds 1895 ongeëvenaard is. En wat te denken van Cimicifuga rubifolia ‘Blickfang, een van de langstlevende zilverkaarsen, die meer dan 50 jaar oud kan worden.

 

Herfstpracht

Terwijl heel veel mensen denken, dat de herfst qua bloei niets meer te bieden heeft, is de werkelijkheid het tegenovergestelde. Dat mensen dit denken is niet vreemd en wordt alleen maar bevestigd door het feit, dat er in veel tuincentra bijna geen herfstbloeier te vinden is. Dat is jammer, vindt Hans. Bij De Hessenhof kunt u echter uw hart ophalen en ervoor zorgen, dat uw tuin ook in de herfst een kleurenspektakel is. De oogst van het seizoen uit zich in de volle plantbedden in de nazomer. Het hebben van herfstbloeiers in de tuin heeft ook nog eens als voordeel, dat er vanaf het vroege voorjaar tot aan de bloei al van de plant, in opbouw, genoten kan worden. Dit jaar zullen de herfstkleuren, volgens Hans, door het mooie en droge nazomerweer en de soms al koude nachten waarschijnlijk mooier dan ooit zijn.

 

Snelle beworteling

Omdat de bodem in de herfst nog warm is, heeft het planten in het najaar ook nog eens voordelen. Door de warme bodem vindt de beworteling sneller plaats en kunnen de planten in het volgende voorjaar direct van start. Hans adviseert wel om in de herfst wat dieper te planten, zodat de vorst de wortelkluit niet naar boven kan drukken. Er zijn ook vaste planten die u beter in het voorjaar pas in uw tuin kan zetten, zoals Agapanthus, Salvia, Anemone en Kniphofia. Ook Strobilanthes kunt u beter in het voorjaar planten.

 

Plantenbijbel

Om u bij het vinden van de juiste plant op de juiste plaats te helpen, is het handig om de plantengids van de Hessenhof in uw bezit te hebben. Hierin vindt u Informatie over ruim tweeduizend soorten planten: een selectie van de beste planten die zich meer dan bewezen hebben. Deze gids kost € 4,00 en is een must voor iedere tuinier.

Tijdens zijn presentatie ging Hans aan de hand van afbeeldingen in op een groot aantal prachtige herfstbloeiers en op in het oog springende combinaties, zoals siergrassen samen met composieten.

 

Een aantal van de planten die door Hans behandeld zijn:

 

·         Selinum wallichianum, een wat minder bekend gras, dat insecten en vogels aantrekt.

·         Panicum virgatum ‘Shenandoah’ een aanrader in combinatie met Helenium ‘El Dorado’, met grote, gele bloemen, die lang bloeien.

·         Salvia ‘Nachtvlinder’, Salvia ‘Royal Bumble’ en Salvia ‘Black and Blue’, planten die u ter bescherming tegen de vorst zou kunnen afdekken met blad. ‘Nachtvlinder’ is een spontane zaailing van ‘Royal Bumble’ en is in 2008 opgemerkt door Frank Fischer, die toen op de kwekerij werkte en inmiddels zelf in Freiburg, Duitsland, meer dan 400 soorten Salvia kweekt.

·         Aster thompsonii, een topaster met een veelheid aan fijne helderblauwe straalbloemen.

·         Phlox  paniculata ‘Herbstwalzer’, een herfstbloeiende roze Phlox, die de show steelt.

·         Pennisetum al. ‘Cassian’s Choice’, genoemd naar Cassian Schmidt uit Weinheim, Duitsland, een man die daar voorop loopt op het gebied van prairieplanten.

 

Aan het einde van de avond, was een ieders kennis weer aardig bijgespijkerd en hebben ook een aantal bijzondere planten de weg naar een Westlandse tuin gevonden.

De kwekerij van Hans Kramer is open vanaf maart tot 1 november op donderdag, vrijdag en zaterdag van 9.00 – 17.00 uur. Voor meer informatie over openingstijden en vaste planten: www.hessenhof.nl.

 

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Hydrangea op kleur

Lezing Cor van Gelderen - Hydrangea op kleur

Op donderdagavond 10 september was Cor van Gelderen van PlantenTuin Esveld uit Boskoop te gast bij afdeling Westland. Omdat Cor een enthousiast en humoristisch spreker is was de belangstelling groot en was iedereen weer nieuwsgierig naar wat Cor te vertellen had. Het uitgangspunt van zijn lezing was ditmaal de kleuren en de verkleuring van zowel blad als bloem bij de verschillende soorten Hydrangea of wel hortensia.

Het geslacht Hydrangea beperkt zich niet, zoals de meeste mensen denken, alleen tot Hydrangea macrophylla, de welbekende bolhortensia, die in vele tuinen een plaatsje heeft veroverd. In de meeste tuincentra staan, aldus Cor, helaas altijd de 10 meest bekendste soorten d.w.z. de cultivars die een snelle bloemvorming hebben. Dit zijn echter niet persé de mooiste. Niet alle macrophylla’s zijn trouwens geschikt als tuinplant. H. macrophylla is inheems in Japan. Door de langgerektheid van dit land van eilanden varieert het klimaat er van zeer koud tot tropisch warm en zijn er hierdoor soorten die vorstgevoelig of volkomen winterhard zijn of hier ergens tussen zitten.

Op de kwekerij in Boskoop staan naast H. macrophylla wel 400 tot 500 andere soorten Hydrangea en dat is niet voor niets want PlantenTuin Esveld is beheerder van de Nederlandse Plantencollectie Hydrangea. De meeste van die soorten staan vermeld in Het Grote Hortensiaboek, dat Cor samen met zijn broer Dirk heeft geschreven.

Het geslacht Hydrangea

Hortensia’s zijn er in allerlei soorten en maten: vanaf 30 cm tot 5 meter hoog. Enkele van deze soorten zijn Hydrangea anomala  petiolaris, de klimhortensia. Hydrangea arborescens, die een van de oudste soorten die ooit in Europa in cultuur is gebracht en uit Amerika afkomstig is. Een bekende cultivar is: ‘Annabelle’. Er zijn echter nog vele andere H. arborescens, waaronder Hydrangea arborescens ‘Sterilis’ die de helft kleiner is dan ‘Annabelle’.

Het geslacht Hydrangea komt van oorsprong op twee continenten voor t.w. Amerika en Azië, waarbij dient te worden opgemerkt, dat de Amerikaanse soorten hier eerder in cultuur waren dan de Aziatische soorten.

Hydrangea aspera is afkomstig uit Oost-Azië en is een uitstekende plant voor een halfschaduwgebied (bosrand) waar ’s morgens de zon schijnt en in de middag de schaduw heerst. Hydrangea aspera ‘Peter Chappell’ is hier een goed voorbeeld van. Deze struik wordt 2,5 tot 3 meter en houdt niet zo van snoeien.

In principe hoeft u hortensia’s eigenlijk niet te snoeien. Wordt een hortensia te groot, dan heeft u, aldus Cor, eigenlijk de verkeerde soort gekozen. Het is dus belangrijk om een goede keuze te maken, want door te snoeien, snoeit u er heel vaak een jaar bloemen uit, omdat ze op het tweejarig hout bloeien. Er zijn ook uitzonderingen. Van de macrophylla’s zijn er een vijftal die op het eenjarig hout bloeien. Een aantal van deze cultivars worden ook voor de ‘snij’ gebruikt.

Sommige soorten kunnen zich ook tot redelijk grote bomen ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is Hydrangea heteromalla. Als boom kan hij wel 4 tot 5 meter hoog worden. Een andere bekende soort is Hydrangea paniculata, waarvan ‘Grandiflora’ een bijna vergeten cultivar is. Inmiddels zijn er veel betere cultivars verkrijgbaar.

Hydrangea involucrata en zijn cultivars zijn veelal kleine struiken die niet hoger dan 1 meter hoog worden.

Een hydrangeasoort die in Japan veel populairder is dan macrophylla is Hydrangea serrata. Deze berghortensia’s blijven redelijk klein en zijn er al van 20 tot 30 cm hoog. Het enige nadeel is hun vaak moeilijk uit te spreken naam. In het begin ogen ze soms wat zielig, maar na een aantal jaren zijn het prachtige planten. H. serrata mag in tegenstelling tot macrophylla niet worden gesnoeid. Deze hortensia’s houden van een plekje in de halfschaduw.

Hydrangea in blue

Na deze inleiding ging Cor, aan de hand van dia’s over tot het bespreken van een grote groep hortensia’s die niet alleen aantrekkelijk zijn om de kleur c.q. verkleuring van de bloemen, maar ook van het blad. Allereerst kwam de groep aan de orde, waarvan de bloemen vooral blauw verkleuren.

Om blauw te verkleuren moet een plant aan drie voorwaarden voldoen: allereerst moet hij blauw willen kleuren. Het is dus belangrijk om een cultivar te kiezen die snel van roze naar blauw verkleurt. Verder dient de grond waar de hortensia instaat een lage zuurgraad te hebben en de grond moet aluminiumsulfaat (in opneembare vorm) en ijzer bevatten. Is er sprake van een te kalkrijke grond dan verdient het aanbeveling om tuinturf door de grond te werken en deze te bemesten met zwavelzure ammoniak. Verder dient er in september aluminiumsulfaat door de grond te worden gewerkt (aluin, Hortensiablauw van Pokon, Reckitt blue, een eetlepel per plant).

Dit heeft trouwens alleen in september zin, omdat dan de knopvorming plaatsvindt. Sommige soorten die van roze naar blauw verkleuren, verkleuren op kalkrijke grond op hun beurt weer van roze naar rood.

Een oude maar heel mooie en stevige Duitse cultivar is Hydrangea macrophylla ‘Altona’ met donkerroze tot blauwe steriele bloemen. Mooi is ook H. macrophylla ‘Ayesha’, een seringhortensia, die echter iets minder winterhard is. Macrophylla’s die snel blauw kleuren zijn H. macrophylla ‘Blaumeise’, H. macrophylla Frillibet (genoemd naar de Engelse koningin), H. macrophylla ‘Queen Elizabeth’, H. macrophylla ‘Blauer Zwerg’ en H. macrophylla ‘Madame Faustin Travouillon’, terwijl H. macrophylla ‘Early Blue’ mooi lichtblauw kleurt.

Mooi is ook de z.g. Japanse Lady-serie, waaronder H. macrophylla ‘Frau Katsuko’ en Frau ‘Mariko’ vallen. Dit zijn relatief kleine planten die ongeveer 1 meter hoog worden. Deze cultivars kunnen ook blauw verkleuren.

H. serrata ‘Blue Bird’, H. serrata ‘Grayswood en H. serrata ‘Tiara’ zijn, onder de juiste omstandigheden, paars tot blauw verkleurend, anders verkleuren ze roze. H. serrata ‘Tiara’ heeft in de herfst felrood tot oranje blad. Cultivars van H. serrata kunnen gevoelig zijn voor zeewind. In die omstandigheden is het raadzaam ze op een luwe plaats te planten.

Van zacht- tot fuchsiaroze

Mocht het blauw verkleuren van hortensia’s niet lukken dan zijn er natuurlijk ook prachtige roze soorten te bewonderen, die vaak in het begin van de bloei wit zijn en dan naar roze verkleuren. Van H. heteromalla is H. heteromalla ‘Jermyns Lace’ een mooi voorbeeld. Dit is een krachtig groeiende struik met grote witte bloemen die in de zomer naar roze verkleuren. Andere voorbeelden zijn cultivars van H. involucrata, zoals ‘Plena’ en ‘Yokudanka’ (floxachtige kleur) en van H. paniculata: ‘Darlido’. H. involucrata ‘Plena’ gedijt trouwens uitstekend in de (diepe) schaduw, blijft laag en wordt niet hoger dan 30 tot 40 cm. H. paniculata ‘Darlido’ is een kleine pluimhortensia die onder de meter blijft en het zelfs op arme grond nog goed doet. Deze hortensia kleurt van wit naar roze.

H. aspera ‘Pink Cloud’ is een zeer opvallende cultivar en heeft zachtroze fertiele en steriele bloemen aan grote bloeiwijzen. H. aspera rubusta var. Longipes blijft redelijk klein en is een mooie cultivar. H. aspera sargentiana is een struik die wel 2,5 meter kan worden. De takken zijn behaard en deze struik is volkomen winterhard. Het is een goede schaduwplant. Sterk is ook H. aspera ‘Macrophylla’ met violette fertiele bloemen. Meer paarsviolet zijn o.a. de berghortensia H. serrata ‘Kuro hime’, een kleine plant met grote fertiele bloemen en H. villosa ‘Anthony Bullivant’, een middelgrote, dichtvertakte struik met viltig blad.

Mooi rood is niet lelijk

Mooi rood is niet lelijk en inderdaad zijn er ook hortensia’s die mooi rood kleuren. H. macrophylla ‘Draps Wonder’ is een krachtig groeiende struik. De bloeiwijzen zijn groot en kunnen donkerroze tot felrood zijn. Het is een compacte struik die tot 1,50 meter hoog wordt. Op zure grond verkleurt deze hortensia paarsachtig. Echt blauw wordt hij echter niet. H. macrophylla ‘Benelux’ is meestal zachtrood, maar op zure grond kleurt hij makkelijk lichtblauw. H. macrophylla ‘Flamboyant’ heeft helderrode steriele bloemen en H. macrophylla ‘Pia’ die klein blijft heeft meestal een karmozijnrode kleur. H. heteromalla, die boomachtig is heeft bladstelen die meestal rood zijn evenals H. heteromalla ‘Kalmthout’ die bloeiwijzen heeft tot naar vlammend rood verkleuren en daarmee een van de mooist rood verkleurende cultivars is. Ook H. heteromalla ‘Morrey’s Forum’ wordt op kalkrijke grond mooi rood (pH 7,2).

H. macrophylla ‘Admiration’ kleurt prachtig rood door en H. macrophylla ‘Bouquet Rose’, die al 150 jaar in cultuur is, heeft een aardige herfstkleur. H. macrophylla ‘Burg Köningstein’ is een vergeten soort, die qua bloem met veel kalk goed rood te krijgen is.

Van een aantal macrophylla’s kleurt, naast een mooie bloemkleur, ook de bladeren nog eens mooi weg. Rozeachtig tot rood zijn de bloemen van H. macrophylla ‘Grasmücke, terwijl deze plant ook nog eens een prachtige herfstkleur heeft. Dit geldt eveneens voor de cultivar ‘Green Tonic’ die witte randbloemen met groene vlekken en strepen heeft. H. macrophylla ‘Merveille Sanguin’ is niet alleen rijk bloeiend, maar heeft ook nog eens mooi verkleurend blad. Deze cultivar groeit langzaam. 1 meter hoog wordt H. macrophylla ‘Mirai’ met chocoladekleurig blad in het voorjaar. De eikenbladhortensia H. quercifolia ‘Burgundy’ heeft ook prachtige herfstkleuren, evenals H. quercifolia ‘Cloud Nine’ en H. quercifolia ‘Flemygea’.

Witte wolken

Hydrangea arborescens ‘Annabelle’ is een van de bekendste van zijn soort. ‘Annabelle’ kan beter niet tot aan de grond worden terug gesnoeid, omdat deze cultivar op het eenjarig hout bloeit. Nadat de nieuwe schoten uit de grond omhoog zijn gegroeid, vallen deze takken door de zware bloemen heel makkelijk om. Door niet te snoeien en de uitgedragen takken te laten staan, ontstaat een natuurlijke ondersteuning van de nieuwe scheuten. De tweejarige takken dragen weliswaar kleinere bloemen, maar het spannen van draden en andere hulpmiddelen is niet meer nodig. De bloemen kleuren van lichtgroen naar crèmewit. In tegenstelling tot ‘Annabelle’ is H. arborescens ‘Bounty’ veel steviger. Ook stevig zijn de takken van ‘Dardom’.

Een smetje wegwerken

Een nadeel van veel witte boerenhortensia’s is dat ze als ze nat zijn vaak smetten. Dat is jammer. H. macrophylla ‘Ave Maria’ smet echter niet. Het is een zeer compact groeiende struik die niet hoger dan 1 meter wordt. Ook ‘Mme Emile Mouille’ smet niet. De bloemen van deze tot 2 meter hoge struik verkleuren lichtroze en daarna rood.

Andere bijzonderheden

H. aspera ‘Bellevue’ is een enorme hortsensia, die wel tot 4 – 5 meter hoog kan worden. Ook het blad is heel groot. Soms hebben ze wel een lengte van 85 centimeter. H. involucrata ‘Viridescens’ echter klein blijvende tuinvorm, die langzaam groeit niet hoger dan 80 cm wordt.

H. macrophylla ‘Emerald’ is een mooie snijhortensia, die van roze naar groen verkleurt. Prachtig is ook H. macrophylla ‘Green Shadow’, een laagblijvende struik die donkerrode bloemen met een groen hart heeft.

Een andere mooie hortensiasoort is H. paniculata. Door de kegelvormige bloeiwijzen onderscheidt deze hortensia zich van de andere soorten. De moderne cultivars van deze soort vallen niet om. Ze beginnen allemaal wit en kleuren dan door. Een sterke cultivar is H. paniculata ‘Everest’. Heel leuk is ook H. paniculata ‘Pinky Winky’.

H. paniculata ‘Limelight’ heeft witgroene bloemen, is super betrouwbaar en valt nooit om. Deze hortensia kan in elke omstandigheid worden aangeplant. H. paniculata ‘Lammetje’ is een langzaam groeiend struikje met zuiverwitte bloemen die later lichtroze worden.

De laatste in de rij was Hydrangea serrata ‘Profilera’, een hortensia die niets weg heeft van een gewone hortensia en volgens Cor ‘schattig klein’ blijft.

Wie geïnteresseerd is in PlantenTuin Esveld kan het beste surfen naar www.esveld.nl. Op deze site zijn meer dan 10.000 tuinplanten te vinden. Voor liefhebbers van hortensia’s is onlangs de site www.hydrangeakwekerij.nl in de lucht gegaan. Hydrangeakwekerij.nl is dé hortensiasite voor tuiniers én professionals!

 

Anneke Duyvesteijn

 

 

Kleine tuinen

De kleine tuin, een uitdaging door zijn beperking

 

Op donderdagavond 10 november 2005 heeft Judith van Medenbach de Rooy een lezing gehouden over het ontwerpen van een kleine tuin.

 

In een kleine tuin is het noodzakelijk om keuzes te maken. Door de beperkte ruimte is het, aldus mevrouw Medenbach, van belang om na te denken wat je met de tuin wilt, maar ook belangrijk is te weten hoeveel tijd men heeft voor het onderhoud van de tuin.

 

Bij de inrichting van een kleine tuin is het noodzakelijk om te weten welke elementen er in het ontwerp passen en welke niet. Nagedacht moet worden over de soort verharding (juist gebruik materialen), de grootte van terras(sen) en het padenstelsel, de kindvriendelijkheid (indien noodzakelijk), water in de tuin en privacy.  V.w.b. de privacy is het goed te kijken naar oplossingen die van de tuin geen houten hok maken. Naast houten afscheidingen zijn er ook andere mogelijkheden om privacy te creëren.

 

Ook belangrijk is een goed beplantingsplan. Aantrekkelijk is een tuin, waarin elk seizoen iets interessants of moois te zien is. Gelet moet hierbij worden op vorm, grootte, bloeitijd, wintersilhouet, geur e.d.  Maar vooral belangrijk is het gegeven, dat de juiste plant op de juiste plaats staat  (wat is de uiteindelijke uitgroei van planten en bomen).

 

Bomen zijn verder onmisbaar om visueel diepte te geven aan een tuin; geschikte kandidaten zijn bijvoorbeeld: Amelanchier lamarckii (krentenboom); Crataegus x persimilis “Splendens” (meidoorn); Koeleuteria paniculata (Chinese vernisboom; Malus floribunda (sierappel); Prunus subhirtella “Autumnalis” e.a.

Een aantal geschikte struiken zijn: Buddleja davidii “Nanho Blue” (vlinderstruik); Corylopsis pauciflora (schijnhazelaar); Hedera helix “Arborescens”; Perovskia atriplicifolia “Blue Spire” e.a. Maar ook klimplanten kunnen zorgen voor groen vertikaal element in de tuin: Clematis, Hedera, Lonicera e.a.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

De inns en outs van klimplanten

Verslag lezing over de inns en outs van slinger-, lei- en klimplanten

Op donderdag 8 september 2011 was Hans van Biemen te gast bij Groei & Bloei Westland. Hij was uitgenodigd om een lezing te geven over slinger-, lei- en klimplanten. Hans van Biemen die docent op een groencollege is, heeft zoals hij zegt van zijn werk een hobby gemaakt en van zijn hobby zijn werk. Hij heeft een aantal boeken op zijn naam staan, vooral over snoeien en ook heeft hij jaren lang reizen naar Engeland georganiseerd.

In het gedeelte voor de pauze ging Hans in op de manier waarop planten kunnen klimmen, over miskleunen die mensen kunnen maken op het gebied van klimplanten, maar ook over het snoeien ervan.

Wat zijn het voor planten?

Het zijn planten die als het behang van de tuin zijn, zoals bomen het plafond. Juist in de versteende tuinen die de laatste tijd steeds meer terrein winnen, zouden deze klimmers een aanwinst kunnen zijn om het broodnodige stukje groen te creëren. Klim-, slinger- en leiplanten komen in alle groepen van planten voor, zoals heesters, vaste planten, gewenste en ongewenste kruiden en zelfs groente en fruit (o.a. peren en appels).

Deze planten kunnen niet alleen horizontaal hun werk doen, maar ook als bodembedekker. Ze kunnen lelijke objecten camoufleren, maar ook objecten versterken. Ze kunnen de bloei in de tuin verlengen, graffiti voorkomen, versieren, maar ook voor extra sfeer zorgen.

Verschillende soorten

Er zijn klimmers met twijgen en doorn zoals de braam, die overal overheen klimt. Sommige hebben windende bladstelen, zoals Clematis. Ook kennen we klimmers met blad- of takranken, zoals bij Lathyrus. Daarnaast zijn er soorten die zelfhechtend zijn en hechtwortels hebben die verkurken, zoals bij Hedera en met hechtranken zoals bij Parthenocissus. Naast hechters en winders zijn er ook slinger- of wurgplanten. Een van de bekendste is Wisteria, blauwe regen.

Wat ook interessant is om te weten is, dat u bijna alle heesters kunt gebruiken als leiplant. Leuk is dat u heesters die normaal voor uw tuin te groot zouden zijn, dan toch kunt toepassen. Deze planten hebben wel hulp nodig om naar boven te kunnen klimmen Denkt u hierbij aan pergola’s, betongaas, gaas tegen een regenpijp, latwerk e.d. Tip: Gebruikt u bij houten latwerk tegen een muur altijd roestvrijstalen schroeven en boor de schroeven in de voegen en niet in de muur!

De juiste klimmer op de juiste plaats

Het is bij klimmers, even als bij andere planten in de tuin, belangrijk om een goede keuze te maken. Spijtplanten zijn vaak te groot, ze bloeien niet, ze stinken, zijn warrig en vervuilend en zijn soms ware onderkruipers. Belangrijk is het om u van te voren goed te informeren en te waken voor impulsaankopen. Kwaliteit van het materiaal en bodemsoort spelen hierbij natuurlijk ook een grote rol. Klimplanten kunt u, volgens Hans van Biemen, het beste in het voorjaar kopen. Kiest u vooral voor goed vertakte exemplaren en koopt u ze vooral in bloei, zoals Wisteria.

Sommige klimmers, zoals Hedera kunt u als plant ook langs de schutting neerleggen (i.p.v. rechtop zetten) en met pinnen vastzetten. De plant zal dan op de lengte op diverse plekken uitlopen, zo heeft u maar 1 plant per strekkende meter nodig. Houdt u er Wisteria rekening mee, dat de ranken een diktegroei van 20 tot 25 centimeter kunnen hebben en met gemak een muur opzij kunnen drukken. Plant u Wisteria dus zeker 20 tot 30 centimeter van de muur af. Belangrijk is het om klimmers in goede grond te planten. Voert u ook een aanvangssnoei uit, waardoor de plant zich beter zal vertakken. Het beste kunt u de klimmer tot ongeveer 1/3 terugsnoeien en na het ontwikkelen van uitlopers deze nogmaals nijpen.

Het kiezen van de juiste klimmer op de juiste plaats heeft ook als voordeel, dat een plant minder gevoelig is voor plagen en ziekten, zoals roest bij rozen, luizen en allerlei ander ongedierte.

Voor het aanbinden van klimmers kunt u het beste bindbuis gebruiken. Dit bindmateriaal groeit niet in!

Aantasten muren en andere problemen

Klimplanten als Hedera (klimop) krijgen vaak het predikaat opgeplakt dat zij muren aantasten. Het tegengestelde is juist waar. Als er problemen bij muren optreden, komt dit vaak omdat het oude muren zijn die zijn opgemetseld met kalkmortel. De kalkmortel is vaak uitgedroogd en brokkelt af. Klimplanten hebben juist een isolerende waarde (zon/geluid), zijn stofafvangend en bieden nestgelegenheid voor vogels en insecten. Belangrijk is het wel om de juiste keuze te maken voor de ruimte die er is en te voorkomen dat klimmers of leiplanten kozijnen en dakgoten benaderen.

Hedera rond de stam van een boom is geen probleem; het probleem ontstaat pas als de Hedera in de kroon klimt, waardoor deze topzwaar wordt.

Het snoeien

Klimmers kunt u meestal snoeien zoals heesterachtige, dus meestal na de bloei. Najaarsbloeiers snoeit u in het voorjaar. De wijze van groeien bepaalt de wijze van snoeien. Hoe langer de scheuten die een plant maakt, hoe later hij in het seizoen bloeit.

V.w.b. de snoei zijn in het voorjaar als eerste de zogenaamde scheutbloeiers, vaak najaarsbloeiers aan de beurt, zoals rozen. Scheutbloeiers ontwikkelen in het voorjaar nieuwe scheuten die hetzelfde jaar nog bloeien. Om voor bloei ook aan de onderzijde van de plant te zorgen is een snoei in het voorjaar dus noodzakelijk. Lonicera (kamperfoelie) is ook een scheutbloeier. V.w.b. Clematis komen er soorten in alle groepen voor. Laatbloeiende Clematis, zoals tangutica vallen onder de scheutbloeiers.

Zuivere twijgbloeiers zijn planten waar de knoppen al in het vorige groeiseizoen zijn aangelegd, zoals bij toverhazelaars, Forsythia en Stachyrus. De planten bloeien vroeg in het voorjaar. Zowel heesters als klimmers snoeit u na de bloei. Dit geldt ook voor clematissoorten die tot deze groep behoren. Deze Clematis heeft vruchtpluizen in mei.

Twijgbloeiers hebben korte scheuten, die uitlopen en voor de langste dag bloeien, dus tegen de zomer. Clematis die tot deze groep behoort, heeft de vruchtpluizen in augustus. Ook hier vindt snoei na de bloei plaats.

Het is verder belangrijk om alles wat van de muur komt, dus naar voren groeit, er af te halen.

Uitzonderingen

Toch zijn er een aantal uitzonderingen op het bovenstaande. Denkt u hierbij aan druif en kiwi die vanwege hun sterke sapdruk in de winter gesnoeid dienen te worden.

Ook blauwe regen heeft zijn eigen aanpak v.w.b. het snoeien. Het snoeien van Wisteria kan aan het einde van de winter en heeft tot doel bloemknoppen te creëren. Zijscheuten worden dan tot twee knoppen afgeknipt. Door het jaar heen ontwikkelt Wisteria nogal wat lawaaihout. Daarom kunt u in de zomer ook nog een snoei plegen. Om de groei af te zwakken brengt u wederom de zijscheuten tot twee of drie knoppen terug. Hierdoor zal deze klimmer kortlot gaan ontwikkelen, waarop bloei plaatsvindt. Hoe rijker de bloei hoe minder de snoei. Hebt u veel blad en weinig bloem dan moet u dus meer snoeien. Ook wortelsnoei kan nog wel eens helpen. Bloeit uw Wisteria dan nog niet, dan kunt u beter een nieuwe kopen!

Belangrijk is het verder bij alle klimmers dat u op tijd met snoeien begint, dan kan het nooit uit de hand lopen. Ook is het zo dat als iets echt te groot wordt, u daar zelf debet aan bent. Dat betekent eigenlijk dat u een verkeerde keus hebt gemaakt.

Combineren

Klimplanten kunt u uitstekend met elkaar combineren. Zo zijn er tal van mooie combinaties tussen rozen en Clematis te vinden, maar ook combinaties tussen andere klimmers zijn mogelijk. Bomen die in het voorjaar een prachtige, maar korte bloei hebben, kunt u opsmukken met een mooie klimmer, zoals een ramblerroos. Er zijn ook tal van eenjarige klimmers die u voor dit doel kunt gebruiken.

Na de pauze volgde een diapresentatie waarin een groot aantal klimmers zijn getoond. Hoewel het aantal groot was, was het echter maar een greep uit een enorm assortiment.

Anneke Duyvesteijn

 

Kustplanten

Verslag Struintocht in Van Dixhoorndriehoek

Driehoek en nat duingebied

Op zaterdagochtend 11 september 2010 waren de weergoden de deelnemers aan de struintocht in de Van Dixhoorndriehoek in Hoek van Holland goed gezind. Het vertrek voor deze tocht was vanaf de Zeetoren aan de Helmweg 7 in Hoek van Holland. De zeetoren staat op een duintop aan de kust en is naast natuurcafé ook een klimaatcentrum. Bovenop de toren heeft de bezoeker een prachtig uitzicht over het Westland, Den Haag en tot ver over de Tweede Maasvlakte. In het klimaatcentrum is op speelse, informatieve wijze een aanpak voor de gevolgen van klimaatverandering verwerkt met daarin de natuur centraal. De Van Dixhoorndriehoek is in 1981 ontstaan, toen bijna 20 miljoen kubieke meter zand uit de Euro-Maasgeul ten noorden van de Noorderdam is gestort en opgebracht in een driehoek met een korte zijde van 800 m en een lange zijde van enkele kilometers. Na de aanleg van een kunstmatige eerste duinenrij heeft het gebied zich op natuurlijke wijze ontwikkeld, waarbij een relatief nat duingebied is ontstaan dat bekend staat als de Kapittelduinen.

Zeetoren en inheems

Later dan gepland, maar goed geluimd, gingen de deelnemers, na een korte uitleg over de oorsprong van de toren (gebouwd door de Duitsers in WO II), onder leiding van een gids op pad. De aandacht tijdens deze tocht was vooral gericht op de diverse, veelal inheemse en ingeburgerde planten die in het gebied voorkomen en hun eigenschappen. Inheemse planten zijn planten die, volgens de gids, in het ‘Cruijdeboek’ uit 1554 van Rembert Dodoens (Rembertus Dodonaeus) voorkomen. Toch werd ook kort stilgestaan bij de apparatuur van het Hoekse weerstation, die naast het aantal zonne-uren ook bijvoorbeeld de regenhoeveelheid meet.

Giftig en handig

De eerste plant waar de gids bij stilstond was het schaafstro, familie van het alom bekende onkruid heermoes. Schaafstro, Equisetum hyemale, heeft zijn naam te danken aan zijn ruwe stengel, die vroeger als schuurmiddel diende en zelfs als tandborstel. Afkomstig uit Zuid-Afrika, maar rond 1900 met woltransporten naar Europa gekomen is het bezemkruiskruid, Senecio inaequidens. Dit ingeburgerde kruid dankt zijn naam aan het feit, dat zijn sterke vertakking op een omgekeerde bezem lijkt. Bezemkruiskruid is familie van het beruchte Jacobskruiskruid, dat sterk giftig en gevaarlijk voor mens en dier is. Dit geldt eveneens voor de doornappel, Datura stramonium, die op een bepaald gedeelte van de route veelvuldig voorkomt. De doornappel is een zeldzame plant, waarvan de zaden een hallucinerende werking hebben en bij verkeerd gebruik zelfs dodelijk kunnen zijn. Doornappel wordt tot de zogenaamde heksenplanten gerekend.

Kruid tegen het vallen

Een geneeskrachtige werking echter hebben de zaden van de teunisbloem (Oenethera). De olie uit de zaden kan zowel uit- als inwendig worden gebruikt. De duinteunisbloem komt regelmatig in dit gebied voor in tegenstelling tot de blauwe zeedistel, Eryngium maritimum. Dit is een beschermde vaste plant. Een andere beschermde plant die in dit gebied voorkomt is valkruid, Arnica montana. Dit is een meerjarige plant, die op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeldzaam en zeer sterk afgenomen. De plant is wettelijk beschermd in Nederland en in België. Arnica heeft medicinale kwaliteiten en is pijnstillend en ontstekingsremmend en bevordert de doorbloeding (o.a. Arnica-zalf).

Snoepjes van het duin

Naast giftige planten komen er in de duinen ook eetbare planten voor. Een van die planten is de bekende duindoorn. De duindoorn, Hippophae rhamnoides, is een grijsbladige struik met opvallende oranje eetbare bessen. De bessen bevatten een hoog gehalte aan vitamine C en smaken naar sinaasappel. Het gehalte aan vitamine C van één rijpe bes staat gelijk aan dat van 6 sinaasappels. Het gewas komt van nature voor in open, kalkrijke duinen en is goed bestand tegen zout en het stuiven van het zand. De duindoorn heeft ondergrondse uitlopers en kan hiermee een lengte tot wel 20 meter bereiken. Door deze wijze van vermeerderen kan de duindoorn grote gebieden bedekken. Dit wordt niet altijd als een pre ervaren, omdat hiermee de biodiversiteit van het duin in het gedrang komt. Van de bessen van de duindoorn kunt u naast, dat het tijdens een wandeling heerlijke snoepjes zijn, gelei maken. Past u bij het plukken wel op voor de doorns van de plant.

Een andere eetbare plant is de dauwbraam of wel duinbraam. Het is een kruipende braam met vruchten die lichter van kleur zijn dan de gewone braam. Ook deze braam heeft een heerlijk zoete smaak. Deze braam schijnt het opdringen van de duindoorn trouwens tegen te kunnen gaan.

Eetbaar is ook de gewone raket, Sisymbrium officinale. De gewone raket is familie van het bekende Rucola, raketsla. De smaak lijkt erg op die van Rucola en wordt ook wel heeskruid genoemd, om zijn smerende werking op de stembanden.

Van navel tot munt

Na het eerste deel van de tocht door het zogenaamde ‘oude’ duin vond de oversteek naar de zogenaamde natte duinvallei plaats. Langs de paden van de natte duinvallei kunt u planten aantreffen, zoals watermunt en gewone waternavel, lis en Eupatorium, Koninginnekruid. Watermunt is een vaste plant, die in voorkomt langs waterkanten, in moerassen, rietlanden en vochtige bossen. Van juni tot de herfst heeft de watermunt licht paarse bloemetjes, die een heerlijke muntgeur afgeven, als je ze aanraakt of er op staat.

Met de neus op de feiten

Heel bijzonder was het zogenaamde Parnassia-veld. Dit veld staat vol met Parnassia. Parnassia is wettelijk beschermd en staat op de Nederlandse Rode lijst (planten) van 2000 als vrij zeldzaam en zeer sterk afgenomen. Het is een tot 30 cm hoge plant die van juli tot in september bloeit. De bloem lijkt een beetje op die van de aardbei en heeft vijf witte kroonbladen met groenige parallelle nerven. Tussen de Parnassia stonden piepkleine veldgentiaantjes die in totaal niet meer dan drie centimeter groot worden en waarvoor de deelnemers diep door de knieën moesten. Een opvallende verschijning was ook nog de zwart wordende wasplaat, een paddenstoel die van roodbruin naar zwart verkleurt. Dit is een echte grasland paddenstoel.

Na ongeveer twee uur kwam een einde aan een heerlijke informatieve struintocht die ook in het voorjaar interessant is, omdat de diverse orchissen, waaronder de groene knol orchidee bloeien.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

 

Verslag Workshop/lezing LathYrus zaaien d.d. 27 februari 2014 – Lathyrus, ja heerlijk!

Vorig jaar was de lezing over Lathyrus door de slechte weersomstandigheden niet doorgegaan, daarom stond op 27 februari het kweken van deze heerlijk geurende bloem wederom op het programma. Gezien de animo voor het onderwerp was er zelfs voor gekozen om een workshop aan de lezing te verbinden. Zowel de workshop als de lezing was in de deskundige handen van de heren Wim van Vliet en Jan Ruesink van de Nederlandse Lathyrusvereniging. Deze vereniging heeft 220 leden en heeft als doel om het kweken van Lathyrus door amateur- en professionele kwekers te bevorderen. Deze avond is dan ook bedoeld om het enthousiasme voor deze prachtige bloem te bevorderen en levend te houden.

De avond begon met de workshop zaaien. Na de uitleg van Jan Ruesink kregen de deelnemers twee potjes die zij moesten vullen met zaai/stekgrond tot ongeveer een vinger onder de rand. Zaaigrond is extra luchtig en bevat geen meststoffen, want dat heeft zaad voor de kieming niet nodig. Aan de potten werd een plastic planthanger bevestigd.  Vervolgens legden de deelnemers in de ene pot, netjes in rijtjes en bovenop de zaaigrond, de zaden van Lathyrus ‘Just Julia’ en ‘Prinses Juliana’ en in de andere pot een aantal gemengde lathyruszaden. Het is hierbij niet de bedoeling om de zaden te begraven, want dan vindt er geen kieming plaats. Tip: afdekken met een laagje aarde zoveel als dat het zaad dik is! Als u lathyruszaden op rijtjes legt dan kunt u een zaadje dat niet kiemt altijd weer terugvinden. Als een zaadje niet kiemt, dan kan het zijn dat de zaadhuid te dik is en dan is hulp nodig. U kunt met een vijl de huid van het zaad wat dunner maken, zodat de kiem de weg naar buiten vindt. Het kan ook zijn dat het zaadje rot is en daarom niet kiemt.

Met een zeef kregen de zaden een dun dekentje van zaaigrond mee en werden de potjes buiten licht nat gebroest en vervolgens ingepakt in een plastic zak, die bovenaan de planthanger met een elastiekje kon worden dichtgemaakt. De plastic zak zorgt ervoor dat er een situatie van 100% luchtvochtigheid in stand blijft, waardoor het zaad kan zwellen en kiemen. Verder water geven is dus niet nodig. Voor iedere deelnemer was er ook een vervolgpakket met potjes en aarde om de toekomstige zaailingen in verder op te kweken. De beste temperatuur voor de potten tijdens het kiemen is ongeveer 15 - 18 graden Celcius.

Lathyrus odoratus

Na het zaaien was de beurt aan Wim van Vliet, die aan de hand van een presentatie dieper in ging op de teelt van Lathyrus (uitspraak: nadruk op thyJ). Lathyrus odoratus of pronkerwt is een plant uit de vlinderbloemenfamilie. Het is een eenjarige klimplant met stengels tot wel drie meter; de tweede naam 'odoratus' verwijst naar de bijzondere eigenschap van deze bloem: de geur. De meeste lathyrussoorten hebben een Engelse naam. ‘Prinses Juliana’ (een van de gezaaide soorten) is hier een uitzondering op en is vernoemd naar onze oude vorstin die een groot liefhebber van Lathyrus was. De tuinman van het paleis kweekte meestal zo’n 25 variëteiten.

 

Naast eenjarige Lathyrus is er trouwensook vaste Lathyrus die echter niet geurend is. Ook is vaste Lathyrus minder lang houdbaar op de vaas.

Pronkerwt als snijbloem

Lathyrus odoratus komt voor in allerlei pasteltinten, maar er zijn ook witte en zelfs tweekleurige bloemen. Wim en Jan hadden voor de gelegenheid zelfs een bosje echte Lathyrus meegenomen, een primeur voor deze tijd. Lathyrus is namelijk ook als snijbloem verkrijgbaar, tegenwoordig zelfs bijna jaarrond met de eerste dus in februari. Vanaf november beginnen de kwekers met zaaien in de kas. Elke maand opnieuw zetten zij een aantal regels en oogsten tot in september toe. Tussentijds vindt de teelt ook buiten plaats.

In de aanvoerperiode is Lathyrus als snijbloem geliefd in bruidsboeketten en als geschenk bij geboortes. Het productiegebied van Lathyrus concentreert zich rond de Venen bij Nieuwkoop, maar ook in het Westland is een grote Lathyruskweker.

Voortgang na het zaaien

Nadat het zaad rond half februari, is gezaaid (zoals hierboven) verschijnen binnen 10 dagen de kiemplantjes. Na ongeveer 7 dagen kunt u een klein gaatje in de zak maken om wat vocht te laten verdampen. Zijn de zaadjes gekiemd dan kan het zakje eraf. Na het kiemen verschijnt er in de dagen daarop een stengel van ongeveer 10 – 12 cm. Als er aan de stengel drie blaadjes zijn verschenen dan kunnen de plantjes naar aparte potjes (ca. 9 cm) verhuizen. Dit zal (in ons geval) rond half maart zijn. Het is verstandig om in de opvolgpotten potgrond nummer 8 te gebruiken. Half april kunnen deze plantjes de volle grond in, op 10 cm afstand van elkaar. Elke grondsoort is mogelijk; bij zand grond wel graag wat compost aanbrengen, waardoor de grond meer vocht kan vasthouden. Natte voeten zijn uit den boze, de grond moet dus wel goed waterdoorlatend zijn.

Jonge plantjes kunnen prima wat graden vorst verdragen, alleen niet de eerste dagen, weest u daar alert op. Scherm de jonge plantjes de eerste dagen ook tegen te felle zon af. Bij het verspenen schept u op ‘zijn Aalsmeers’ eerst de ene kant van de pot vol, waarna u het plantje in midden tegen de grond legt en dan vult u de rest voorzichtig aan. De plantjes worden niet getopt, omdat de bladeren broodnodig zijn voor het assimilatieproces.

Na het oppotten verschijnen er jonge scheuten aan de kale stengel of vanuit de grond; dit betekent dat de wortel actief is. Voorwaarde voor een goede groei is dat de grond in de potten altijd vochtig is. Droog staan is de grootste vijand voor een opkomende lathyrusplant. De kiemstengel kan na het verschijnen van gezonde scheuten weggesneden worden. Meestal worden van één plant 2 tot drie scheuten naar boven geleid. Vanaf eind april ontwikkelt de zaailing zich tot een volwassen plant en vanaf eind mei/begin juni vindt de knopvorming plaats. Knopval vindt plaats door extreme temperatuurswisselingen (gele knoppen die afvallen). In mei kunt u trouwens ook direct buiten zaaien.

Opbinden

Lathyrus heeft om goed te kunnen groeien steunmateriaal nodig, waartegen u de planten op kunt binden, zoals gaas, touw of klimrekken. Draai de scheuten rondom verticaal gespannen touwen of gaas en draait u ze met de zon mee. Bij voldoende ruimte kunt u tussen twee palen prikkeldraad onder en boven spannen en hier een draadwerk langs maken, waaraan u de planten vastbindt. U kunt ook een wigwam bouwen. Sla eerst een stevige paal in de grond, vorm een wigwam van wilgentakken er omheen en brengt u daar omheen gaas aan.

U kunt Lathyrus ook goed in potten, bakken of kuipen kweken. Deze moeten wel 30 tot 40 centimeter diep zijn. Als u zwarte potten of bakken gebruikt weet dan dat de temperatuur er snel in kan oplopen en de pot sneller uitdroogt. U kunt bij het planten in potten e.d. ook een wigwamconstructie maken en de plantjes aan de buitenkant aanbinden. Vocht is ook hier van groot belang en goede voeding. Er zijn ook soorten speciaal voor de pot zoals Pink en Purple Cupid (20 à 30 cm).Deze soort geurt heerlijk maar is niet echt om te plukken.

Verdere verzorging

Bij voorkeur bemest u Lathyrus met de meststof 20-20-20 (stikstof, fosfor en kalium); dit is een direct oplosbare meststof (ca.1 gram per liter water). Wilt u een plant met lange stelen en grote bloemen, pluist u dan de zijscheuten weg (dieven). Doet u dat niet, dan blijven de bloemen kleiner, maar is het aantal groter. Het is ook verstandig om hechtranken te verwijderen (in Brabant noemen ze dit ‘ontsnorren’J); dit om te voorkomen dat de bloemstelen krom groeien. Laat u wel het grote blad voor de rank zitten! Lathyrus klimt zo hoog als u hem zelf laat klimmen (dus zo hoog als uw klimrek e.d. is). Knipt u echter nooit de hoofdstengel weg, want dan heeft u pas in de herfst weer bloemen, haalt u ook uitgebloeide bloemen steeds weg om peulvorming te voorkomen. U moet dus Lathyrus plukken om te blijven plukken.

Ziekten en plagen

Lathyrus kan last hebben van echte meeldauw. Dit kunt u met een waterstraal van de plant afspuiten. Ook komt Fusarium osysporum, verwelkingsziekte voor. In dit geval kunt u de plant die is aangetast het beste vlak boven de grond afknippen, zo min mogelijk de grond beroeren en de plant in de grijze bak gooien. Op deze plek kunt u volgend jaar beter geen Lathyrus planten. Om Fusarium te voorkomen kunt u Lathyrus het beste elk jaar een stukje verplaatsen en niet op dezelfde plek planten. Ook virussen en luizen kunnen een aanval op Lathyrus doen. Zorgt u er in ieder geval voor dat uw planten voldoende zon krijgen!

Tentoonstelling, keuringen en bloemschikken

Elk jaar organiseert de Nederlandse Lathyrusvereniging een tentoonstelling, waar Lathyrus wordt gekeurd. De inzendingen zijn afkomstig van liefhebbers, amateurs en professionele kwekers. Deze tentoonstelling is onder andere gehouden in de kassen van paleis Soestdijk, maar vindt de laatste jaren plaats in De Tuinen van Appeltern; dit jaar ook weer eind juni.

 

Lathyrus is het langst houdbaar in een klein laagje water in een glazen vaas (8 – 10 dagen), die goed schoon is. Aan het water voegt u wat Chrysal toe (in verhouding tot het water) en u vult het laagje water geregeld aan.

U kunt Lathyrus trouwens het beste plukken als alle knoppen aan een bloemstengel goed open zijn. Hebt u spijt dat u er niet bij was? Wees gerust ook volgend jaar kunt u weer meedoen aan een workshop, maar dan bij de Nederlandse Lathyrusvereniging zelf. U kunt hiervoor contact opnemen met de vereniging via e-mail teeltinfo(at)lathyrus-vereniging.nl of via de website: www.lathyrus-vereniging.nl (agenda).

Na de lezing bestond de gelegenheid om zakjes zaad en mest te kopen. Vervolgens gingen de deelnemers na een gezellige en interessante avond met hun potjes met zaad naar huis! Nu maar afwachten….en wat zal het straks in hun tuinen lekker ruiken!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Meststoffen door Leo Groenleer

Als spreker tijdens de eerste thema-avond van het jaar was de heer Leo Groenleer uitgenodigd. Leo is senior accountmanager van De Ceuster Meststoffen (DCM). Het hoofdkantoor van DCM bevindt zich in Grobbendonk, België. Behalve filialen in Nederland en Duitsland, exporteert De Ceuster Meststoffen naar gebruikers over de hele wereld. Vanaf de start draagt het bedrijf, dat in eerste instantie begon met grondontsmettingen, milieuvriendelijke bemestingsoplossingen hoog in het vaandel d.w.z.: natuurlijke plantenvoeding. Dit heeft geresulteerd in een aantal bemestingsproducten voor zowel de tuinliefhebber als de professional. Voor de pauze ging Leo in op het realiseren van de een gezonde (moes)tuin:

Een gezonde bodem = mooie siertuin/gezonde producten uit de moestuin

Tijdens zijn presentatie ging Leo Groenleer allereerst in op iets wat elke beginnende tuinier zou moeten weten, namelijk dat de basis van een elke mooie tuin een gezonde bodem is. Een gezonde bodem is rijk aan organische stof. Deze stof bestaat uit resten van planten en dieren. Nuttige organismen, zoals bacteriën en schimmels zetten de organische stof om in humus, dat voedingselementen voor planten tijdelijk kan vastleggen. De humus die van nature aanwezig is in de grond, is afhankelijk van de samenstelling van het grondtype waarop u tuiniert.

Bodemverbetering

Organische stoffen

In de tuin is het voor de gezondheid van de planten belangrijk om het gehalte aan organische stof op peil te houden om zo een positieve biologische buffer te creëren. Door veel organisch materiaal te gebruiken, krijgt de grond een goede structuur vol nuttige organismen. Hierdoor vermindert de stress van het gewas bij verplanten en verhoogt de weerstand van planten tegen plantschadelijke wortelschimmels. Een betere structuur zorgt ook voor een betere verhouding tussen lucht en water in de grond.

Het verbeteren van de bodem vindt onder andere plaats door het strooien van organische mest en humus. Houdt u er rekening mee gedroogde koemest minder agressief is dan mest van kippen. Hoewel koemest de grond verbetert is het als voeding echter onvoldoende.

Zuurgraad

Ook de zuurgraad van uw grond is van belang bij het creëren van een gezonde bodem. De aard van de bodem bepaalt ook welke planten er goed op zullen floreren. Iedere plant heeft namelijk zijn favoriete zuurgraad. Naast zuurminnende kennen we pH-neutrale en kalkminnende planten. Is de pH van de grond te hoog of te laag dan kan dit effect hebben op de opname van voedingsstoffen door de plant. De meeste planten doen het goed op een pH-neutrale grond, waarbij de pH-waarde rond 6,5 ligt. Bij zuurminnende planten ligt deze waarde rond 5,5 en bij kalkminnende planten ongeveer 7.

Wilt u weten wat de pH-waarde van uw grond is dan kunt u deze op de speciale grondtestdagen laten testen. De zuurgraad van de grond kunt u bijstellen door het gebruik van (Groen)kalk bij kalkminnende planten (of als de grond te zuur is) en voor zuurminnende planten met een product als DCM Vivimus. Vivimus is er trouwens ook voor kalkminnende en pH-neutrale planten.

Onderhoud

Voeding

Evenals de mens hebben planten behoefte aan een aantal voedingselementen uit de zogenaamde schijf van vijf t.w. NPKMC:

N          = stikstof om te groeien, zorgt voor de celstrekking

P          = fosfaat voor beworteling van de plant de voeten van de plant

K          = kali voor goede knopzetting, stevigheid, kwaliteit

MgO     = voor de groene kleur goed transport groeistoffen

Ca        = calcium voor voedingsopname, structuurverbeterend, zorgt voor stevige celwand

aangevuld met sporenelementen, zoals ijzer, Borium, koper, Mangaan, Molybdeen, Silicium, zink en zwavel. Naast algemene voedingsproducten (zoals siertuinmeststof) kunt u de verschillende planten in uw tuin nog eens extra verwennen. Denkt u hierbij aan lavameel voor rozen en mest voor rozen. Afhankelijk van de doelgroep kan het percentage van voedingselementen uit de schijf van 5 in de samengestelde meststoffen verschillen. DCM Organische meststof voor groente bestaat bijvoorbeeld uit NPK 6-3-12 + 2MgO en meststof voor het gazon uit NPK 5-4-3. De combinatie is dus afhankelijk van het doel van de bemesting: snelle groei, goede knopvorming of uitgebreid wortelgestel.

Herkomst producten

De producten van DCM hebben een organische herkomst (dierlijk en plantaardig). De grondstoffen, zoals beendermeel, bloedmeel, hoefmeel, verenmeel, zonnebloemenpitten e.d. zijn allemaal gedroogd en hittebehandeld. Het voordeel van organische meststoffen is dat de voeding geleidelijk (in 100 dagen) vrij komt; vindt er minimale uitspoeling plaats, het bacterieleven en de structuur van de grond verbetert. Bij minerale meststoffen is de uitspoeling tot 60%; is er sprake van een voedingsexplosie met een korte werking. Van verbetering van de grond is er geen sprake; door de vele zouten in de minerale meststof vindt er juist een aanslag op het bodemleven plaats.

Na de pauze passeerden nog een aantal mooie moes- en siertuinen de revue, zoals Sissinghurst, de tuinen van Monet en Villandry, Hyde Hall, Hever Castle en Rosemoore en Barnsdale Gardens. Verder was er aandacht voor de verschillende producten van DCM, zoals de najaarsmest voor gras die u het best half oktober kunt strooien en lavameel voor stevige en gezonde rozen. Ook konden de bezoekers vragen stellen. Een interessante vraag was het aangeven van het verschil tussen de DCM producten en andere organische meststoffabrikanten. Het antwoord van Leo was dat de producten van andere producenten minder lang werkzaam zijn en in een aantal gevallen toch minerale grondstoffen bevatten.

Al met al was het een zeer interessante avond, die er voor heeft gezorgd, dat de kennis van de bezoekers van de avond op het gebied van bodemkunde weer is opgepoetst of bijgespijkerd!

In de samenvatting van Leo wordt nader op de werking en toepassing van de diverse producten ingegaan. Verdere informatie kunt u vinden op: www.dcm-info.nl. U kunt zich daar ook aanmelden voor de nieuwsbrief van DCM.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Moestuinieren en thee uit de tuin

Van sommige lezingen weet je bij voorbaat al, dat ze een succes zijn en dat was dan ook zo. Peter Bauwens van Kwekerij De Nieuwe Tuin uit De Klinge in België was op de 3e thema-avond van het jaar te gast om een lezing in twee delen te geven. Peter Bauwens heeft samen met Kathelijne Thiers een beetje eigenzinnige kwekerij, zoals hij zelf zegt, waar ze werken aan de ontwikkeling en selectie van ‘buiten-gewone’ planten en zaden van eetbare planten. Peter Bauwens heeft ook een proeftuin waar ze eetbare planten, die hij wereldwijd verzamelt, uittesten en selecteren. Hij geeft daarnaast ook lezingen over zijn ervaringen op dit vakgebied en hij heeft inmiddels 20 boeken over eetbare planten op zijn naam staan.

 

Deel 1 - Moestuin nieuwe stijl

 

en de geur is te vergelijken met die van rozen. Na de eerste oogst kunt u het gewas afknippen en gaat de plant opnieuw aan de groei.

 

Kleur in de pot onkruid.

 

Niet alle planten hebben even veel voeding nodig. Physalis pubescens (ananaskers) groeit het best als u hem niet verwent. De watermeloen ‘Golden Midget’ heeft echter wekelijks voeding nodig, even als de 'Minnesota Midget' meloen. Beide doen het goed in een wat grotere pot (jong oogsten).

Micro-erwtjes zijn ook erg lekker. Het zelfde geldt voor rijstboontjes die maar 7 tot 8 centimeter lang worden. Beide gewassen zijn ideaal voor in een pot. Ook leuk zijn rode bietjes (Pronto) en Parijse ronde worteltjes die het veel beter doen dan gewone worteltjes.

 

Fruit en kruiden in pot

Ook fruit kunt u prima in potten of bakken kweken. Erg leuk is de Alpenaardbei, die ook in het geel voorkomt en dan nog zoeter smaakt. Vijgen doen het ook goed in een pot, even als een aantal special druivensoorten zoals de Russische Korinth. Dit is een pitloze druif die vroeg rijp is (half augustus).

Het kruid Basilicum kent vele soorten, in allerlei vormen, geuren en smaken. Dit kruid heeft wel veel warmte nodig. Ook de dwergpeterselie ‘Titan’, dat platbladig is, doet het goed in potten. Het heeft veel geur en smaak.

Er zijn ook kruiden die qua smaak de zoetheid van suiker overtreffen. Zo is er Lippia dulcis (Aztekenkruid) dat 1000 maal zoeter dan suiker is. IJskruid of wel Mesembryanthemum crystallinum is een plant met vlezige bladeren vol waterachtige pareltjes en heeft een meer zoute smaak en kan rauw in sla worden gebruikt.

 

Ieniemieniplantjes

Mocht u zelfs geen tijd voor een moestuin in potten hebben, dan is het altijd nog mogelijk om minibladgroenten te gaan kweken. Door gewassen voor de moestuin heel dicht te zaaien kan men al heel snel de zaailingen eten. Deze zaailingen hebben namelijk dezelfde smaak als de groente die volgroeid is. Zaailingen van radijs smaken daadwerkelijk naar radijs en bladmosterd smaakt naar mosterd.

 

Van alle seizoenen

Het kweken in potten beperkt zich niet alleen tot het voorjaar en de zomer. Er zijn ook gewassen die u in de winter kunt oogsten. Belangrijk is echter dat u, aldus Peter Bauwens, ondervindt dat een moestuin niet alleen mooi, maar ook grappig, leerzaam en gevarieerd kan zijn. Het is belangrijk om met de moestuin in potten te spelen en gebruik te maken van geur, kleur en smaak. Snel oogsten en in alle stadia, is hierbij het devies. Dit aangevuld met een stukje kennis maakt de moestuin nieuwe stijl zeker tot een succes!

 

Deel 2 - Thee uit eigen tuin

 

Naast eetbare planten zijn er in de tuin ook volop ‘drinkbare’ planten te vinden. In tegenstelling tot de betekenis van thee als een aftreksel van de gedroogde bladeren van de theeplant Camellia sinensis, is thee uit de tuin veel meer dan een kopje water met wat blaadjes. Uit diezelfde tuin zijn de mooiste melanges samen te stellen. Thee uit eigen tuin is mogelijk door het plukken van de ingrediënten zoals je zou bloemschikken.

Thee uit eigen tuin is een drank met heel veel kleur en geur en een pot thee uit de tuin kan gevuld zijn met een mengsel van allerlei planten en plantendelen, zoals bladeren, bloemen, bessen en vruchten. Wat hierbij voorop staat is dat het vooral een verkwikkende drank is.

 

De inhoud van thee uit de tuin

Bij thee van bloemen kunt u bijvoorbeeld denken aan het omzetten van een geurende roos in een drank, waarin deze geur is gevangen. Hiervoor kunt u rozen gebruiken met een fruitachtige geur die net over hun hoogtepunt heen zijn. De blaadjes van deze rozen overgiet u met heet water: et voilá.

 

Ook van kruiden kunt u heerlijke thee maken. Wel is het belangrijk om royaal gebruik te maken van de ingrediënten, zodat de geuren en smaken optimaal tot hun recht komen. Deze kruiden kunnen zowel van Aziatische (saffraankrokus), mediterrane (zoals Hibiscus, laurier) als van andere oorsprong zijn. Ook is een combinatie van kruiden mogelijk, waarbij zoet, zuur en anijs- of kaneelachtige smaken een rol kunnen spelen. Andere planten zorgen weer voor een thee met een medicinale of geneeskrachtige werking. Een goed voorbeeld is Echinacea. Een brede variatie aan planten in uw tuin is dus gewenst!

 

Fruit is ook een geweldige component voor een lekker kopje thee. Bessen, frambozen, maar ook in schijfjes gesneden appels, peren en gekneusde kersen en krieken kunnen de basis voor een smakelijke drank zijn. Kweeperen hebben ook heel veel geur en smaak en zijn in heel dunne schijfjes gesneden ook een heerlijke smaakmaker. Rozijnen in thee zijn erg aromatisch en ook thee van vijgen zit boordevol smaak.

Er zijn ook vruchten die alleen voor de geur worden gebruikt zoals de muskaataardbei, die ook wel als geurmaker in jam en gelei wordt gebruikt. Deze aardbei is ook te gebruiken in fruitsla. Eigenlijk is de werking bij elke plant anders.

 

Hoewel dit niet echt voor de hand ligt, is er ook van groente thee te maken. Deze hartige thee gaat dan wel richting groentebouillon (uienthee). Hoe gek het ook klinkt maar de doorgeschoten bloemen van boerenkool zijn bijvoorbeeld erg geschikt om in thee te gebruiken. Ze geuren erg aangenaam en smaken niet naar kool. Ook bloemen van andere groenten zijn prima toe te passen. Het is, aldus Peter Bauwens, een kwestie van verstand op nul en mond en neus wagenwijd open!

 

 

Theeceremonie

Thee uit eigen tuin verdient het om met de nodige ceremonie te worden klaargemaakt en genuttigd. De Japanse theeceremonie,chadō of sadō; "weg van de thee is een deel van alledaags leven in traditioneel ingestelde gezinnen in Japan waarbij het drinken van thee is verheven tot een kunstvorm. Thee komt van oorsprong uit China en wordt daar al duizenden jaren gedronken. Volgens een Chinese legende ontdekte Keizer Shen Nung 3000 jaar voor Christus thee in een bos. Bladeren van een theestruik dwarrelden in een pan met heet water, waarna het geheel een aangename geur ging verspreiden.

Thee uit de tuin drinken betekent dus tijd nemen. Het mooiste is het om thee te zetten in een glazen pot, omdat naast de geuren dan ook de kleuren volop tot hun recht komen. Giet het gekookte water op de ingrediënten en laat het brouwsel op een theelichtje een poosje trekken (10 – 15 minuten). Schenkt u het daarna uit in mooie kopjes en geniet vervolgens in alle rust van de geur en smaak van deze verkwikkende drank.

 

Zoethoudertjes en smaakmakers

Door een combinatie van allerlei plantendelen maakt u een melange naar wens, die u op een aantal manieren nog zoeter kunt maken.

Thee kan worden gezoet met honing, maar ook met ahornsiroop, appel- en perenstroop en met zoethout. Er zijn ook een aantal planten, waarvan de blaadjes zorgen voor een zoete thee.

Lippia dulcis, dat 1000 zoeter is dan suiker is een goed voorbeeld, maar ook Stevia rebaudiana, honingplant, is vers of gedroogd een prima zoetmakertje.

Ook suikerriet kunt u als zoetstof gebruiken (in stukken), evenals rozijnen (gedroogde druiven) en Roomse kervel.

 

Citrusvruchten kunnen naast dat u ze kunt eten ook als smaakmaker gebruiken. Er zijn ook kruiden en planten met een citrusachtige smaak of geur zoals citroenmelisse, citroentijm, Spaanse salie, citroengras, citroenmunt en –eucalyptus, Lippia citriodora (citroenverbena), citroenbasilicum en limoenmunt.

Bergamotkruid (Monarda citriodora) doet denken aan de smaak van Earl Greythee, die op smaak is gebracht met bergamotolie afkomstig van de citrusachtige bergamotplant, Citrus aurantium subsp. Bergamia. Kleinbloemige Afrikaantjes (Tagetes tenuifolia ‘Lemon Gem’ en ‘Tangerine Gem’) hebben ook een citrusachtige geur en prachtige warme kleuren.

Ook het maarts viooltje (Viola odorata) zit boordevol viooltjesgeur en heeft ook nog eens een prachtige kleur. Een echte klassieker is lindebloesem en ook bepaalde rozen zorgen voor een heerlijk fruitaroma zorgen.

Kamille, kattenkruid (Nepeta) en Salvia sclarea zijn ook smaakmakers en kruiden als munt, kruizemunt, limoenmunt en chocolademunt zorgen voor een frisse verrassing. Oosterse Perilla frutescens die ook tot de familie van de munt behoort, heeft een komijn- en anijsachtige smaak.

Rozemarijn dient u in tegenstelling tot de andere kruiden spaarzaam te gebruiken en ook wilde oregano is lekker.

 

Wie in de winter ook nog thee uit de tuin wil drinken doet er goed aan om de blaadjes en bloemen van zijn of haar lievelingsplanten na het oogsten te drogen. Midden in de zomer is het ook leuk om ijsthee te maken met ijsblokjes waarin bloemen en blaadjes zijn opgesloten.

Maar wie juiste beplanting in de tuin heeft, kan door alle seizoenen heen thee uit eigen tuin maken, jaar in, jaar uit en jaarrond. Dus pluk en speel met alles wat de tuin u aan geuren, kleuren en smaken biedt, maar geniet er vooral van!

 

Anneke Duyvesteijn

 

www.palmaverde.nl/webwinkel/index.php

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verslag van de lezing van Peter Bauwens – Moestuin in potten / Thee uit de tuin op donderdag 12 maart 2010

 

Van sommige lezingen weet je bij voorbaat al, dat ze een succes zijn en dat was dan ook zo. Peter Bauwens van Kwekerij De Nieuwe Tuin uit De Klinge in België was op de 3e thema-avond van het jaar te gast om een lezing in twee delen te geven. Peter Bauwens heeft samen met Kathelijne Thiers een beetje eigenzinnige kwekerij, zoals hij zelf zegt, waar ze werken aan de ontwikkeling en selectie van ‘buiten-gewone’ planten en zaden van eetbare planten. Peter Bauwens heeft ook een proeftuin waar ze eetbare planten, die hij wereldwijd verzamelt, uittesten en selecteren. Hij geeft daarnaast ook lezingen over zijn ervaringen op dit vakgebied en hij heeft inmiddels 20 boeken over eetbare planten op zijn naam staan.

 

Deel 1 - Moestuin nieuwe stijl

 

De lezing van Peter Bauwens was een ode aan een moestuin nieuwe stijl, waarbij het plezier en de ervaring van het kweken van groenten, kruiden, vruchten en bloemen even belangrijk is als de oogst. In tegenstelling tot de klassieke moestuin, die veel tijd en ruimte vraagt gaf Peter Bauwens een aantal richtlijnen hoe tot een moestuin nieuwe stijl te komen. Allereerst merkte hij op dat de tuinier een dergelijke moestuin niet alleen als functioneel moet ervaren. Een moestuin van potten met groenten, kruiden en fruit kan namelijk visueel ook aantrekkelijk zijn. Het kan, aldus Peter Bauwens, een nieuwe ervaring boordevol kleuren en geuren zijn, aangevuld met het plezier van volop oogsten van verse producten uit eigen potten en bakken. In dit kader ging hij verder in op het gegeven hoe vers producten in de supermarkt daadwerkelijk zijn en wat ‘vers zijn’ eigenlijk betekent. Als voorbeeld van de snelheid waarmee een product zijn versheid verliest, noemde hij suikermaïs, waarbij de helft van de suikers die de versheid bepalen binnen 3 minuten worden afgebroken. Als je suikermaïs oogst zou je eigenlijk al een pan op moeten hebben staan om de maïs direct in te koken. Na drie minuten koken proef je dan wat vers zijn betekent!

 

Het waarom van een moestuin in potten

Als iemand geen tuin heeft, maar wel een balkon of terras of als de grond vervuild is en daarom ongeschikt om op te telen, kan er gekozen worden voor het kweken in potten of bakken. Ook kan het soms handig zijn op kruiden (in potten) dicht bij de keuken te hebben. Het voordeel van het kweken in potten is dat al heel vroeg in het seizoen kan worden gestart. Soms is het zelfs ook makkelijker een bepaald gewas in potten te kweken, dan in de volle grond.

In principe kunt u alle gewassen in potten kweken, zolang ze maar voeding en water krijgen en in een luchtig mengsel zijn geplant. Het liefst zou u regenwater moeten gebruiken en in de zomer moet er zelfs sprake zijn van een regelmatige aanvoer van zowel voeding als water. Het is verder raadzaam om de voeding tegelijkertijd met het vocht toe te dienen.

 

Klein maar fijn

Het succes van de teelt ligt echter in de keuze van de plant. In tegenstelling tot de klassieke moestuin verdient het aanbeveling om planten te gebruiken die een wat kleinere groeiwijze hebben dan de normale moestuinplanten: klein, maar fijn is dus het motto. Aan de hand van een presentatie liet Peter Bauwens een aantal van die gewassen de revue passeren.

Sla komt voor in allerlei soorten en maten. Het kweken van sla is vrij eenvoudig en gaat snel. Er kan in deze tijd van het jaar al worden gezaaid. Sla houdt van koude en is vaak al na 5 weken te oogsten. Naast krulsla bestaan er slasoorten zoals sproetjessla, kaboutersla en ‘Little Gem’. Naast de groene soorten bestaan er ook mooie donkere en zelfs gevlamde soorten.

Ook tuinbonen kunt u nu zaaien en het is verstandig gebruik te maken van lage variëteiten d.w.z. compacte kleine dwergrassen (o.a. Vicia faba ‘sutton-dwarf’). Het oogsten van dit gewas kan evenals bij de andere groente in verschillende stadia. Zo kunt u i.p.v. de bonen te laten volgroeien, ook de jonge peulen eten. De toppen van tuinbonen zijn ook eetbaar en als u de toppen eruit haalt, voorkomt u tegelijkertijd de mogelijke aantasting van bladluis. De bloemen van tuinbonen ruiken trouwens heerlijk en de geur is te vergelijken met die van rozen. Na de eerste oogst kunt u het gewas afknippen en gaat de plant opnieuw aan de groei.

 

Kleur in de pot

Het streven bij een moestuin in potten zou er op gericht moeten zijn om naast geuren, ook kleur in de potten te realiseren. Snijbiet of warmoes kan daar een goede bijdrage aan leveren door zijn kleurrijke stengels. De bladeren van snijbiet kunt u in het begin als sla verwerken en later als spinazie. Dit gewas kunt u continue snoeien om de groei te bevorderen. Wel dient u regelmatig water en voeding te geven, zodat u tot in het najaar kunt oogsten.

Ook tomaten en komkommers kunt u in potten kweken. Hierbij geldt even als bij de voorgaande gewassen dat u miniplanten dient te gebruiken. Minikomkommers worden niet hoger dan 30 – 40 centimeter en zijn al met een potmaat van 15 – 20 centimeter tevreden. De komkommers dient u al in een vroeg stadium te oogsten, zodat de plant aan de groei blijft. Dit geldt ook bij courgettes. Microtomatenplanten (Tiny Tim en Tiny Tom) worden 15 tot 20 centimeter hoog en kunnen in de zomer wel twee tot drie keer worden gezaaid. In mei / juni kunnen voorgezaaide potten naar buiten. Er is volop keuze in compact laagblijvende soorten.

Er zijn ook minipaprika’s in allerlei kleuren met vruchten van 3 tot vier centimeter. Deze dwergrassen groeien snel en zijn kort levend. Ze hebben veel warmte nodig en kunnen het best op een warm plekje tegen een muur staan. Dit geldt ook voor mini-aubergines (Morden Midget).

 

Voeding

Het is belangrijk om te weten welke voeding planten nodig hebben, maar ook hoeveel en hoe vaak. Het is heel eenvoudig om zelf plantenvoeding te maken. Dit kan door het vullen van een kuip of ton met regenwater en die te vullen met brandnetels, smeerwortel, zevenblad en andere onkruiden. Na het vullen moet u de kuip of ton afdekken en gaat de vloeistof gisten en stinken. Het stinken, kunt u verminderen door wat kalk aan het water toe te voegen of Roomse kervel. Na drie of vier weken kunt u de voeding gebruiken door het tienmaal te verdunnen. Deze voeding altijd aan de voet van de plant gieten en de ton steeds weer aanvullen met water en onkruid.

 

Niet alle planten hebben even veel voeding nodig. Physalis pubescens (ananaskers) groeit het best als u hem niet verwent. De watermeloen ‘Golden Midget’ heeft echter wekelijks voeding nodig, even als de 'Minnesota Midget' meloen. Beide doen het goed in een wat grotere pot (jong oogsten).

Micro-erwtjes zijn ook erg lekker. Het zelfde geldt voor rijstboontjes die maar 7 tot 8 centimeter lang worden. Beide gewassen zijn ideaal voor in een pot. Ook leuk zijn rode bietjes (Pronto) en Parijse ronde worteltjes die het veel beter doen dan gewone worteltjes.

 

Fruit en kruiden in pot

Ook fruit kunt u prima in potten of bakken kweken. Erg leuk is de Alpenaardbei, die ook in het geel voorkomt en dan nog zoeter smaakt. Vijgen doen het ook goed in een pot, even als een aantal special druivensoorten zoals de Russische Korinth. Dit is een pitloze druif die vroeg rijp is (half augustus).

Het kruid Basilicum kent vele soorten, in allerlei vormen, geuren en smaken. Dit kruid heeft wel veel warmte nodig. Ook de dwergpeterselie ‘Titan’, dat platbladig is, doet het goed in potten. Het heeft veel geur en smaak.

Er zijn ook kruiden die qua smaak de zoetheid van suiker overtreffen. Zo is er Lippia dulcis (Aztekenkruid) dat 1000 maal zoeter dan suiker is. IJskruid of wel Mesembryanthemum crystallinum is een plant met vlezige bladeren vol waterachtige pareltjes en heeft een meer zoute smaak en kan rauw in sla worden gebruikt.

 

Ieniemieniplantjes

Mocht u zelfs geen tijd voor een moestuin in potten hebben, dan is het altijd nog mogelijk om minibladgroenten te gaan kweken. Door gewassen voor de moestuin heel dicht te zaaien kan men al heel snel de zaailingen eten. Deze zaailingen hebben namelijk dezelfde smaak als de groente die volgroeid is. Zaailingen van radijs smaken daadwerkelijk naar radijs en bladmosterd smaakt naar mosterd.

 

Van alle seizoenen

Het kweken in potten beperkt zich niet alleen tot het voorjaar en de zomer. Er zijn ook gewassen die u in de winter kunt oogsten. Belangrijk is echter dat u, aldus Peter Bauwens, ondervindt dat een moestuin niet alleen mooi, maar ook grappig, leerzaam en gevarieerd kan zijn. Het is belangrijk om met de moestuin in potten te spelen en gebruik te maken van geur, kleur en smaak. Snel oogsten en in alle stadia, is hierbij het devies. Dit aangevuld met een stukje kennis maakt de moestuin nieuwe stijl zeker tot een succes!

Deel 2 - Thee uit eigen tuin

 

Naast eetbare planten zijn er in de tuin ook volop ‘drinkbare’ planten te vinden. In tegenstelling tot de betekenis van thee als een aftreksel van de gedroogde bladeren van de theeplant Camellia sinensis, is thee uit de tuin veel meer dan een kopje water met wat blaadjes. Uit diezelfde tuin zijn de mooiste melanges samen te stellen. Thee uit eigen tuin is mogelijk door het plukken van de ingrediënten zoals je zou bloemschikken.

Thee uit eigen tuin is een drank met heel veel kleur en geur en een pot thee uit de tuin kan gevuld zijn met een mengsel van allerlei planten en plantendelen, zoals bladeren, bloemen, bessen en vruchten. Wat hierbij voorop staat is dat het vooral een verkwikkende drank is.

 

De inhoud van thee uit de tuin

Bij thee van bloemen kunt u bijvoorbeeld denken aan het omzetten van een geurende roos in een drank, waarin deze geur is gevangen. Hiervoor kunt u rozen gebruiken met een fruitachtige geur die net over hun hoogtepunt heen zijn. De blaadjes van deze rozen overgiet u met heet water: et voilá.

 

Ook van kruiden kunt u heerlijke thee maken. Wel is het belangrijk om royaal gebruik te maken van de ingrediënten, zodat de geuren en smaken optimaal tot hun recht komen. Deze kruiden kunnen zowel van Aziatische (saffraankrokus), mediterrane (zoals Hibiscus, laurier) als van andere oorsprong zijn. Ook is een combinatie van kruiden mogelijk, waarbij zoet, zuur en anijs- of kaneelachtige smaken een rol kunnen spelen. Andere planten zorgen weer voor een thee met een medicinale of geneeskrachtige werking. Een goed voorbeeld is Echinacea. Een brede variatie aan planten in uw tuin is dus gewenst!

 

Fruit is ook een geweldige component voor een lekker kopje thee. Bessen, frambozen, maar ook in schijfjes gesneden appels, peren en gekneusde kersen en krieken kunnen de basis voor een smakelijke drank zijn. Kweeperen hebben ook heel veel geur en smaak en zijn in heel dunne schijfjes gesneden ook een heerlijke smaakmaker. Rozijnen in thee zijn erg aromatisch en ook thee van vijgen zit boordevol smaak.

Er zijn ook vruchten die alleen voor de geur worden gebruikt zoals de muskaataardbei, die ook wel als geurmaker in jam en gelei wordt gebruikt. Deze aardbei is ook te gebruiken in fruitsla. Eigenlijk is de werking bij elke plant anders.

 

Hoewel dit niet echt voor de hand ligt, is er ook van groente thee te maken. Deze hartige thee gaat dan wel richting groentebouillon (uienthee). Hoe gek het ook klinkt maar de doorgeschoten bloemen van boerenkool zijn bijvoorbeeld erg geschikt om in thee te gebruiken. Ze geuren erg aangenaam en smaken niet naar kool. Ook bloemen van andere groenten zijn prima toe te passen. Het is, aldus Peter Bauwens, een kwestie van verstand op nul en mond en neus wagenwijd open!

 

Theeceremonie

Thee uit eigen tuin verdient het om met de nodige ceremonie te worden klaargemaakt en genuttigd. De Japanse theeceremonie,chadō of sadō; "weg van de thee is een deel van alledaags leven in traditioneel ingestelde gezinnen in Japan waarbij het drinken van thee is verheven tot een kunstvorm. Thee komt van oorsprong uit China en wordt daar al duizenden jaren gedronken. Volgens een Chinese legende ontdekte Keizer Shen Nung 3000 jaar voor Christus thee in een bos. Bladeren van een theestruik dwarrelden in een pan met heet water, waarna het geheel een aangename geur ging verspreiden.

Thee uit de tuin drinken betekent dus tijd nemen. Het mooiste is het om thee te zetten in een glazen pot, omdat naast de geuren dan ook de kleuren volop tot hun recht komen. Giet het gekookte water op de ingrediënten en laat het brouwsel op een theelichtje een poosje trekken (10 – 15 minuten). Schenkt u het daarna uit in mooie kopjes en geniet vervolgens in alle rust van de geur en smaak van deze verkwikkende drank.

 

Zoethoudertjes en smaakmakers

Door een combinatie van allerlei plantendelen maakt u een melange naar wens, die u op een aantal manieren nog zoeter kunt maken.

Thee kan worden gezoet met honing, maar ook met ahornsiroop, appel- en perenstroop en met zoethout. Er zijn ook een aantal planten, waarvan de blaadjes zorgen voor een zoete thee.

Lippia dulcis, dat 1000 zoeter is dan suiker is een goed voorbeeld, maar ook Stevia rebaudiana, honingplant, is vers of gedroogd een prima zoetmakertje.

Ook suikerriet kunt u als zoetstof gebruiken (in stukken), evenals rozijnen (gedroogde druiven) en Roomse kervel.

 

Citrusvruchten kunnen naast dat u ze kunt eten ook als smaakmaker gebruiken. Er zijn ook kruiden en planten met een citrusachtige smaak of geur zoals citroenmelisse, citroentijm, Spaanse salie, citroengras, citroenmunt en –eucalyptus, Lippia citriodora (citroenverbena), citroenbasilicum en limoenmunt.

Bergamotkruid (Monarda citriodora) doet denken aan de smaak van Earl Greythee, die op smaak is gebracht met bergamotolie afkomstig van de citrusachtige bergamotplant, Citrus aurantium subsp. Bergamia. Kleinbloemige Afrikaantjes (Tagetes tenuifolia ‘Lemon Gem’ en ‘Tangerine Gem’) hebben ook een citrusachtige geur en prachtige warme kleuren.

Ook het maarts viooltje (Viola odorata) zit boordevol viooltjesgeur en heeft ook nog eens een prachtige kleur. Een echte klassieker is lindebloesem en ook bepaalde rozen zorgen voor een heerlijk fruitaroma zorgen.

Kamille, kattenkruid (Nepeta) en Salvia sclarea zijn ook smaakmakers en kruiden als munt, kruizemunt, limoenmunt en chocolademunt zorgen voor een frisse verrassing. Oosterse Perilla frutescens die ook tot de familie van de munt behoort, heeft een komijn- en anijsachtige smaak.

Rozemarijn dient u in tegenstelling tot de andere kruiden spaarzaam te gebruiken en ook wilde oregano is lekker.

 

Wie in de winter ook nog thee uit de tuin wil drinken doet er goed aan om de blaadjes en bloemen van zijn of haar lievelingsplanten na het oogsten te drogen. Midden in de zomer is het ook leuk om ijsthee te maken met ijsblokjes waarin bloemen en blaadjes zijn opgesloten.

Maar wie juiste beplanting in de tuin heeft, kan door alle seizoenen heen thee uit eigen tuin maken, jaar in, jaar uit en jaarrond. Dus pluk en speel met alles wat de tuin u aan geuren, kleuren en smaken biedt, maar geniet er vooral van!

 

Anneke Duyvesteijn

 

http://www.palmaverde.nl/webwinkel/index.php?action=article&aid=5114&lang=NL

Mysterieuze Maretak

Lezing over de maretak op 11 november 2010 door Ad van der Maden

Op de thema-avond van november stond de maretak in de schijnwerpers. Als geen ander weet Ad van der Maden, de maretakkenman uit Den Hout alles over deze mysterieuze plant te vertellen. Wie niet beter wist, zou hebben gedacht in een toneelstuk te zijn terecht gekomen. Ad van der Maden begon zijn lezing namelijk met het uitbeelden van een van de oude gebruiken rondom de maretak, waarbij hij de rol van een boer met een zieke koe speelde. In vroegere tijden hingen boeren de maretak aan balken in de stal om het kwaad in de vorm van ziektes bij de dieren te weren en ze vruchtbaar te houden.

Na zich weer te hebben ontdaan van pet en klompen vertelde Ad van der Maden, als eerste, over het ontstaan van zijn interesse in de maretak. Die ontstond niet voor niets, want Ad heeft allerlei studies gedaan op het gebied van de boomkwekerij, de bloementeelt en boomchirurgie. Tijdens een verblijf in Limburg was hij gebiologeerd geraakt door de ‘rare’ bollen die hij daar in diverse loofbomen zag en wilde er het zijne van weten.

Verspreidingsgebied in Nederland

De maretak, Viscum album, is inheems in Nederland en is te vinden in een gebied ten zuiden van Sittard, dat via het Geuldal richting de Belgische voerstreek loopt, uitzonderingen daargelaten. De maretak is een beschermde plant, die op de zogenaamde rode lijst voorkomt. Meestal komt maretak in ons land voor op bomen als lijsterbes, populier en appel.

Familie en volksnamen

De maretak behoort tot de familie van Loranthaceae, die uit ongeveer 1300 soorten bestaat.

De belangrijkste soorten zijn: de Europese maretak, Viscum en de Amerikaanse maretak Phorodendron, die op loofbomen voorkomen en de dwergmaretak, Arcenthobium, die op naaldbomen voorkomt. De dwergmaretak wordt in het buitenland als plaag beschouwd. Hij verspreidt zich letterlijk en figuurlijk met een explosieve kracht, omdat zijn zaden exploderen en wel 15 meter weg kunnen springen.

Op Euphorbium, een plant die wij als kamerplant kennen, groeit de kleinste soort: Viscum minimum. In het Arboretum Trompenburg is een exemplaar van deze soort te vinden. Inheems is deze soort te vinden in warmere gebieden op aarde. De bessen van de soorten zijn niet allemaal wit, zoals bij Viscum album. Er zijn ook soorten met groene bessen, zoals Viscum capense en rode bessen bij Viscum cruciatum. De laatste soort komt voor in gedeeltes van Portugal, zuidwest Spanje, Noord-Afrika, Australië en Azië. Deze soort is echter niet winterhard.

Terwijl Viscum album de Latijnse naam is voor maretak is het Engelse woord voor deze plant Mistletoe. In de volksmond staat maretak ook bekend als boomkruid, duivelsnest en vogellijm. Ten onrechte wordt maretak ook wel heksenbezem genoemd. Een heksenbezem is een afwijking in de groei, in de een vorm van woekering, waarbij zich uit een enkele groeitop een grote hoeveelheid groeitoppen ontwikkelen. In ons land komen heksenbezems o.a. voor in berken.

Groeiwijze en voorkomen

De bessen van maretak zijn eigenlijk steenvruchten. Een steenvrucht lijkt op een bes, maar de buitenste laag van de vrucht is vlezig of sappig, de binnenste is hard met daarin meestal 1 zaadje, zoals ook bij een pruim of een kers. Een echte bes is een vlezige, sappige vrucht, waarvan de zaden vrij in het vruchtvlees liggen. De vrucht van de maretak wordt door vogels gegeten. De zaden worden niet verteerd en hebben een kleverige laag, waardoor maretak ook wel vogellijm wordt genoemd. In Italië en andere Zuid-Europese landen wordt deze kleverige stof gebruikt om vogels mee te vangen voor consumptie. Vogels die de bessen graag eten zijn de grote lijster, de kramsvogel en de pestvogel.

Als het zaadje uit de bes van de maretak door een vogel is achtergelaten op een geschikte loofboom, dringt het, in gunstige omstandigheden, via een boorworteltje de stam van de boom binnen naar het cambiumhout. Dit proces duurt minstens een jaar. Na een jaar verspreiden de wortels zich steeds verder in de boom. Dan ook ontwikkelen zich ook de blaadjes van de maretak op de stam, die een gaffelvormige (gevorkte) groei vertonen. De maretak is geen parasiet, maar een halfparasiet die in symbiose met zijn gastheer leeft. Dit betekent dat hij gebruik maakt van de sappen van de boom, maar verder geen schade aanricht. Andere halfparasieten zijn planten als de grote ratelaar, de grote schubwortel en de wilde weit. De maretak is wintergroen en dit betekent dat hij ook in de winter gebruik maakt van de sappen van de boom, die zelf in winterrust is. De bladeren van de maretak zijn leerachtig en heldergroen en de bloemen zijn klein. De plant is tweehuizig, wat betekent, dat de mannelijke en vrouwelijke bloemen niet op dezelfde plant voorkomen. Het duurt wel tussen de zes tot tien jaar voor de eerste bloemen zich laten zien. De plant heeft verder de eigenschap om met de zwaartekracht en tegen de zwaartekracht in te groeien.

Medische eigenschappen, mythen en gebruiken

Aan de maretak worden ook medische eigenschappen toegedicht. Al in het Befaamde Cruijdeboeck van Rembert Dodoens uit 1554 wordt gewag gemaakt van deze eigenschappen. Ook tegenwoordig wordt er nog steeds onderzoek naar maretak als geneesmiddel gedaan en zijn er al testen en proeven bekend uit 1940. Maretak bevat viscotoxine wat onder andere wordt aanbevolen voor hoge bloeddruk, adderverkalking en hartklachten.

Door zijn mysterieuze groei zijn door de eeuwen heen ook allerlei mythen rondom maretak ontstaan. Druïden snoeiden de maretak in de eerste nacht van het nieuwe jaar. Krijgers droegen de maretak om overwinningen te behalen en oude mensen om ziekten en kwaaltjes te genezen. De maretak wordt nu nog steeds opgehangen om geluk en vruchtbaarheid aan te trekken. Een ander oud gebruik is het kussen onder de maretak, dat in het bijzonder in de kerstperiode aan de orde is. De kracht van de maretak werd, volgens het bijgeloof, zelfs nog versterkt als ze op een eik groeide. In dit kader vertelde Ad van der Maden over de eik in zijn woonplaats Den Hout, waarop de brink een eik staat die volgens specialisten uit 1250 stamt. In de Middeleeuwen bevond een brink zich aan de rand van een dorp en kwamen er ’s avonds de koeien en schapen bijeen.

Het kweken van maretak

Gebiologeerd als hij was, wilde Ad van der Maden, toch ook zelf eens proberen om maretak te kweken. Nadat hij zich volledig in de materie had verdiept, is hij begonnen met de eerste proeven. Uiteindelijk is het hem gelukt. Tegenwoordig kweekt hij op zijn kwekerij bij zijn huis in Den Hout zijn eigen maretakken. Was het eerst op Malus ‘Pomzai’, nu gebruikt hij ook andere malussoorten, zoals Malus ‘Adirondak’, Malus ‘White Candle’ en ‘White Angle’. Het kweken van maretak is een heel proces, waarbij hij door de boom vooraf te prepareren een rendement van 90 – 95 % heeft. Al twee maanden van te voren worden de gastheren geprepareerd. Inmiddels heeft Ad van der Maden de maretak ook uitgezet op de eik, de lijsterbes, prunus, Gingko biloba en linde.

Wilt u ook een boom met maretak dan kunt u die bij Ad op de kwekerij kopen. Voor meer informatie kunt u surfen naar www.maretakkenman.nl. De bomen staan in een 10 literpot en zijn het hele jaar door te planten. De maretakken zijn 4 jaar oud en er staan steeds 2 tot 3 maretakken op een boom. In Den Hout heeft de maretakkenman ook nog een leuk klein museum met voorwerpen uit grootmoeders tijd. Misschien een leuk idee voor een uitje?

Aan het einde van de avond gingen alle aanwezigen tevreden na huis, nadat ze hadden genoten van een informatieve en leerzame lezing die met veel humor werd gegeven.

Anneke Duyvesteijn

Natuurrijk tuinieren

Lezing donderdag 8 maart 2012 bij Groei & Bloei Westland

De voorzitter van de KNNV afdeling Delfland, Geert van Poelgeest was op donderdag 8 maart uitgenodigd om een lezing te geven over de natuurrijke tuin. De KNNV afdeling Delfland, de vereniging voor veldbiologie, is een natuurvereniging met als werkgebied de gemeenten Delft, Lansingerland, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp en Westland, en de gebieden Sion, Wilhelminapark, Elsenburgerbos (Rijswijk) en Ypenburg (Den Haag). De landelijke vereniging is al ruim 100 jaar oud en is in 1901 opgericht als Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging door o.a. de bekende Jac. P. Thijsse, o.a. bekend door zijn albums die hij maakt voor koekjesfabrikant Verkade. Doelstelling van de KNNV is om mensen enthousiast te maken voor de 3 N’s, te weten: natuurstudie, natuureducatie en natuurbescherming. E.e.a. uit zich onder andere door het geven van beheeradviezen aan natuurbeheerders onder het motto: ‘Samenleven met de natuur’.

De tuinier als natuurbeheerder

Onder de natuurbeheerders valt uiteraard ook de tuinier, die in de tuin zijn eigen stukje natuur beheert. Het doel van de lezing van Geert van Poelgeest was dan ook om de aanwezigen duidelijk te maken hoe je met de natuur rekening kunt houden in je tuin. Hierbij ging Geert in op de verschillende typen tuinen die er zijn.

De versteende tuin

Een tuin die er de laatste tijd erg uitspringt, is de versteende tuin. Dit is een tuin, die eigenlijk weinig met de natuur te maken heeft en bestaat uit een verzameling van stenen, waarbij de enige zorg is hoe ze deze zo schoon mogelijk te houden. Dit is uiteraard geen tuin om blij van te worden en aan de natuur voegt een dergelijke tuin niets toe. De toename van dit soort tuinen geeft aan hoe belangrijk de eerste natuurervaring van een kind/mens is. Die eerste natuurervaring is bepalend voor uw hele leven en het is daarom belangrijk dat juist de omgeving om ons heen zo groen mogelijk is.

De ‘monumentale’ tuin

Een ander type tuin is de tuin met monumentaal groen, waarin veel in vorm gesnoeide altijd groene struiken en coniferen te vinden zijn. Hoewel deze tuin natuurlijk oogt, betekent dit groen nog niet echt veel voor de natuur, zij het dat vogels in coniferen een aardige nestgelegenheid vinden. Het zelfde geldt voor naaldbossen. De soortenrijkdom in loofbossen is veel groter.

De doorzontuin

Al veel meer betekenis voor de natuur heeft de zogenaamde ‘doorzontuin’, een tuin met een gazon en borders met vaste planten en hier en daar een struik.

Geef de natuur een kans

De tuin die Geert vanuit de KNNV gedachten het liefst ziet is de natuurrijke tuin. In een natuurrijke tuin is water te vinden. Dit kan variëren van een drinkbak tot een vijver. Er is weinig bestrating. De bodem is bedekt met bodembedekkers en er is variatie in hoogte door de aanwezigheid van struiken en bomen. Er zijn bloeiende en besdragende struiken en bomen en de juiste plant staat er op de juiste plaats.

Thuis in de tuin

Deze ingrediënten zorgen er voor dat ook dieren, vogels en insecten zich hier thuis voelen. In dit kader is het ook handig om juist die planten te kiezen die insecten als bijen en vlinders aantrekken. Het liefst ziet Geert een assortiment aan planten in de tuin die op elk op hun beurt en op hun tijd een bepaald insect aantrekken. Terwijl het sneeuwklokje de aandacht van citroenvlinders trekt, heeft de vlinderstruik op zijn beurt een grote aantrekkingskracht op vlinders. Om diverse insecten aan te trekken verdient het aanbeveling om te variëren in soorten, waarbij het stuifmeel diep en ondiep in de bloem zit. Planten zoals kamperfoelie trekken insecten aan met een lange tong, omdat het stuifmeel hier diep verstopt in de bloeiwijze zit. Er zijn ook insecten die door hun bouw liever een bloem kiezen van het ‘gedekte tafel model’, zoals Sedum. Het mooie van planten zoals vingerhoedskruid is dat een hommel precies in de bloem past en dat de stevige steel in staat is om het gewicht van de hommel te dragen. 2012 is trouwens het jaar van de bij en dat is niet voor niets want het voortbestaan van zowel honingbij als wilde bij staat onder druk.

Bestuiving en kleuren

V.w.b. het bestuiven vertelde Geert, dat bloemen op allerlei manieren insecten aantrekken. Een van deze manieren is de kleur van de bloem. Terwijl de mens de zeven kleuren van de regenboog onderscheidt, is het spectrum bij insecten verschoven; Insecten, vooral bijen, zien kleuren die het menselijke oog alleen onder ultraviolet licht kunnen zien. Zij onderscheiden dus ultraviolet licht, maar ook infrarood. Dit is belangrijk omdat insecten de zon als kompas gebruiken. Bloemen met een felrode kleur, zoals Pelargonium en Fuchsia, die van oorsprong uit de tropen of subtropen komen, worden zelden tot nooit door insecten bestoven. Dit komt dus omdat bijen de kleur rood niet kunnen onderscheiden. Deze planten worden in het land van herkomst vaak bestoven door vogels, zoals de kolibrie en door vleermuizen. 

Besdragende planten en vlechthagen

Ook bloeiende struiken en bomen die bessen dragen in de herfst zijn belangrijk. Zelfs in een kleine tuin kan een meidoorn al wonderen verrichten. De tweezijdige meidoorn is een struik is die tot 4,5 m hoog wordt en soms het karakter van een boom kan krijgen. Ze bloeien in mei/juni met sterk geurende bloemen. Meidoorns, maar ook sleedoorns zijn struiken die vroeger veel werden toegepast om (ondoordringbare) hagen te maken. Rondom steden werden zelfs zogenaamde vlechthagen aangebracht. Met de uitvinding van het prikkeldraad verdwenen de meeste van deze hagen Tegenwoordig begint de belangstelling voor de vlechtheg weer toe te nemen en is er zelfs een kampioenschap heggen vlechten. Ook de lijsterbes is een boom/struik voor in een kleine tuin en wat te denken van de vlier. Dat de vlier niet alleen culinaire eigenschappen heeft, bleek uit de verhalen die loskwamen na het noemen van deze besdragende struik over het zogenaamde elzen proppen schieten. Onder de aanwezigen waren er een aantal die in hun kindertijd van een stukje tak van een vlier een proppenschieter maakte. Wilt u het ook eens proberen? Hieronder staat het recept.

Hoe maak je een proppenschieter?

Neemt u een mooi, recht stuk hout van de jonge tak van een vlier van ongeveer 20 cm lang en 3 cm doorsnede. Haal daar een stukje van 5 cm af voor de zogenaamde "schieter", die ook als “hamer” dienst kan doen. Uit het lange stuk steekt u het aanwezige merg (met een dunnere tak), zodat er het takje hol wordt en er een soort pijp ontstaat. De doorsnede moet zodanig groot zijn, dat u er aan het uiteinde een elzenprop in kan slaan met de “hamer”. Die maak je van het korte stuk hout en een (beton)ijzeren staaf, die maar net door de pijp heen kan en zo lang is, dat hij tot aan de elzenprop reikt. Met kracht stoot je dan de staaf door de pijp. De prop schiet door de luchtdruk met een flinke plop weg.

Voorzieningen

Insectenhotels en nestkastjes

Voor het aantrekken van dieren en insecten kunt u naast geschikte beplanting ook een aantal voorzieningen maken. Een ervan is het insectenhotel. In eerste instantie hoeft dit hotel niets meer te zijn dan een stuk hout met gaatjes van 10 cm diep en 2 tot 10 mm doorsnede. Vooral solitaire bijen doet u hier een plezier mee. Ook nestkastjes zijn een goed voorbeeld. Het voldoet om per tuin 1 nestkastje te installeren; dit voorkomt geruzie om het territorium.

Water

Ook de aanwezigheid van water in de tuin is belangrijk. Hierbij is het wel van belang dat er contact is tussen land en water d.w.z. dat er een geleidelijke overgang is tussen land en bijvoorbeeld de vijver. Hebt u een vijver dat is het ook belangrijk om hier een moerasgedeelte in aan te brengen, waar amfibieën zoals padden hun eitjes kunnen leggen. Per kubieke meter 1 vis is voldoende en de diepte van de vijver zou toch wel 1 meter moeten zijn. Als tip gaf Geert verder nog mee dat het handig is om als er sneeuw valt en de vijver is bevroren de sneeuw er af te vegen. Hierdoor kan het licht de planten onder het ijs beter bereiken.

Groene daken

Ook de aanleg van groene daken is, aldus Geert, vooral in steden belangrijk. Niet alleen insecten en dieren profiteren ervan, maar ook de mens. Groene daken, maar ook hoge bomen en ander groen reduceren de temperatuur in de stad door verdamping. Sommige bomen, zoals de beuk, verdampen wel 600 liter per dag. Voor die verdamping gebruiken ze de warmte/energie uit de omgeving en ze zorgen vooral op warmere dagen voor een aangenamere temperatuur.

Composthoop 

In een natuurrijke tuin past ook een composthoop. Dit kan in de vorm van een hoop, maar in een kleinere tuin kunt u ook gebruik maken van een compostvat. Het verdient aanbeveling dat het vat aan de onderkant direct contact met de aarde heeft.

Houtwallen

Ook houtwallen kunnen onderdak bieden aan allerlei insecten en dieren. Deze kunt u opbouwen van snoeiafval dat te groot is voor de composthoop.

Overlast  

Hoewel het in belang van ons mens is om allerlei insecten en dieren naar de tuin te trekken, zijn er toch insecten, zoals mieren die voor overlast kunnen zorgen, vooral als ze in huis komen. Denkt u hierbij aan mieren. Omdat mieren niet tegen koper kunnen is een natuurvriendelijke manier nog steeds het gebruik maken van koperen muntstukken. Een suggestie die door een van de aanwezigen aan de hand werd gedaan is het strooien van zelfrijzend bakmeel!

Jaarthema 2012

Afrondend stelde Geert nog dat de natuur is gebaat bij regelmaat. In dit kader noemde hij het jaarthema van de KNNV: bloeiende bermen. Op zaterdag 17 maart gaat de campagne van start. Hierbij wordt o.a. aandacht gevraagd voor het bermbeheer d.w.z. het maaien van de vegetatie. Het moment van maaien bepaalt of soorten tot bloei en zaadvorming kunnen komen. Het aantal keren maaien is hierbij van invloed. Bij meer dan 2 keer maaien ontstaat er een vegetatie van alleen maar gras. Ook het al dan niet afvoeren van het maaisel heeft hier invloed op. Door het maaisel af te voeren, verarm je de grond, maar je bevordert de natuur, omdat andere planten een kans krijgen. Door overbemesting realiseer je juist het tegenovergestelde en treedt er een verarming van de soortenrijkdom op.

Na een interessante avond gingen de aanwezigen ‘verrijkt’ naar huis! 

Anneke Duyvesteijn

Onderhoudsvrije tuin

De juiste plant op de juiste plaats voorkomt stress voor plant en tuinier

Op donderdag 13 oktober was Cor Bras, samen met zijn broer Wilfried, te gast bij Groei & Bloei afdeling Westland. Cor en zijn broer waren tot voor kort eigenaar van Ploeger-De Bilt, een sortimentskwekerij die befaamd was om het enorme sortiment vaste planten. Door een aantal gemeentelijke dwalingen is eind september 2010 het faillissement over Ploeger uitgesproken, een verlies voor het vak. Gelukkig tonen Cor en zijn familie voldoende veerkracht om door te gaan en mogelijk zullen we in de nabije toekomst weer van deze kwekerij horen. Ook zal de nieuwe website binnenkort de lucht in gaan.

Dat Cor nog steeds op en top een echte vakman is, bleek uit de duidelijke manier waarop hij de bezoekers van deze avond vertelde over de wijze waarop we planten in de border zo gezond mogelijk kunnen houden of krijgen. Wat vooral belangrijk is, is het plaatsen van planten op de juiste plaats. Als dit het geval is, zullen uw planten minder last van ziektes en plagen hebben en u zelf geen stress . Het allerbelangrijkste is dat op de juiste plaats een plant het minste onderhoud vergt.

Diverse standplaatsen

Aan de hand van een hand-out en dia’s ging Cor Bras in op de specifieke standplaats van een aantal planten met een grote sierwaarde. Op een droge plaats in de zon doen planten met dikke, vette bladeren het vaak goed. In hun bladeren slaan deze planten reservevocht op, waardoor ze bestand zijn tegen droogte. In dit kader noemde Cor Sedum ‘Matrona’. Een veel gehoorde klacht bij Sedum is dat deze op rijkere grond omvallen. Dit kunt u prima oplossen door de plant voor de langste dag tot 20 centimeter terug te knippen. Een andere optie is om een groter en dieper plantgat te graven, hierin brekerszand met de tuingrond te mengen en de plant daarin diep terug te planten.

Grijsbladige of behaarde planten zullen het in deze omstandigheid ook goed doen. Denkt u hierbij aan Onosma alborosea, een vaste plant die in april - mei bleek roze bloeit. De bladeren van deze plant zijn net schuurpapier. Een plant die qua bloemhoogte de twee meter zal halen is Onopordon nervosum. Omdat deze plant slechts een bladrozet maakt van ongeveer 40 centimeter hoog is het niet handig om deze plant achter in de border te planten. Tip: vraag na of zoek uit of de aangegeven hoogte de blad- of bloemhoogte is!

Iets wat ook handig is om te onthouden is, dat planten met felle kleuren, zoals fel rood en fel blauw vaak niet winterhard zijn en een subtropische achtergrond hebben. Planten die inheems in ons land voorkomen hebben vaak pastelkleuren.

Onder bomen is het vaak heel droog. Toch zijn er planten die ook daar goed gedijen. Een goed voorbeeld is: Clematis heracleiifolia ‘Côte d’Azur’, geen klimmende maar een vaste bodembedekkende plant. Het is wel verstandig om voor planten onder een boom de grond te mengen met goede potaarde. Zet u nieuwe planten in een plantgat nooit alleen in de potaarde, maar meng de aarde goed door met de oorspronkelijke tuingrond, zodat er een soort overgangsmilieu ontstaat. Hierdoor kunnen de wortels van de plant zich goed vastzetten. Even een zijsprongetje m.b.t. klimmende Clematis: een dakpan voor de voet van Clematis is een fabeltje, zet u liever een bodembedekker aan de voet van deze plant.

Een leuke wintergroene bodembedekker is in dit geval: Waldsteinia ternata, die geel bloeit. In zeer droge omstandigheden en ook goed geschikt voor een pluktuin is Aster divaricatus. Deze aster bloeit van augustus tot oktober en hij doet het ook in de schaduw goed. Wilt u niet dat deze plant uitzaait, knipt u dan na de bloei de koppen er uit!

Droogteminnend, maar een hekel aan vocht heeft de zwaar behaarde Stachys byzantina ‘Silver Carpet’. Als deze plant te nat staat is hij gauw verdwenen, ook op te rijke grond geeft deze plant problemen. In een gat gemengd met brekerszand of langs een grindpad heeft hij het echter uitstekend naar zijn zin. Salvia argentea houdt ook niet van vocht. Deze plant is vaak een- en soms tweejarig. Als u uit deze plant direct na de bloei de bloemtakken knipt, dan maakt de plant rozetten. U houdt de plant als het ware voor de gek en zo bloeit hij vaak een volgend jaar weer. Anchusa azurea ‘Loddon Royalist’ behoort ook tot de groep nathaters. Deze plant staat het liefst zeer droog en zal na natte winters vaak verdwijnen. Het beste zou hij op pure zandgrond staan waar het water snel weg is.

Niet te droog en op kleiige grond heeft Helleborus orientalis het prima naar zijn zin. Als u in januari, als de bloemknoppen verschijnen, het oude blad verwijdert dan voorkomt u een schimmel, waardoor er zwarte vlekken op de bladeren verschijnen. Een van de mooiste snijbloemen die het als plant ook op kleiige grond goed doet is de pioen. Een mooie soort is Paeonia (LD) ‘Felix Crousse’. Pioenen houdt u, volgens Cor, heel lang goed op de vaas door 1/3 deel van het water van de vaas te vervangen door Seven-up of een goedkope versie ervan. Als u een pioen in uw tuin plant, is het belangrijk om van te voren de juiste plaats te bepalen. Pioenen houden namelijk niet van verplanten en schieten na het (ver)planten in een soort jeugdstadium terug, waardoor het enkele jaren duurt voordat de eerste bloei verschijnt.

Uit ervaring is gebleken, dat het overgrote deel van de ziektes en plagen bij planten door een te droge standplaats wordt veroorzaakt. Het is belangrijk om dit gegeven goed te onthouden! Vooral op zandgronden kan extreme droogte optreden. Planten die meeldauw of luis krijgen, hebben net als mensen, die verkouden zijn of de griep hebben ergens gebrek aan. Als Primula florindae, een mooie geurende Primula die ongeveer 70 centimeter hoog groeit te droog staat krijgt deze ook meeldauw.

Het is belangrijk om planten in de groei, vooral tijdens een droog voorjaar, voldoende water te geven. Geef niet in een keer heel veel, maar zorg er voor dat het water goed in de bodem kan wegzakken. Elke dag een beetje water geven heeft daarom geen zin, beter is het om de sproeier gedurende een langere periode aan te laten staan. Het vocht moet zeker onder de 5 centimeter kunnen zakken. Planten in potten moet u rustig water geven, zodat het er niet in een keer onder aan de pot er weer uit loopt. Verder is het zo dat als een plant zijn bladeren overdag laat hangen en in de avond weer rechtop heeft, er nog voldoen hangwater aanwezig is. Ook is het een tip om planten die hangen ook boven op de bladeren te sproeien, hiermee remt u de verdamping af.

De ideale tuingrond is een luchtige grond, omdat een plant ook met zijn wortels ademt en overmatig vocht snel afgevoerd kan worden. Zavelgrond beantwoordt hier het meest aan en bevat ook nog het juiste gehalte aan humus, dat niet alleen belangrijk is voor de luchtigheid van de grond maar ook fungeert als opslag voor vocht en voedsel. Is uw tuingrond te zwaar (kleiig), dan kunt u de grond luchtig maken door er brekerszand door te mengen samen met potgrond of compost.

Ook het bemesten van planten is belangrijk. Voldoende water en mest zorgen voor een goede weerstand van uw planten. Gebruikt u bij voorkeur koemestkorrels. Bij meeldauw is het verstandig om al het blad weg te knippen, hierna volgt dan weer nieuwe bladgroei. Blijft een plant in de meeldauw schieten, dan kunt u hem beter ergens anders planten. Ook Filipendula purpurea kan hier last van hebben. Prima op kleiige grond doet ook de Eryngium planum ‘Blauer Zwerg’ het. Als u deze plant uit de grond haalt, zorgt u er dan voor dat u ruim rondom de plant de wortels benadert. Blijft er een stukje achter, dan komt er weer een nieuwe Eryngium te voorschijn.

Cor ging ook in op het terugsnijden en voorsnijden van planten om in het eerste geval een herbloei te forceren of de bloei te spreiden. Terugsnijden kunt u altijd en ten aanzien van voorsnijden zijn er een aantal regels.

Geraniumsoorten, de wilde en ruige soorten, zoals Geranium endressii kunt u na de bloei uitstekend tot de grond terugsnijden d.w.z. tot ongeveer 5 centimeter. Van de doorbloeiende Geranium ‘Rozanne’ kunt u beter afblijven. Ook Salvia nemerosasoorten kunt u uitstekend terugsnijden. Bij Delphinium is het verstandig om na de bloei de stengel net onder de bloem om te knakken. Als de plant nieuwe groeischeuten gaat maken, kunt u als deze ongeveer 5 centimeter hoog zijn de oude bloemstengels afknippen. Hiermee voorkomt u dat de wortelhalzen van de bloemstengels gaan rotten. Dit gebeurt vaak als u de bloemstengels direct tot aan de grond afknipt.

Planten die u goed kunt voorsnijden zijn Phlox (P) ‘Blue Paradise’. Deze plant bloeit in juli-augustus. Als u deze plant rond half mei voorsnijdt (ongeveer de helft van de stelen afknippen), u kunt zich ook beperken tot bijvoorbeeld de helft van het aantal aanwezige stelen, dan zult u een mooie gespreide bloei krijgen. Hetzelfde geldt voor Eupatorium maculatum ‘Atropurpureum, Helianthus 'Lemon Queen’ (lichtgeel) en Chelone obliqua.

Snoeien na de winter doet u bij een aantal planten die vaak een mediterrane achtergrond heeft, maar onze winters in het algemeen goed doorstaan. Denkt u hierbij aan Lavatera, Buddleja, lavendel, Santolina en Artemisia. Deze planten gaat u pas snoeien als u in het voorjaar ziet dat de plant gaat groeien! Een goede tip van Cor t.a.v. snoeien is dat iedere snoei een gelijke groei tot gevolg heeft. Het is dus zaak om altijd een goede balans te vinden bij het snoeien. Wordt een plant te groot dan zal niet alleen boven de grond helpen, maar is het verstandig om ook wortelsnoei toe te passen. V.w.b. snoeien moet u, aldus Cor, soms het lef hebben om het wel te doen en soms ook om het te laten. Dat is ook een kwestie van ervaring.

Over het winterklaar maken van de tuin zei Cor Bras nog dat het niet verstandig is om de tuin te netjes te maken voordat de winter zich aandient. Vaste planten afknippen is zonde, want de uitgebloeide stengels dienen ter bescherming van de plant en de vogels kunnen het zaad eten en de insecten die er onder schuilen. Ook kunt u beter geen turfstrooisel/molm tussen de planten strooien ter bescherming tegen de vorst. Turfstrooisel wordt namelijk erg nat en heeft dan een tegengestelde gewenste werking. Beter kunt u verteerd blad of stro gebruiken.

Er zijn ook een aantal vaste planten die af en toe een verjongingsbeurt nodig (om de twee tot drie jaar) hebben. Ze gaan dan als het ware op een stammetje staan. Dit verschijnsel ziet u vooral bij Bergenia en Heuchera. Het beste kunt u deze planten in het voorjaar opnemen en ze dan in een verdiept plantgat terug te planten.

Irissen hebben de neiging om na een aantal jaren alleen nog maar aan de randen te bloeien. U neemt de planten dan op verwijdert het middelste deel en plant de randen weer uit.

Verbena bonariensis komt volgens Cor de winter altijd goed door. U moet alleen in het voorjaar zijn voorzichtig zijn met het verwijderen van onkruid, omdat u dan nog niet ziet of u soms kleine verbenaatjes weghaalt.

Er zijn ook vaste planten die de neiging om in zomerslaap te gaan. Nadat ze zich in het voorjaar hebben laten zien, verdwijnen ze in de zomer door de warmte/droogte onder de grond om zich voor de winter weer te laten zien. Anemone nemorosa ‘Alba Plena’ en Papaver orientale ‘Perry’s White’ zijn hier voorbeelden van. Ook het blad van Arum italicum verdwijnt in de zomer.

Bij planten die zuurminnend zijn, zoals Vaccinium myrtillus, de bosbes, is het verstandig om regelmatig tuinturf aan te brengen. Potgrond kunt u echter gebruiken om het humeusgehalte van de grond te verhogen. Bij het aanbrengen van compost moet u er aan denken, dat de bodem dan meer stikstof zal gebruiken. Gebruikt u 1 kg koemest per 10 m2; heeft u compost gestrooid dan 1,5 kg.

Door Cor is ook nog ingegaan op de standplaatscode die Ploeger aan de planten meegeeft. Deze standplaatscode (naar Hansen/Müssel) heeft tot doel de meest optimale plaats voor een plant te bepalen. Want staat een plant op de beste plaats die er voor hem is, dan is zoals eerder gezegd de kans op ziektes en plagen beduidend kleiner. Dit systeem zal ook weer op de nieuwe site van Ploeger te vinden zijn. Aan het einde van de avond gingen alle bezoekers met een pakket aan kennis naar huis om hopelijk bij de aanschaf van nieuwe planten de juiste keuze te maken!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Orchideeën en plantengroei door Art Vogel Hortus Leiden op donderdag 14 naart 2013

Op donderdag 14 maart jl. was oud-hortulanus Art Vogel van de Hortus botanicus in Leiden bij Groei & Bloei Westland. De heer Vogel was uitgenodigd om te komen vertellen over plantengroei en orchideeën in hun oorspronkelijke groeiomgeving. De heer Vogel was tot voor kort 20 jaar hortulanus in de botanische tuin van Leiden. Daarvoor werkte hij in de Amsterdamse Hortus. Terwijl hij zich in Amsterdam vooral bezig hield met succulenten, was het werk in Leiden veel meer gericht op het in kaart brengen van planten met de nadruk op Zuidoost-Azië. Hiertoe behoren ook de orchideeën. V.w.b. orchideeën is het doel gesteld om alle orchideeënsoorten uit het gebied van Thailand tot Papua Nieuw Guinea wetenschappelijk te beschrijven. De orchideeënfamilie is de grootste plantenfamilie op onze aardbol; naast de vele soorten in Zuidoost-Azië, zijn ook landen als Costa Rica en Ecuador rijk aan orchideeën. Er zijn wereldwijd ruim 20.000 soorten; ook in ons land komen orchideeën in het wild voor.

Reis naar het regenwoud

Tijdens de presentatie nam Art Vogel de aanwezigen als het ware mee naar de warme en geheimzinnige tropische bossen/regenwouden van Papua Nieuw Guinea. Art Vogel heeft samen met Ed de Vogel, bioloog en orchideeënexpert (ook van de Hortus Leiden en Nationaal Herbarium Leiden) een drietal projectreizen mee gemaakt naar Papua Nieuw Guinea om daar de orchideeën van het land te determineren.

Dood vogeltje en herbarium

Art Vogel is ter zake zelf meer bezig met levend materiaal, terwijl Ed de Vogel materiaal zoekt en prepareert voor het herbarium. Om de twee ‘Vogels’ uit elkaar te houden staat Ed Vogel trouwens bekend als ‘dood vogeltje’ en Art als het levende! Een herbarium, zoals in Leiden is een verzameling van gedroogde planten, gedroogd in een pers. De planten worden op papier vastgehecht, vaak met populaire en botanische naam, de vindplaats, datum en de naam van de vinder en degene die de determinatie gedaan heeft. Een herbariumexemplaar, ook wel type-exemplaar dient als bewijs voor de vondst van een bepaalde soort. Degene die een soort het eerst beschrijft, behoudt alle rechten.

Aan de hand van beelden vertelde Art allereerst over de landschappelijke en klimatologische verschillen van dit land. De regenval is er intens; op sommige plaatsen valt ruim 6000 mm per jaar; op andere maar 800 mm (vergelijkbaar met Nederland). Dergelijke reizen zijn zeker niet te vergelijken met een trip van Garden Tours, want veel gebieden waar de expedities naar toe gaan hebben een slechte infrastructuur en soms is er nog geen sterveling geweest. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van boot, helikopter of vliegtuig om op de plaatsen van bestemming te komen. Meestal wordt er lokaal een kamp ingericht om vanaf dat punt dagtochten te maken. De vindplaatsen variëren van zeeniveau tot 2300/3400 meter erboven.

Toestemming

Voor de expedities is toestemming van de lokale overheid nodig. De zoektocht naar orchideeën werkt tweeledig. Omdat Papua Nieuw Guinea door de Wereldbank is gevraagd om gebieden te inventariseren op unieke soorten, zijn de inwoners gebaat bij het vinden van nieuwe soorten om zo de gebieden te beschermen tegen mijnbouw en ontbossing. Hiervoor worden ze namelijk gecompenseerd.

Vondsten

Van de orchideeën die de plantenzoekers tijdens een expeditie vinden, bloeit maar een heel klein percentage (5%). Het is een toevalstreffer als de plantenzoeker een bloeiend exemplaar vindt. Van de gevonden planten nemen ze er één per soort mee naar huis. De planten worden uitgebreid beschreven en gefotografeerd en tegenwoordig op alcohol bewaard. Bij een vermeende nieuwe soort moet de onderzoeker veel kennis van herbaria hebben. Hij vergelijkt de mogelijke nieuwe soort dan met exemplaren uit diverse (inter)nationale) herbaria. Bij een gedroogd exemplaar moeten de uiterlijkheden van de soort en eigenschappen goed zichtbaar zijn. Soms denkt men een nieuwe soort te hebben ontdekt, maar kan het toch om een zelfde orchidee gaan weliswaar op een andere plek in het verspreidingsgebied, omdat de soort zich aan de omstandigheden heeft aangepast.

De mooiste delen van de plant gaan dus naar het herbarium en de rest probeert de Hortus in bloei te krijgen. De gevonden planten worden in het land van herkomst gekeurd en blijven meestal eenmaal thuis een week of twee tot drie in quarantaine. Als de orchidee bloeit, wordt bekeken of er sprake is van een nieuwe soort en of deze nog niet eerder beschreven is. Sommige soorten bloeien pas na 20 jaar. De resultaten van de expedities naar Papua Nieuw Guinea zijn tot nu toe in een serie van zes op CD verschenen. Er volgen er nog meer.

Bulbophyllum

Inmiddels hebben de expedities al meer dan 70 nieuwe soorten opgeleverd, waaronder een van de meest toonaangevende: Bulbophyllum nocturum, een nachtorchidee, die gedurende 1 nacht 12 uur bloeit. Dit geslacht bestaat uit ongeveer 1700 soorten; Bulbophyllum fletcherianum, de grootste in zijn soort heeft bladeren tot ongeveer 1.80 meter lengte. De bloemen hebben een onaangename kadaverachtige geur om insecten aan te trekken die voor de bestuiving zorgen.

Dendrobium

Een andere soort die veel in Papua Nieuw Guinea voorkomt is Dendrobium; tot dit geslacht behoren ruim 1200 soorten. Van sommige soorten blijven de bloemen wel 3 maanden goed, zoals bij Dendrobium cuthbertsonii die op 2300 meter hoogte gevonden wordt. Door de groeiomstandigheden op deze hoogte zijn dergelijke soorten hier moeilijk op te kweken (van +15 graden Celsius overdag tot onder het vriespunt in de nacht).

Het is zo wie zo niet toegestaan om zeldzame nieuwe soorten te vermeerderen, laat staan te verkopen of weg te geven. Het biodiversiteitsverdrag uit 1993 verbiedt dit; daarnaast gelden de strenge CITES-regels (CITES beschermt soorten waarin internationaal wordt gehandeld en die (mogelijk) met uitsterven worden bedreigd). Zelfs de uitwisseling van planten en zaden tussen botanische tuinen zijn aan strenge regels onderworpen. Het land van herkomst moet altijd toestemming geven.

In soorten en maten

De meeste orchideeën zijn epifyten, d.w.z. dat ze niet, zoals aardorchideeën in de grond wortelen maar op andere planten groeien. Vele soorten hebben zich zo aangepast dat ze op alle mogelijke plekken kunnen groeien: langs rivieren, op zandsteen, op boomvarens en bomen. Op bomen ontwikkelen ze vaak wortels langs de boomstam om regenwater in op te slaan. Soms nemen wortels zelfs de functie van het blad over, zoals bij Taeniophyllum sp. Woitape. Naast epifyten zijn er ook lithofyten, orchideeën die op stenen groeien. Het zaad van orchideeën is heel fijn (van 2000 – 5000 zaadjes per zaaddoos) dat door de wind over grote afstand wordt verspreid. De hoeveelheid zaad is zo groot omdat het zaad niet zelf kiemend is. Het zaad is in symbiose met een schimmel. Het ontkiemen van het zaad duurt gemiddeld 9 maanden tot 1 jaar.

Meer interessants

Als er tijdens de tochten ook andere interessante plantensoorten worden ontdekt, dan wordt daar ook herbariummateriaal van gemaakt, zoals Deplanchea tetraphylla, Cycas schumanniana, Hoya en Cassia. Een andere interessante plant die de revue passeerde is Platycerium grandum (synoniem voor P. Wilhelminae), hertshoornvaren. Verder liet Art Vogel ook nog wat mooie plaatjes zien van de inwoners van het land en hoe zij zich uitdossen, met al het moois uit de natuur! Al met al was het een interessante beeldreis naar een prachtig land!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Paddentrek

Lezing over de paddentrek en nog veel meer door de heer Lex Kreffer op donderdagavond 9 maart 2006.

 

 

Wie op een saaie lezing had gerekend kwam donderdagavond 9 maart jl. bedrogen uit, want het verhaal over de paddentrek, zat vol humor. De wetenswaardigheden rond het reizende bestaan van de pad werkte bij menigeen op de lachspieren en vooral de huwelijksreis wekte veel hilariteit op.

De lezing werd gegeven door de heer Lex Kreffer, bioloog, die duidelijk gebiologeerd is door alles wat met padden, kikkers en salamanders te maken heeft.

Allereerst stond de heer Kreffer stil bij amfibieën in hun algemeenheid. Een amfibie is een dier dat zowel in het water als op het land leeft, met de nadruk op land. Als zodanig komen ze zowel in de Tropen, maar ook bij ons in Nederland voor. Ze planten zich voort d.m.v. eitjes, leven in juveniele toestand met kieuwen en gaan later over op longademhaling. Ze hebben een naakte huid waar ze mee kunnen ademhalen, maar ook vocht mee kunnen opnemen (ook met onderbuik). Amfibieën zijn in drie groepen te verdelen: 1. Wormsalamanders; op dit moment zijn ongeveer 60 soorten wormsalamanders bekend. Deze amfibie bestaat al heel lange op aarde en zijn door hun verborgen levenswijze moeilijk te vinden zijn. 2. Salamanders; hiervan zijn er ongeveer 400 – 450 soorten bekend. Ze leven meestal op het noordelijke halfrond, zowel op land als in het water. 3. Kikkers en padden; hiervan zijn er ongeveer 5.000 soorten bekend. De meeste soorten zijn te vinden in Zuidoost Azië.

Een pad is een soort kikker en meestal wordt hiermee de rugstreeppad bedoeld. Een pad is een landdier, maar water blijft belangrijk. De grote vraag die rond padden hangt is: wat drijft hen in het voorjaar naar het water toe? In het voorjaar als de temperatuur stijgt, komen de padden uit hun winterverblijf te voorschijn en warmen ze op. Amfibieën zijn voor het ontplooien van lichamelijke activiteit afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Als ze zijn opgewarmd trekken ze naar het water om te paren. Het mannetje klimt op de rug van het (grotere) wijfje en laat haar (soms gedurende een week)niet meer los. Arm vrouwtje!

De ideale paddentrek-temperatuur is 8°C en 90% luchtvochtigheid. Gisteren dus 8 maart 2006 werden de eerste waarnemingen gedaan. Deze paarplek is meestal de plek waar ze ook geboren zijn. Ongeveer 60 tot 70 % trekt daarheen, de overige 30 tot 40 % trekken naar elders. De afstand die ze afleggen kan variëren van 50 meter tot vier kilometer. Dit zijn voor deze diertjes vaak gevaarlijke tochten. Gelukkig worden er steeds meer weg-onder-door-gangen gemaakt en zijn er mensen die ze graag willen helpen oversteken. Recent is vast komen te staan dat ze zich oriënteren door gebruik te maken van het magneetveld van de aarde. Ook kunnen ze water ruiken. Eenmaal in het water paren de padden als ze opgewarmd zijn en zetten ze hun eitjes af. In het water ontstaan vaak vechtpartijen, omdat het ene paddenmannetje het vrouwtje van een ander paddenmannetje wil veroveren. Wild slaan de padden dan met hun pootjes in het rond, waardoor een gebroken kaak geen zeldzaamheid is. Maar afpakken laat het mannetje het vrouwtje niet zo snel, wan, aldus de heer Kreffer, is hebben nou eenmaal hebben en krijgen de kunst! Er zijn namelijk 5 x zoveel mannetjes dan vrouwtjes.

Het paddenwijfje legt duizenden eitjes, in snoeren van soms wel drie meter. De eitjes komen na 3 tot 10 dagen uit. Er verschijnen zwarte kikkervisjes met dunne zwemstaarten, kieuwen en dikke kopjes. Na ongeveer 2 maanden verdwijnt de staart, komen er longen, verdwijnen de kieuwen en groeien er kleine voor- en achterpootjes...het visje wordt een piepklein padje! Kikkers en padden hebben dezelfde levenscyclus

Padden leven onder de juiste omstandigheden graag in onze tuinen. Water is niet speciaal noodzakelijk, maar een voor padden geschikte vijver zou eigenlijk 1,5 meter diep moeten zijn en kwalitatief goed vijverwater moeten hebben. Ook veel oeverplanten zijn gewenst.

Padden hebben  een voorkeur voor enigszins rommelige, vochtige plekken in de schaduw. Overdag zie je ze zelden of nooit. Dan slapen ze in een holletje onder de grond, verstopt onder een steen (paddenpot) of een hoop bladeren. ’s Nachts zijn ze actief en gaan ze op pad om voedsel te zoeken. Ze eten dan vaak eenmaal hun lichaamsgewicht, wat ongeveer 30 gram aan insecten betekent. Wormen, larven, spinnen, slakken, kevers, steekmuggen, mieren, vliegen het maakt ze niet uit. Ze eten zelfs hun eigen huid op als ze uit hun winterslaap komen en soms eten ze elkaar op.

De gemiddelde tuinier maakt het echter wel wat uit wat ze eten, want het is een goedkope manier om van een hoop lastposten, zoals slakken af te komen.

De pad heeft ook vijanden. Een ervan is de goudvlieg. Deze vlieg wordt ook wel paddeneter genoemd. Hij infecteert de pad, waardoor deze als het ware verteert.

Alle paden zijn lichtgiftig. Het gif van bepaalde padden (niet in ons land) is zelfs hallucogeen (gebruikt door indianen). Het gif schijnt ook een geneeskrachtige werking te hebben en er vinden momenteel experimenten plaats om het gif in te kunnen zetten tegen huidkanker.

Het gif wordt door de pad ingezet als verdedigingsmiddel. Het smaakt heel bitter en soms kunnen honden, zoals terriërs, die in een pad gebeten hebben zelfs tijdelijk in shock raken.

Padden zijn hun hele leven op reis. Na de paring trekken de padden naar hun zomerverblijf en blijven daar tot augustus, september. Na deze periode trekken ze zich terug in hun winterverblijf. Ze graven zich dan zittend en rechtstandig in de grond in, soms wel tot een diepte van een halve meter. In Rusland (Oeral) zelfs tot 1,5 tot 2 meter. (Sommigen graven zich ook in de modder in). Hun hartslag vertraagt dan en ze nemen zuurstof uit de grond op via hun huid. Tijdens het zomerseizoen slaan ze vet op en daardoor kunnen ze lange tijd zonder eten. Na hun winterslaap begint wederom de paddentrek en zo is het cirkeltje weer rond.

Padden kunnen heel oud worden. De oudste pad schijnt 58 jaar geworden te zijn.

Verschillende padden, kikkers en salamanders passeerden aan de hand van dia’s de revue. Aan de orde kwamen o.a. de rugstreeppad, de groene pad, de groene kikker, die ook het land op gaan en de boomkikker, die trouwens in Nederland zeldzaam is. In mei kun je daar in een klein reservaat bij Echt in het midden van Zuid-Limburg naar gaan luisteren.

De rugstreeppad heeft trouwens een zangterritorium. Hebt u trouwens ooit van fluitende padden gehoord? Ze geven namelijk, aldus de heer Kreffer op zomeravonden prachtige concerten. In mei zijn in de vogelwijk in Den Haag in de omgeving van de Pauwenlaan dergelijke padden te horen. Er schijnen zelfs verschillende accenten te bestaan. Kunt u het zich voorstellen: een echte Haagse k.kker?

De gewone pad heeft een blafje, waarmee hij kan aangeven, dat hij een mannetje is (mocht hij door een ander mannetje besprongen worden). Een bruine kikker doet echter liever zijn handen voor de ogen.

Een andere bijzondere pad is de knoflookpad.Hij kan zich bij gevaar opblazen. Hij dankt zijn naam aan het feit dat hij naar knoflook ruikt. De vroedmeesterpad is een vrij zeldzame soort die ook nog eens een  eigenaardige eigenschap heeft. De mannetjes dragen namelijk de bevruchte eisnoeren om hun achterlijf.

De watersalamander op zijn beurt eet trouwens graag kikker- en paddendril. Het maakt hem niet uit of de eitjes gepocheerd, gebakken of gekookt zijn, als het maar ei is.

Zoals u uit het voorgaande kunt opmaken, was dit een verhaal met een soms kostelijke inhoud en is een ieder op het gebied van amfibieën en vooral de pad heel wat wijzer geworden. De liefde voor de pad van de heer Kreffer heeft er verder voor gezorgd, dat bij zeker één persoon padden niet langer meer de tuin uit zullen worden gezet!

 

Anneke Duyvesteijn

 

Van plant tot techniek

Verslag lezing donderdag 10 maart 2011: Van Plant tot Techniek

Mensen die de titel van de lezing ‘Van Plant tot Techniek’ hebben gezien, zullen wellicht hebben gedacht wat het een nu met het ander te maken heeft. Dat genoeg mensen er door geprikkeld waren, bleek uit de grote opkomst op de avond van de lezing. Deze lezing is afgeleid van het boek ‘Van Plant tot Techniek van de hand van Pieter van Mourik en Gerard van der Veen. Voor hen die van planten houden, geven lezing en boek een geheel andere kijk op de rijkdom van de natuur. Waar velen namelijk niet bij stilstaan is het feit, dat sinds prehistorische tijden de mens stoffen en producten die planten voortbrengen toepast voor eigen gebruik.

Van Itterson jr

Het hoofdthema van boek en lezing is: Van Iterson jr en technische planten in de Botanische Tuin der Technische Universiteit Delft. Het boek is geschreven ter herdenking van het professoraat van dr. G. van Iterson jr, de stichter van de Botanische Tuin TU Delft, die in 1907 met lof in Delft promoveerde en van 1907 – 1948 hoogleraar was. Zijn leerstoel, microscopische anatomie (= eigenlijk botanische materiaalkunde), was ondergebracht bij de Afdeling voor Scheikundige Technologie, een van de voorgangers van de huidige Faculteit Technische Natuurwetenschappen. Van Iterson onderzocht op vele manieren de relaties tussen planten en toepassingen. Hoofddoel was hierbij om meer te begrijpen van planten en hoe er technische producten van te maken. In het licht van de groeiende rol van planten als grondstoffenleverancier aan het begin van de 20e eeuw was dit onderzoek van wezenlijk belang. Veel bedrijven en instelling hielden zich bezig met planten en de verwerking van hun grondstoffen. In dit kader begaf hij zich op het gebied van het toegepaste onderzoek ten behoeve van de biologische materialen en van de beoordeling van de grondstoffen zoals rubber, textiel- papiervezels, hout, graan- en zetmeelproducten, oliën en vetten. Zijn (duurzame) aanpak is ook nu, aan het begin van de 21e eeuw nog steeds actueel.

Het waarom van een botanische tuin bij een Technische Universiteit

Bij de onderzoeken naar de levensprocessen van planten en hun belangrijke eigenschappen was het gebruik van zoveel mogelijk levend materiaal een absolute noodzakelijkheid. De aanwezigheid van een cultuurtuin voor technische gewassen en een laboratorium voor microscopische anatomie was daar een logisch gevolg van. Omdat de toenmalige ruimte voor het geven van zijn nieuwe vak te klein was pleitte Van Iterson jr voor een andere ruimte en een grotere tuin. Uiteindelijk resulteerde dit in 1917 in de bouw en aanleg van een laboratorium en tuin op het terrein waar de Botanische Tuin van de TU Delft nog steeds is gevestigd. De tuin was geheel volgens de inzichten van Van Iterson jr. Naast een bomentuin waren er ook kassen voor het kweken van subtropische en tropische gewassen met een belangrijke economische betekenis, zoals kokospalm, olie- en dadelpalm, rijst, suikerriet, koffie, thee en rubber. In tegenstelling tot andere botanische tuinen, waar bescherming van planten en het inzicht geven in de rijkdom van de natuur vaak het hoofddoel is, heeft Iterson jr en daarmee de Botanische Tuin TU Delft zich tot taak gesteld bij te dragen aan duurzame toepassingen van plantaardige stoffen en producten.

De rijkdom van de plantenwereld

Na de inleiding over het waarom van een botanische tuin bij een technische universiteit bracht Pieter van Mourik een aantal planten onder het voetlicht, waaruit blijkt hoe overweldigend de rijkdom van planten is die aan ons mensen ter beschikking staat. De toepassing van planten is uitermate veelzijdig. Sommige planten dienen als voedsel of medicijn. Andere planten zijn weer belangrijk voor cosmetica en kleding of voor de aanleg van wegen, de fabricage van banden en de bouw van huizen. Weer andere planten hebben meerdere technische toepassingen. Aan de hand van mooie afbeeldingen passeerden een groot aantal technische planten de revue, die ook nu nog in de Botanische tuin in Delft zijn terug te vinden. Hieronder enkele voorbeelden:

Consumptie

Vooral de welvaart in de 17e Eeuw was voor een groot deel afhankelijk van al deze plantaardige producten. In 1610 kwam voor het eerst met een schip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) een lading thee naar Europa. Thee is een aftreksel van de bladeren van Camellia sinensis en komt van oorsprong voor in de berggebieden van China. Naast thee werd koffie als drank gelijktijdig populair in Europa. Terwijl het eerst alleen dranken voor welgestelde mensen waren, waren beide opwekkende dranken later voor algemeen gebruik. De vruchten van de koffieplant Coffea bevatten twee zaden die na het drogen geroosterd worden.De besachtige vruchten van de vrouwelijke jeneverbes bevatten een etherische olie en hars. De bessen zijn ook onlosmakelijk verbonden met het op smaak brengen van jenever. Het hout van Juniperus is verder uitermate geschikt voor draaiwerk en wandelstokken.

Een heel oud voedselgewas is het graan der tropen: Oryza, rijst. Dit geslacht telt ruim 20 soorten en kan zowel droog als nat worden verbouwd. Het stro van rijst dient als grondstof voor papier en karton.

Cosmetica en medicijnen

Het ingedikte perssap van Aloe vera is een grondstof voor cosmetica, dient als bitterstof in voedingsmiddelen en medicinaal is het een middel tegen brandwonden. Ook is uit onderzoek gebleken, dat Aloe vera liefst vijf jaar zonder water kan. Uit dit onderzoek bleek ook dat er zich rond de Aloe een microklimaat ontwikkelt met meer vocht in de lucht dan zonder de Aloe. Dit biedt weer mogelijkheden voor een verbetering van het klimaat in de woestijn.

Een opperhuidse waslaag op de naalden van de bergden, Pinus mugo subsp. mugo, blijkt evenals andere planten uit het hooggebergte UV-licht te absorberen. Specifiek bij de bergden is dat deze in staat is het geabsorbeerde licht om te zetten in ongevaarlijk licht. Dit biedt mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe beschermende zonnebrandmiddelen voor de mens en beschermende lagen voor materialen die vatbaar zijn voor veroudering, zoals kunststoffen en verven.

Uit de bast of haksels van een aantal Taxussoorten wordt de semi-synthetische stof Taxol geproduceerd. De stof is als medicament inzetbaar in de strijd tegen kanker. In de Botanische Tuin TU Delft is ontdekt dat het mogelijk is om de naalden van Taxus een vloeistof te laten sproeien die deze stof ook bevat (hoge elektrische gelijkspanning met een zeer kleine stroomsterkte). Hiermee is een duurzame vorm van Taxol beschikbaar en het kappen van bomen is dan niet noodzakelijk.

Andere toepassingen

Zowel de vezels van vlas (Linum usitatissimum) als katoen (Gossypium) dienen als grondstoffen voor o.a. de kledingindustrie. Katoen is verreweg de belangrijkste textielvezel en de vezels van vlas zijn geschikt voor de productie van linnen. Vlas is ook bekend om de lijnolie uit het rijpe zaad en lijnoliekoeken zijn een traditioneel veevoer.

Ook bamboesoorten hebben veel vezels. Door de stengels te laten rotten komen deze vezels beschikbaar. Met het oog op duurzaamheid hebben deze vezels vooral nu door hun sterkte en verwerkingsmogelijkheden de aandacht getrokken. De vezels van sommige soorten hebben breeksterkten die van dezelfde orde zijn als van bepaalde metalen en zijn daarmee dus sterker dan normale kunststoffen. Onderzoek is inmiddels gedaan naar een volledig duurzame vezelversterkte kunststof. Vezelversterkte kunststoffen worden vooral toegepast in lichtgewicht constructies waar sterkte samen moet gaan met gewichtsvermindering (o.a. lucht- en ruimtevaart).

Natuurlijk zijn er nog veel meer planten aan te wijzen met voor de mens belangrijke technische eigenschappen. Wilt u meer weten over de behandelde planten en de planten die u kunt vinden in de prachtige botanische tuin van de TU Delft, dan adviseer ik u om het boek ‘Van Plant tot Techniek’ aan te schaffen. U kunt natuurlijk ook een bezoek aan de botanische tuin brengen om de planten in levende lijve te kunnen bekijken. Het bezoekadres is Poortlandplein 6, Delft. De botanische tuin is het gehele jaar open. Voor de openingstijden verwijzen wij u naar www.tnw.tudelft.nl.

Afdeling Westland organiseert op zaterdag 21 mei een excursie naar de Botanische Tuin. Deze vindt plaats onder leiding van de heer van Mourik (zie agenda).

 

 

Anneke Duyvesteijn

Permacultuur door Rutger Spoelstra op 11 september 2014

Op donderdag 11 september organiseerde Groei & Bloei Westland een thema-avond, waarop Permacultuur in relatie tot tuinieren centraal stond. Spreker was Rutger Spoelstra, architect uit Delft en zijn lezing had als titel: Ontwerpen met de natuur mee. Rutger is van jongs af aan al geobsedeerd door de natuur en heeft veel van zijn oma geleerd. Hij probeert als een spin in het web in zijn werkgebied zaken met elkaar te verbinden.

Bij aanvang van de lezing stelde Rutger, dat permacultuur niet specifiek is toegespitst op tuinieren, maar op allerlei manieren toe te passen is. Het is een manier van denken die veel verder gaat dan tuinieren en is een ontwerpmethode om met de natuur samen te werken. Bedoeling van deze manier van denken is, dat je bij je zelf moet beginnen en zoals Mahatma Gandhi zei: ‘Wees de verandering die je wilt zien in de wereld’!


Ontwerpmethode

Permacultuur is een ontwerpmethode die in de jaren '70 van de vorige eeuw is ontwikkeld door twee Australische biologen. Door de 'groen' relaties in de bossen van Tasmanië te onderzoeken en de belangrijkste ecologische principes van het natuurlijke systeem te achterhalen, hebben ze een methode ontwikkeld die mensen in staat stelt zelf een functioneel ecosysteem na te bouwen. Eigenlijk is het een methode die de mens al duizenden jaren toepast. Nu is er echter een theorie omheen gebouwd die het verspreiden van het idee achter permacultuur mogelijk maakt.

Principes

  • Permacultuur is, aldus Rutger, geboren uit observatie van de natuur. Door de natuur nieuwsgierig, leergierig en empatisch  te benaderen, kan de mens waarnemen wat de natuur te vertellen heeft. Deze observatie heeft geresulteerd in een aantal ethische principes:
  • zorg voor de aarde;
  • zorg voor de mens;
  • eerlijk delen van de schatten van de aarde (grondstoffen ), ook met het oog op toekomstige generaties. Delen betekent ook het delen van opgedane kennis en kennis niet patenteren.
  • Niet de mens domineert de natuur, maar danst als het ware met de natuur, waar bij de natuur de dans leidt!

Bij het toepassen van de principes van permacultuur is het belangrijk uitgevoerde acties steeds weer opnieuw te toetsen. Zoals eerder gesteld is permacultuur op alles toe te passen, ook op het ontwerpen en inrichten van gebouwen door bijvoorbeeld zo energiezuinig mogelijk te bouwen.

Permacultuur in de tuin

V.w.b. de tuin is het belangrijk om kringlopen te sluiten, de verspilling van onnodige energie tegen te gaan, afval te voorkomen c.q. her te gebruiken door dit bijvoorbeeld te storten op de composthoop. Ook materialen hergebruiken sluit hier uitstekend bij aan (oude tegels als keerwand e.d.)

Belangrijk is het om bruikbare planten in de tuin toe te passen; planten die eetbaar zijn of een medicinale werking hebben.

Kenmerken van een Permacultuurtuin zijn:

  • gezonde bodem met veel bodemleven (2015 is het jaar van de bodem), waardoor planten voldoende grondstoffen uit de bodem kunnen opnemen. Een goede bodem heeft goede structuur met voldoende organisch materiaal

  • Diversiteit qua beplanting: niet te massaal, niet teveel van één soort! Dus geen mono- maar polycultuur; interessant is hierbij om te kijken wat er in tuinen om je eigen tuin heen groeit & bloeit!

  •  Door gegevens te verzamelen kun je de juiste keuzes maken: door te blijven observeren weet je waar   plassen in de tuin blijven staan en de bodem dus verdicht is e.d.

  •  Gelaagdheid door het toepassen van bodembedekkers, vaste planten, struiken en bomen

  •   Samenwerking van mens met dieren, vogels, insecten en planten

  •   Realiseren van een ecosysteem door het slim toepassen van natuurwetten

  •   Toepassing van patronen uit de natuur, zoals een kruidenspiraal. Een kruidenspiraal is in het midden hoger, dan de lagen er om heen. De droge, arme kruiden staan bovenop het spiraal en andere kruiden staan afhankelijk van hun behoefte in de zon of schaduw.

  •   Dynamiek: elk jaar nieuwe planten, waardoor tuin elk jaar ander uiterlijk heeft.

  • Kern van het ontwerpen van een permacultuurtuin is: vaststellen wat je met je tuin wilt!  Als je een bepaalde omstandigheid in de tuin wilt, is het ook mogelijk om een microklimaat te creëren door te manipuleren: moeras, kasje.

 

Planten in een permacultuurtuin

  •  Planten in een permacultuurtuin werken met elkaar samen; ze vormen als het ware een gilde. Voor een juiste balans in de tuin is het goed te observeren hoe het in de wilde natuur werkt. Planten versterken elkaar en zoeken elkaar  op.

  • Samen vormen ze een evenwichtig team (ecosysteem) met de spelers op de juiste plaats in het veld.

  •  Deze planten kunnen lokkers, beschermers, gravers, klimmers, bodembedekkers, voedselverstrekkers en ondersteuners zijn. Beschermers zijn bijvoorbeeld braamstruiken en kruisbessen. Schermbloemige planten trekken plaagbestrijders aan en het verdient aanbeveling om een composiet als het afrikaantje naast aardappels te planten om aaltjes tegen te gaan.

Interessant naslagwerk:

  •          Eetbaar Park van Nils Norman

  •          Tuinen van Overvloed van Fransje de Waard

  •          Holzer’s permacultuur van Sepp Holzer

  •          www.groenkracht.nl

  •          eetbaarpark.wordpress.com

  •          www.permacultuurnederland.org

  •          www.permacultuur.nu (opgeven fietstocht Permacultuur op 21 september a.s. start Eetbaar Park Den Haag)

 

Permacultuurtuinen:

  •          Tanthof, Sri Lankapad Delft

  •          Eetbaar Park in het Zuiderpark in Den Haag

  •          Permacultuur Delfgaauw

Rutger sloot de lezing af met een mooie spreuk: In theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk, maar in de praktijk wel!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Pioenen in volle glorie door Guy Vervoort - donderdag 13 maart 2014

Op donderdag 13 maart hield plantenkweker Guy Vervoort van de gelijknamige vaste plantenkwekerij uit Kapellen, België op verzoek van Groei & Bloei Westland een presentatie met als titel: ‘Pioenen in volle glorie’. Door de jaren heen is de kwekerij van Guy Vervoort uitgebreid met een enorme waardevolle soortenrijkdom. De kwekerij is vooral bekend om zijn fantastische collecties pioenen en Oosterse papavers. De kwekerij is te vinden op de Hoogboomsteenweg 201 in Kapellen (www.vasteplantenguyvervoort.be).

In een beeldrijke wandeling nam Guy de aanwezigen mee om stil te staan bij de vele soorten en cultivars van deze imposante plantenfamilie, die hij liefdevol ook pioentje noemde. Eigenlijk zou volgens Guy in elke tuin eigenlijk een pioen moeten staan. De pioenroos (Paeonia) is een geslacht uit de familie Paeoniaceae. De botanische naam Paeonia is een verwijzing naar Paion, geneesheer der Griekse goden uit het antieke Griekenland.

Een goed voorbeeld van een pioenenborder is te vinden in Penshurst Place in Engeland. Deze border meet een lengte van bijna 150 meter en is wel 5 meter breed.

 

Drieseizoensplanten en vermeerdering

Pioenrozen zijn eigenlijk drieseizoenen planten. Ze zijn al spectaculair als in het voorjaar het samengestelde jonge blad roodachtig tot bronskleurig uitloopt, maar ook als de bolvormige knoppen zijn gezet en kleur bekennen. Pioenen zijn ook bijzonder in hun bloei, niet in het minst door hun verscheidenheid aan kleuren, sommige zijn zelfs geurend. Tal van soorten hebben in de herfst ook prachtige bladverkleuringen en ook de zaaddozen zijn mooi. De zaden zijn bijna knikkergroot en het duurt wel twee jaar voordat het zaad ontkiemt. Het beste is om het zaad buiten in een pot te zetten, twee centimeter diep in de grond met wat grind erover. Na drie tot vier jaar zal de eerste bloem verschijnen. Zaad geeft altijd genetische afwijkingen, maar u kunt pioenen ook scheuren. Een ding is zeker de vermeerdering van pioenen is traag!

Kruid of hout?

Pioenrozen zijn in twee groepen te onderscheiden: de kruidpioenen en de boompioenen. Kruidpioenen zijn pioenrozen die geen hout vormen en in de winter bovengronds afsterven, het zijn dus kruidachtige vaste planten. Boompioenen vormen in hun groei vanuit de basis een echte struik en hebben een houtig skelet, de naam struikpioen of houtpioen past daarom beter bij hen. Tip: Belangrijk bij de aanschaf van boompioenen is dat u kiest voor een soort, waarbij de bloemen zich niet in het gewas verstoppen.

Makkelijke tuinplant

Pioenrozen zijn, aldus Guy, goed winterhard en kunnen een temperatuur tot -25°C verdragen. Ze houden van warmte en zon, maar absoluut niet van natte voeten en kunnen ook in lichte schaduw nog bloeien. Kiest u daarom bij het aanplanten een goede standplaats voor ze uit; het liefst zonnig en goed gedraineerd, want een pioen houdt niet van ‘waterzieke’ grond. Een aantal soorten kunnen zelf op een licht beschaduwde plek staan. Ziekten en plagen gaan eigenlijk altijd aan hen voorbij. Ook slakken en konijnen hebben op pioenen geen vat, dankzij fenolen en bitterstoffen, zoals paeonine die de plant bezit. De stof paeonine is ook verantwoordelijk voor de medicinale werking die aan de wortels van de plant worden toegekend. Van de bloemen kunt u zelfs lekkere thee zetten (tegen spataders). Er is eigenlijk maar één schimmel, vergelijkbaar met de verwelkingsziekte bij Clematis, die hen kan dwars zitten. Een symptoom is bruine, ingedroogde knoppen. Deze ‘grauwe’ schimmel komt meestal voor als er sprake is van een groeistoornis. Een groeistoornis kan ontstaan door verplanten of scheuren, want van verplanten houden pioenrozen niet. Deze schimmel kunt u aanpakken met een schimmelwerend middel door de plant aan te gieten U kunt ook preventief gieten in het vroege voorjaar.

Standplaats en erfstuk

Pioenrozen kunnen wel 40 jaar op een zelfde plek staan. Ze houden niet van verplanten. Als u ze verplant, zet u een pioen dan niet op dezelfde plek terug i.v.m. wortelaaltjes. Verplanten kunt u het beste eind september doen. Als u verplant, dan is het ook verstandig om de plant te delen en in een breed, voldoende diep gat te zetten met een goede gift compost en wat kalk (dolomietgruis). Wanneer u de basisregels in acht neemt, zijn pioenen makkelijke planten. Pioenen kunnen met gemak 100 jaar oud worden. Hierdoor is het mogelijk dat Guy Vervoort nog pioenen heeft die bij zijn grootouders in de tuin hebben gestaan. Het zijn dus echte familie-erfstukken. Het is ook niet voor niets dat vele kunstenaars al eeuwenlang door de pioen zijn geraakt, zoals een Chinese houtsnijder uit 1400 en de Engelse schilder Albert Williams. Het oude loof van kruidpioenen kunt u in november tot een stukje boven de grond afknippen. Plant u pioenplanten ca. 80 – 100 cm (afhankelijk uitgroei soort) uit elkaar.

Bloeitijd pioenen

Niet alle soorten bloeien op hetzelfde moment. Het is daarom mogelijk om in de tuin vanaf half mei (soms ook april) tot eind juni van de diverse soorten te kunnen genieten. Sommige soorten hebben een korte bloei van 10 dagen, maar er zijn ook pioenen die enkele weken bloeien. Tip: In ons klimaat is het beter om voor uw borders te kiezen voor de enkelbloemige of halfgevulde soorten. Door zware regen nemen de dubbel gevulde bloemen zoveel water op dat ze vaak omvallen. Daarom is het verstandig vooral de dubbel gevulde pioenen te steunen. Ook zijn dubbel gevulde, naar mening van Guy, vaak te dominant aanwezig t.o.v. de andere plantensoorten in de border.

Boompioenen (houtpioenen)

Boompioenen zijn prijzige planten. Dit komt omdat het vele jaren duurt voordat een plant bij de consument terecht komt. Een plant van 20 tot 30 cm is al 8 jaar oud. Voor het enten van boompioenen gebruikt de kweker een kruidpioen als onderstam. Na het zaaien van de kruidpioen duurt het 5 jaar voor deze zwaar genoeg is om op te enten. Er is dus heel veel tijd en werk mee gemoeid.         

Een boompioen kunt u het beste 10 centimeter dieper planten dan dat hij in de pot staat. Het is belangrijk dat de ent van een boompioen onder de grond zit, omdat juist vanuit de ent wortels worden aangemaakt. Snoei bij boompioenen is niet nodig; in het voorjaar wel dode takken verwijderen. Het zijn mooie heesters met een vaak grillige groei. Hebt u een boompioen met slecht één ‘stam’ en wilt u een vollere struik dan is het verstandig om na de bloei de stam met een stuk in te korten, zodat de slapende knoppen onderaan de stam uit gaan lopen. Juist aan door die wortels is een boompioen goed te scheuren. De plant moet dan wel voldoende zijn uitgegroeid en verscheidene stammetjes hebben. Het beste kan dit in de vroege lente gebeuren. Chinese kwekers scheuren hun planten en enten niet.  Sommigen boompioenen geuren heerlijk.

Een aantal noemenswaardige houtige soorten

Een van de vroegste boompioenen is de wilde, botanische Paeonia suffruticosa uit China. Het is een soort die roze bloeit in de periode eind april-juni en een hoogte van 80-100 cm bereikt. Deze pioen is de nationale trots van China en er bestaan duizenden cultivars van, zoals de Japanse P. suffruticosa ‘Hanna Kisoi’, een van de mooiste zuiver roze bloeiende cultivars.

Relatief vroeg bloeiend is de mooie Japanse cultivar is P. ‘Godaishu’ met enorme sneeuwwitte bloemen aan een brede, rijkbloeiende struik.

P. ‘Chinese Dragon’ bloeit vroeg en bereikt een hoogte tussen 1.20 – 1.50 meter en bloeit met enkele tot halfgevulde roodpaarse bloemen.

De Japanse P. ‘Haku Unkaku’ heeft schitterend purperbrons blad met witte enkelvoudige tot halfgevulde bloemen.

P. ‘Lydia Foote’, ontwikkeld door Sir Peter Smithers heeft halfgevulde tot gevulde witte bloemen met rode basisvlekken. Het is een krachtige struik tot ongeveer 1.50 meter.

P. ‘Nike’ heeft machtig mooie halfgevulde oranje tot perzikroze bloemen, terwijl ‘Rimpou’ geurende, gevulde donkerrode tot paarse bloemen heeft (Japans rood).

P. ‘Leda’ heeft halfgevulde bloemen, lilaroze met paarse aders, dit terwijl P. ‘High Noon’ een mooie citroengele boompioen is, die hoog groeit en een aanbeveling waard is! De best geel bloeiende cultivar is P. ‘Age of Gold’ die in 1973 een APS Gold Medal heeft gekregen (American Paeonia Society).

De enige boompioen van Belgische bodem is P. ‘Souvenir de Madame Knorr (van de soep). Deze pioen is gecreëerd door de Belgische kweker Louis van Houtte in 1853. Het is een sterke late soort met gevulde zachtroze bloemen die 170 jaar geleden al 5 gulden kostte.

Wilde pioenen

Ook wilde pioensoorten passeerden de revue. Pioenen komen in het wild over de hele wereld voor: van Portugal tot in Azië. In Amerika komen er slechts twee botanische soorten voor.

P. Mlokosewitschii, met als bijnaam ‘Mody the Witch’, is een prachtige goed winterharde enkelbloemige, lichtgele kruidpioen met een mooie bladverkleuring in de herfst. P. Ludlowii is een houtpioen met prachtig blad. Het is ook de grootste boompioen ter wereld met een hoogte van 2.50 meter. P. obovata var. alba is een enkelbloeiende kruidpioen, waarvan het blad na de bloei steeds mooier wordt. Zelden aangeboden wordt P. Mascula die in het wild voorkomt op Sicilië. Het is een mooie, lage en lilaroze kruidpioen die beter in de pot tot zijn recht komt, omdat hij niet helemaal winterhard is. De kleinste wilde pioen van ongeveer 30 cm is P. tenuifolia met fijn varenachtig ingesneden blad, het is een echte liefhebbersplant (in het wild in de Oekraïne).

P. Delavayi is bekend om zijn prachtige mahonieachtige kleur. U kunt deze het beste in de bloei kopen, omdat zaailingen vaak geel zijn. Hoogte ca. 1.80 meter.

Kruidpioenen

Kruidpioenen zijn vaste planten die ook als snijbloem worden gekweekt. In tegenstelling tot boompioenen plant u kruidpioenen niet diep! Er zijn wel 350 bekende soorten/cultivars. Een groot aantal hiervan staan beschreven in het boek dat Guy samen met Ivo Pauwels heeft geschreven: ‘Pioenen in volle glorie’. Een aantal van Guy’s persoonlijke favorieten kwamen aan de orde:

  • P ‘Buckeye Belle’ met halfgevulde donkerrode bloemen,
  • oude, getrouwe ‘Sarah Bernhardt met zachtroze gevulde bloemen, middelvroeg tot laat,
  • P. ‘Postilion’, halfgevuld met aparte rode kleur, geurend,
  • P. ‘Madame Ducel’ geurend en lavendelroze bloemen met grote krans van staminodiën,
  • P. ‘Red Charm’, heel dankbaar met donkerrode gevulde bloemen en prachtige zaaddoos
  • P. ‘Coral Charm’ (vrij goed te krijgen), ‘Coral Sunset’, ‘Pink Hawaiian Coral’ met aparte grote bloemen perzikkleurig en abrikooskleurig. P.’Coral in Gold’: heel moeilijk te krijgen, heel apart en zeldzaam.
  • P. Laura Dessert, witte bloemen die naar citroen ruiken, echte klassieker!
  • P. offinicinalis ‘Rubra Plena’, boerenpioen met goed gevulde rode bloemen
  • P. Kansas met gevulde rode bloemen prachtig in combinatie met Salvia ‘Mainacht’
  • P. ‘Ville de Lyon’, enigszins gefranjerde snijpioen
  • P. ‘Madame Calot’, uit 1856, verbloeit van roze naar bleekroze/wit, rijke bloei, sterk geurend!
  • P. ‘Karatzu’, mooie Japanse pioen, enkelbloemig, warmrood
  • P. ‘Jan van leeuwen’ een meer dan uitstekende pioen van Nederlandse herkomst, een van de beste enkelbloemige witte kruidpioenen.
  • P. ‘Diana Parks’, een van de mooiste dubbele pioenen, rood
  • P. ‘Myrtle Gentry’, koningin van de geurende pioenen, vol en gevuld, middelvroeg tot laat!
  • P. ‘Monsieur Jules Elie’, Frans 1888, een van de populairste snijpioenen.
  • P. ‘Petite René’, Frans, licht geurend met roze bloemen
  • P. ‘Favorita’, prachtig, met dubbele rij kroonbladeren
  • P. ‘Barones Schröder’, geurend uit 1889 dubbele bloem wit met roze schijn
  • P. ‘Fairbanks’, zachtroze verbloeit naar wit
  • P. ‘Imaculée’, Hollandse oorsprong (Van der Valk) mooie witte bloem met crème-wit hart, geurend
  • P. ‘Seashell’, een reus onder de pioenen met 130 – 140 cm de hoogste, enkelbloemig, rijke lange bloei APS gold medal
  • P. ‘Suroga’, uitstekende tuinpioen, middelvroeg tot laat
  • P. ’Nymphe’, hele goed pioen ook voor op de vaas
  • P. ‘Honor’, prachtig, vroeg
  • P. ‘Scarlett O’Hara’ een van de beste snij en tuinpioenen, enkel bloeiend, vlammend rood
  • P. ‘Gay Parée’, verbetering van P. ‘Bowl of Beauty’
  • P. ‘White Cap’, rijkbloeiend, fantastisch om te zien rode kroonbladeren met roomwit hart
  • P. ‘Nippon Beauty’, prachtig wijnrood, Japans, rijke bloei, goede snij- en tuinpioen
  • P. ‘Fancy Nancy’ is mooi, maar aldus Guy een kreng, gevoelig voor botrytis
  • P. ‘Break a day’, ton sur ton, lichte geur
  • P. ‘Salmon Dream’, verbeterde versie van ‘Goldie Locks’

Op de vaas

Als u pioenen uit de tuin wilt snijden om op de vaas te zetten, dan is het verstandig om ze heel vroeg te snijden d.w.z. als de knop kleur gaat bekennen. Laat minstens één bladpaar staan voor de fotosynthese. Ook is het verstandig om bloemenvoedsel aan het water toe te voegen. Pioenen hoeft u niet te pluizen; veel zijknoppen betekent verlenging van de bloei!

Itoh-hybriden

Door de tijd heen is er geprobeerd om boompioenen met kruidpioenen te kruisen. De Japanner Itoh is daar in geslaagd. Deze pioenen zijn winterhard met het grote blad van de boompioen en rijkbloeiend. Ze gedragen zich als een kruidpioen, in de herfst dient daarom het oude loof te worden afgesneden. Het blad blijft mooier dan bij een kruidpioen. Guy denkt, dat dit de pioen van de toekomst is. Eerst waren er alleen gele hybriden, maar de nieuwe generatie kent bijna alle kleuren. Ze zijn nu nog moeilijk te verkrijgen en daarom erg duur (prijzen tussen 25 – 60 euro). Een mooi voorbeeld is: ‘Yellow Heaven’.

Combinaties met andere vaste planten

Aansluitend ging Guy ook nog in op een aantal vaste plantensoorten, die in dezelfde periode als de pioen bloeien en ook van dezelfde standplaats houden. Met planten die van een droge en kalkrijke bodem houden, zoals salvia’s, baardirissen, Oosterse papavers en riddersporen zijn prachtige combinaties met pioenen te maken. Vooral verticale en aarvormige bloeiers als Salvia en Delphinium vormen een mooi plaatje met de pioen.Salvia nemorosa ‘Mainacht’ met een overlappende bloei is een goed voorbeeld en Salvia pratensis ‘Lapis Lazuli’.

Ook baardirissen (germanica, intermedia en pumila) komen voor een combinatie met pioen in aanmerking. Baardirissen uit de intermediagroep zijn de beste. De meeste intermediasoorten zijn 50 – 60 cm hoog; ze bloeien iets vroeger en met kleinere bloemen. Snijdt u baardirissen na de bloei volledig af, dan loopt het loof weer mooi uit. Om de drie tot vier jaar scheuren van de plant verdient aanbeveling. Plaats: in de volle zon. Mooie soorten: ‘Son of Norway’, ‘Tulip Festival’ (aristocratisch met geweldige uitstraling), ‘Red Zinger’, ‘Dusky Challenger’, ‘Sundance Palace’, ‘Before the storm’ (zwart), ‘Blushing Lemon’ en ‘Honkey Tonk Blues’. Irissen houden het ook goed op de vaas, wel bloemenvoedsel gebruiken, vroeg snijden. Plant u irissen niet te diep, ze houden ook niet van natte voeten en staan graag in de volle zon.

Mooi zijn pioenen ook in combinatie met diverse geraniumssoorten. Gebruikt u echter geen soorten die woekeren, zoals ‘Rozanne’, die teveel zijwaartse bloei heeft. Mooie geraniumsoorten zijn Geranium ‘Sirak’, G. sanguineum ‘Roseum’, G. silvatum ‘Album. Ook G. phaeum-soorten zijn een prima buur.

Oosterse papaver doet het ook goed met pioen. Ze houden ook van een relatief droge plaats in de zon. Zet u papaver niet op de eerste rang in de border, omdat het blad lelijk wordt na de bloei, maar altijd op de tweede of derde rij, achter een aster of Sedum. Na de zomer komt er weer fris, wintergroen blad tevoorschijn. Papaver kunt u beter niet verplaatsen, na vijf tot zes jaar na de bloei de plant vier tot vijf keer doorklieven om groei te stimuleren. Mooie soorten: Papaver ‘Karine’, ‘Manhattan’, ‘Marcus Perry’ (oranje, rijkbloeiend), ‘Marlene’’, ‘Tatus Plum’, ‘Royal Wedding’  (beste witte, beter dan Perry’s white), ‘Garden Glory’, ‘Kleine Tänzerin’, maar ook P. somniferum, slaapbol, leverancier van opium en opiaten. Mooi, maar moeilijk is Meconopsis betonicifolia; deze plant houdt van vocht in de winter en droogte in de zomer.

Delphiniums vormen ook een mooi plaatje met pioen. De Duitse types zijn eigenlijk de beste, volgens Guy, het zijn sterke elegante planten die het goed in de tuin doen, maar ook netjes blijven. De Amerikaanse soorten zijn te zwaar van bloei, die kunt u beter niet in de tuin hebben, want ze liggen bij een ‘brutaal’ onweer zo om. Oppassen voor slakken is wel het devies; preventief strooien begin maart is een optie. Het meeste gevaar dreigt als het sappige groen net boven de grond is. Na de bloei terugsnoeien tot 15 – 20 cm, soms een herbloei in september. Verlangt krachtige grond, droog, maar wel voedselrijk. Delphinium houdt ook niet van te vaak verplanten; om de vijf tot zes jaar is voldoende; op klei 7 – 8 jaar, in de vroege lente. Mooie soorten zijn: Delphinium belladonna ‘Völkerfrieden’ ( prachtig blauw), D. ‘Polarnacht (blauw)’, D. ‘Delphi Diamant’ (goede witte), ‘Turkisch Delight’ (roze) en ‘Finsteraarhorn’. Delphinum ‘Länzentrager’ is als een kathedraal en kan een enorme hoogte bereiken, soms tot 2.60 meter, bloeit in juni en groeit als een raket.

Het was een zeer interessante avond, waarop Guy veel kennis met de toehoorders deelde, die dan ook tevreden naar huis gingen.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Planthunters (Chris van der Wurff)

Verslag van de lezing van Chris van der Wurff over planthunters op donderdag 12 februari 2009

 

Dat achter elke plant die in de tuin staat wel een verhaal zit kwam duidelijk naar voren uit de lezing die Chris van der Wurff op donderdag 12 februari 2009 heeft gehouden. Chris van der Wurff heeft een kwekerij in Heeze, Noord-Brabant waar hij zeldzame houtige gewassen kweekt die het ook in ons land in de tuin goed moeten doen. De laatste zware vorstperiode, waarbij op de kwekerij een temperatuur van -19°C werd gemeten is een goede graadmeter geweest voor de winterhardheid van de producten die hij kweekt. De gewassen die hij kweekt vinden hun weg over heel de wereld, waarbij o.a. gedacht kan worden aan botanische tuinen. Ook heeft hij een aantal moerbeien geleverd aan de koningin van Engeland. Chris vergelijkt zijn kwekerij met een botanische tuin, waarin de gewassen die er worden gekweekt, verhandeld worden.

 

Heel belangrijk in zijn werk is de naamlijst van houtige gewassen van H.J. van de Laar en P.C. de Jong. Tot voor kort stonden hier alleen alle houtige gewassen in die in Nederland in cultuur zijn. De nieuwste editie is tot stand gekomen onder auspiciën van de European Nurserystock Association en hierin zijn de officiële plantennamen van 30.000 houtige gewassen opgenomen die in Europa en grotendeels ook in de U.S.A. worden verhandeld. De bedoeling van deze lijst is om snel de correcte en wetenschappelijke naam van een plant te kunnen opzoeken. Deze wetenschappelijke naamgeving wordt nomenclatuur genoemd, waarbij gebruikt wordt gemaakt van dode talen zoals het Latijn en het Grieks. Het voordeel van één wetenschappelijke naam is dat men overal ter wereld weet over welke plant men spreekt. De grondlegger van dit systeem, waarbij uitgegaan werd van de seksuele organen van planten is de Zweed Carolus Linnaeus geweest.

 

De naam van een plant bestaat in deze lijst uit ten hoogste drie delen. Alle namen beginnen met de naam van het geslacht. Deze wordt altijd met een hoofdletter geschreven. Als voorbeeld noemde Chris van der Wurff Taxus baccata ‘Amersfoort’. Taxus is de naam van het geslacht, baccata is de soortnaam die met een kleine letter wordt geschreven en ‘Amersfoort’ is de cultivarnaam die ook met een hoofdletter wordt geschreven en tussen enkele komma’s staat. Ten aanzien van de derde naam bestaan er enkele uitzonderingen. In het geval van Cornus kousa chinensis (chinensis = van China) wordt de derde naam met een kleine letter geschreven. Hier is namelijk sprake van een natuurlijke variëteit, dat betekent dat deze plant uit zaad kan worden vermeerderd. In het geval van een (x) in de naam is er sprake van een kruising tussen 2 soorten. Soms wordt ook het teken (+) toegevoegd. In dat geval is er sprake van entchimeren. Dit zijn planten die bestaan uit weefsels van verschillende planten. Een voorbeeld hiervan is Laburnocytisus (+ ) adamii. Op deze enthybride van goudenregen en brem komen de bloemen van beide geslachten voor. Tegenwoordig wordt bij de derde naam gekozen voor z.g. fancynamen. Als voorbeeld gaaf Chris van der Wurff een bonte linde, die als derde naam ‘Mixed Emotions’ draagt.

 

Af en toe komt het wel eens voor dat een wetenschappelijke naam van een plant wordt aangepast. In alle gevallen is de werkwijze zo, dat als een onbekende plant wordt gedetermineerd en het blijkt dat hij nog nooit eerder is gevonden hij een toepasselijke naam krijgt. Deze eerste melding is bepalend. Mocht namelijk bij een later onderzoek blijken dat er al een oudere melding is geweest dan dient de eerste naam alsnog te worden aangepast. Een eventuele derde naam verandert echter nooit. Ook door DNA-onderzoek kan het wel eens voorkomen dat planten tot een andere familie behoren dan in eerste instantie was bepaald. Momenteel kan worden gesteld dat de 80 % van de namen van planten correct zijn. Over een groep van 20% bestaat er echter gerede twijfel of deze wel tot de juiste familie of geslacht horen. Verwacht kan dan ook worden dat er in de komende 10 jaar t.a.v. die groep nog wel wat wijzigingen kunnen optreden.

 

In de wetenschappelijke namen van planten zit dus veel informatie verborgen. Niet alleen eigenschappen van planten maar ook de naam van de plantvinder kan hieruit soms worden afgeleid. Juist die namen zijn dus belangrijk om meer over de achtergrond van planten te weten te komen. Aan de hand van levend materiaal behandelde Chris van der Wurff vervolgens een willekeurige groep planten, die na een vaak (eeuwen)lange reis uiteindelijk in Hollandse tuinen terecht zijn gekomen en het verhaal achter hun naam. Dat deze lijst van planten ontelbaar is, blijkt wel uit het feit dat in onze streken van oorsprong ongeveer 20 tot 25 houtige gewassen voorkomen.

Een plant die al duizenden jaren op stap is, is Morus alba of nigra, moerbei. Wie de eerste vinder van de moerbei is, is onbekend. De plant komt van oorsprong uit China en vooral Morus alba gedijt hier goed. Chris van der Wurff die trouwens ook houder van de Nederlandse collectie van moerbeien is, merkte hierbij op, dat juist van uit China en Japan veel planten op reis zijn gegaan. Een belangrijke rol hierin heeft de V.O.C. (Verenigde Oost-Indische Compagnie) gespeeld. Het begon allemaal toen na een barre tocht de overgebleven bemanning van het V.O.C. schip ‘De Liefde’ in 1600 aanspoelde op Kyushu, een van de Japanse eilanden. De ontvangst door de Japanners was goed en ondanks de praatjes die Portugezen over de Hollanders rondstrooiden werden ze geholpen en kregen ze geld om met handeldrijven hun brood te verdienen. Door het bewijzen van een aantal diensten aan Japan werd het vertrouwen van de Japanners gewonnen en kreeg de V.O.C. het alleenrecht dat 200 jaar duurde (tot 1853) om met Japan handel te drijven. De Hollandse handelaren verbleven op een kunstmatig eilandje in de baai van Nagasaki, dat als handelspost fungeerde. Dit was een van de eerste ingangen tot het vaste land van Japan dat botanisch gezien enorme schatten bevatte. Artsen die in de handelspost verbleven, met een in die tijd noodzakelijke grote botanische kennis, hebben er voor gezorgd dat grote hoeveelheden plantmateriaal naar Europa en ook Holland werden gezonden. Een van de eerste planten die mee is genomen is Ginkgo biloba, maar ook Larix kaempferi is een goed voorbeeld. Deze Larix is genoemd naar Engelbert Kämpfer (1651 -1716), een Duitse arts die in Hollandse dienst op Deshima heeft gewoond. De oudste mannelijke Ginkgo biloba is te vinden in de Hortus botanicus in Leiden, waar hij al in 1785 is geplant. In 1730 werd echter al de eerste Ginkgo naar ons land gebracht. Ginkgo biloba werd oorspronkelijk onder de naaldbomen geschaard, maar daar zijn de meningen tegenwoordig over verdeeld. Eigenlijk zit Ginkgo tussen een naaldboom en een loofboom in en wordt de plant gezien als een aparte orde van naaktzadigen.

 

Naast plantmateriaal had Chris van der Wurff ook een tweetal kegels meegenomen. De grootste kegel met een gewicht van 2 tot 2,5 kg komt van Pinus coulteri. Deze kegels zijn tot 35 centimeter lang en 15 centimeter breed. Deze Pinus is genoemd naar Th. Coulter, een Ierse medicus die van 1831 – 1833 in Mexico en Californië reisde en daar planten verzamelde. De langste kegel is van Pinus lambertiana (Sugar Pine)die voorkomt in de bergen van Noord-Amerika tot in Mexico. Deze kegel wordt ook wel de ‘widowmaker’ genoemd en dat is begrijpelijk met een lengte van tot 30 centimeter.

 

Erg belangrijk is ook de rol van de Duitse Dr. P.F. von Siebold (1796 – 1866) geweest. In dienst van de Hollanders werd zijn huis op Deshima het centrum van uitwisseling van oosterse en westerse medische kennis. Naarmate zijn bekendheid op medisch gebied groeide, kreeg von Siebold meer vrijheid om in en bij Nagasaki te kijken en planten te verzamelen. Ook maakte hij dienstreizen door Japan. In totaal heeft hij ongeveer 7000 verschillende soorten Japanse planten naar Europa meegebracht, zoals Forsythia en Hamamelis (toverhazelaar). Hierbij was ook Hamamelis japonica ‘Zuccariniana’. Houder van de Nederlandse collectie Hamamelis is Wim van der Werf in Boskoop. Hij heeft rond de 200 verschillende soorten Hamamelis in zijn collectie. Hamamelis is een lid van de familie van Hamamelidacea. Hiertoe behoren ook Liquidambar styraciflua (amberboom) en Parrottia persica. Leden van een bepaalde familie kunnen, aldus Chris van der Wurff goed op elkaar worden geënt. Zo worden bijna alle Hamamelis op de onderstam van de Amerikaanse Hamamelis virginiana (wilde Hamamelis) geënt. Maar ook de Amerikaanse Hamamelis vernalis wordt om zijn heerlijke geur hiervoor gebruikt.

Mooie en aparte soorten zijn Hamamelis mollis ‘Doerak’ met een prachtige warme gele kleur (houdt ook blad lang vast), H. intermedia ‘Jelena’ (oranje), H. intermedia ‘Aphrodite’ (oranje), H. intermedia ‘Primavera’ (lichtgeel), H. japonica ‘Robin’ (bruin) en H. vernalis ‘Amethyst’ (rood/paars). Naar Von Siebold zijn ook planten vernoemd zoals Hosta sieboldiana en Tsuga sieboldiana.

 

In de bossen in Noord-Brabant, maar ook op andere plaatsen in ons land is de z.g. Douglasspar aardig ingeburgerd. Deze conifeer draagt de wetenschappelijke naam Pseudotsuga menziesii. De algemene naam Douglasspar is een eerbetoon aan David Douglas(1798 -1834), een Schot die voor de Royal Horticultural Society in Noord-Amerika planten verzamelde, waarvan hij er ruim 200 in Engeland invoerde. Hij overleed op jonge leeftijd op Hawaï door een val in een vangkuil voor wilde dieren. De soortaanduiding bij de wetenschappelijke naam verwijst naar Archibald Menzies, een Schotse wetenschapper en natuuronderzoeker die als eerste de boom ontdekte (Vancouvereiland in 1791).

 

Interessant was ook het verhaal over Pater Armand David (1826 – 1900), een jezuïet die naar China was gezonden om op een missieschool te werken. Hij zond grote hoeveelheden planten, maar ook andere vondsten uit het gebied rond Peking naar Europa. Hij is eveneens de ontdekker van een aantal nieuwe diersoorten en naar hem is bijvoorbeeld het zogenaamde Davidhert genoemd.

Het was ook pater David die als eerste Davidia involucrata, de vaantjesboom of zakdoekenboom, heeft gezien en beschreven. Dit was in het westen van China. Naar aanleiding van de beschrijving van deze boom in een van zijn publicaties werd er in 1899 een expeditie uitgerust om speciaal van deze boom zaden te verzamelen. Leider van de expeditie was Ernest Wilson die hiertoe opdracht had gekregen van de Engelse firma Veitch. Op het goede spoor gezet door de Amerikaan B.C. Henry, die ook als botanicus planten in China verzamelde, vond Wilson de boom en kon hij de zaden mee naar Engeland nemen. Wat men niet wist was, dat al 2 jaar eerder zaden van de vaantjesboom naar de Franse kweker Maurice de Vilmorin waren gezonden. Gelukkig bleek het om twee verschillende soorten te gaan. Zo bestaan er nu Davidia involucrata en Davidia involucrata var. Vilmoriniana.


Een van de leukste planthunters is, volgens Chris van der Wurff, de eerder genoemde Henry. Alle planten die de naam ‘henryi’ dragen zijn volgens hem sterke en mooie planten. Benjamin Couch Henry (1850 – 1901) verzamelde planten voor Kew Gardens. Hij heeft meer dan 2500 verschillende plantensoorten naar Engeland opgestuurd.  Naar hem is o.a. de braam Rubus henryí genoemd, een wintergroene braam met prachtige vruchten. Een andere mooie sierbraam is trouwens Rubus peltatus met mooi bijna ruitvormig blad met een rustige groei.

 

Een struik die het in juist deze tijd van recessie goed zou moeten doen is Ptelea trifoliata, de lederstruik. Deze struik wordt ook wel centenboom genoemd vanwege de muntvormige zaden. De struik is afkomstig uit Noordoost-Amerika, heeft groene bloemen in de lente en is het sterkst geurende houtige gewas dat er is. Het aromatische blad kan men op al op meters afstand ruiken. De lederstruik is goed om te vormen tot een kleine boom.

 

Nog steeds worden er ook nieuwe soorten ontdekt, maar ook oude herontdekt. Leuk was bijvoorbeeld het verhaal over Ligustrum chenaultii, een grootbladige liguster met mooie witte bloempluimen die in een oude en verwaarloosde botanische tuin in een bos in België werd teruggevonden.

Ook het verhaal over Heptacodium miconioides, een struik die inheems is in China was erg interessant. Heptacodium bloeit vanaf augustus tot ver in oktober met heerlijk geurende bloemen en is een aanrader voor de herfsttuin. Heptacodium werd in 1980 door een expeditie die China rond die tijd weer in mocht, herontdekt, maar was eigenlijk al in 1890 voor het eerst gezien. Deze struik doet zowel aan jasmijn als aan Cornus denken. De Nederlandse naam is zevenzonenboom en deze wordt zowel als boom en als struik gekweekt. Als struik is hij goed terug te snoeien.

 

Cryptomeria japonica is een sterke en diep wortelende conifeer die in de tijd van de V.O.C. uit Japan mee naar Europa gebracht. Deze conifeer is goed als laanboom te gebruiken. Cryptomeria japonica ‘Rasen’ is een zuilvormige conifeer met grillig groeiende gedraaide takken.

 

De geschiedenis van ‘Cherry (kersen) Ingram’ passeerde eveneens de revue. De Engelsman Collingwood Ingram was een verwoed verzamelaar van o.a. Prunus (bloeiende kersen). Omdat zijn botanische bezigheden door zijn kinderen niet zo werden gewaardeerd, kwamen al zijn manuscripten en onderzoekswerk na zijn dood helaas op de brandstapel terecht. In de tuin rond zijn huis, die na zijn dood in verval raakte, stonden de prachtigste bomen en struiken. Deze tuin is en was dan ook een lustoord voor mensen zoals Chris van der Wurff c.s. In deze tuin werd o.a. Acer diabolicum ontdekt. Deze zeer zeldzame esdoorn heeft zaden met vleugels die lijken op de hoorns van de duivel. Naar Ingram is ook Acer palmatum ‘Collingwood Ingram’ genoemd.

 

Natuurlijk ontbrak ook Sequoia sempervirens, de hoogste boom ter wereld, niet in het verhaal. Sequoia sempervirens, ook wel kustsequioa of Redwood Coaster genoemd, groeit van nature in de lange dunne kuststrook langs de Stille Oceaan in Californië. Het hoogste gekende exemplaar van de Sequoia sempervirens, genaamd: ‘Hyperion’, meet maar liefst 115,55 meter! Dit komt dicht in de buurt van de 120 à 130 m, dat volgens een studie uit 2004 de maximum haalbare hoogte van een boom zou zijn. Een andere soort is Sequoia gigantea, de mammoetboom. In dit rijtje kwam ook Metasequoia glyptostroboides, de Chinese watercipres aan de orde. Deze boom is zo genoemd omdat hij gelijkenissen vertoont met Sequoia’s. Metasequoia betekent dan ook: schijnbaar een Sequoia. Deze conifeer moet echter, aldus Chris van der Wurff, niet worden verward met Taxodium, de moerascipres met luchtwortels, die inheems is in Florida.

 

Als laatste in de lezing passeerde de heerlijk geurende Zenobia pulverulenta de revue. Deze plant uit Noord-Amerika met blauwachtig blad en witte bloemen in trossen, die in Amerika als snijbloem wordt gekweekt, heeft zijn naam te danken aan Linnaeus. Omdat Linnaeus de plant vond lijken op Andromeda, een andere plant met de naam van een mythische prinses noemde hij deze plant Zenobia naar de Syrische koningin van Palmyra (een vazalstaat van Rome).

Het was een interessante lezing die er zeker voor heeft gezorgd dat alle aanwezigen in het vervolg met een andere blik naar het naamkaartje van een plant zullen kijken.

 

Anneke Duyvesteijn

Rhododendron door Rinus Manders van de Rhododendronvereniging op 12 september 2013

De aristocraat onder de groenblijvers

Wie wat over Rhododendron te weten had willen komen, had er verstandig aan gedaan om aanwezig te zijn bij de lezing van Rinus Manders over wat hij de aristocraat van de groenblijvers noemt: de Rhododendron.

Als bestuurslid van de Rhododendronvereniging weet Rinus Manders als geen ander hoe u het beste rododendrons in de tuin kan laten groeien. Hoewel hij zelf geen kweker is, is de heer Manders zelf in het bezit van een halve hectare bostuin, de Davidshof in Herpen. In zijn tuin heeft hij naast 200 rododendrons ook nog eens vijfentwintig soorten Magnolia.

Het geslacht Rhododendron/herkomst

Er zijn maar weinig groenblijvende heesters, waarvan er zoveel verschillende soorten en cultivars zijn. De meeste soorten komen van oorsprong uit het Chinese deel van de Himalaya, van Nepal en Sikkim tot Yunnan en Sichuan, maar ook uit Korea, Japan en Taiwan. De rest komt uit Europa en Noord-Amerika.

De aristocraat onder de groenblijvers

Rhododendron is lid van de familie der Ericaeae. Andere familieleden zijn bijvoorbeeld heide, bosbes en Kalmia. Dit geslacht beslaat zeker 1000 wilde soorten, waarvan 300 toepasbaar zijn in ons klimaat. Rhododendron ponticum is de meest bekende Toch is de waardering van Rhododendron verschillend, want in Schotland en Ierland is juist aan Rhododendron ponticum, die daar in de bossen woekert als onkruid, de oorlog verklaart.

Het aantal cultivars is bijna ontelbaar en de schatting ervan ligt rond de 20.000. Er zijn zowel groot- als kleinbladige als groenblijvende en bladverliezende soorten. Vooral de grootbladige soorten hebben moeite met strenge winters (R. kesangiae en R. Maddenii).

Rhododendron ponticum komt van oorsprong uit de omgeving van Turkije, terwijl Rhododendron catawbiense uit Noord-Amerika komt. De vele cultivars van Rhododendron yakushimanum, van oorsprong van het gelijknamige eiland Yakushima zijn heel geschikt voor niet te grote tuinen. Ze groeien vrij compact en bossig. Ook de williamsianum-hybriden zijn geschikt voor de kleinere tuin, evenals de repens-hybriden, zoals Rhododendron ‘Scarlett Wonder’.

Ook in de tropen komen rododendrons voor; de zogenaamde Vireya’s, die een epifytische groeiwijze kennen d.w.z. dat ze evenals Bromelia in de kruinen van bomen groeien. Ze komen voor in de oerwouden van zuidoost-Azië, maar ook op Hawaii. Deze wondermooie soort bloeit het hele jaar door en is in onze omgeving geschikt als kuipplant.

In Europa kennen we maar negen inheemse wilde soorten, waarvan er één in de Alpen en de Pyreneën voorkomt het zogenaamde alpenroosje, Rhododendron ferrugineum. Verder is in Noorwegen is nog niet zo lang geleden een piepkleine soort ontdekt en komen ook in Midden-Europa wilde soorten voor, zoals de gele Rhododendron luteum, die het meest giftig van alle soorten is

De soort met het grootste blad is Rhododendron sinogrande met blad tot wel 60 tot 70 centimeter lang. Ook qua hoogte vertoont Rhododendron grote verschillen. Ze komen voor van 10 – 40 cm (dwergsoorten), 40 – 80 cm (semi-dwerg) tot 15 tot 20 meter hoog in bijvoorbeeld de Himalaya.

Azalea

Tot het geslacht Rhododendron behoren ook azalea’s, die zowel bladverliezend als bladhoudend kunnen zijn. De bladhoudende soorten komen veelal uit Japan. Tot de bladverliezende horen de Engelse hybriden (Knaphill en Exbury) en de Belgische, ook wel harde Gentse genaamd. Dit zijn meestal planten met geurende bloemen. Tot de bladverliezende horen ook de viscosum-hybriden uit het oosten van Noord-Amerika. De bladverliezende soorten zijn het meest winterhard.

De kleinbladige Japanse azalea’s zijn meestal bladhoudend en goed te snoeien en zijn uitstekend geschikt voor kleinere tuinen en kunnen op een veel zonniger standplaats dan eerder genoemde soorten. Van de botanische soort Rhododendron simisii kennen we de kruisingen als kamerazalea; deze kruisingen zijn niet echt winterhard.

De mooiste Rhodo’s

Een aantal interessante rododendronsoorten passeerden eveneens de revue, zoals R. sappho, een van de mooiste (witte-rood gespikkelde bloemen en dieprode vlek in de kelk), maar met een wat losse groei, doet het daarom goed in de achtergrond. R. fastuosum ‘Flore Plenum’, een dubbelbloemige en lavendelkleurig verdient ook een aanbeveling en bloeit eind mei/begin juni. R. Mrs. Helen Koster, lila met donkerrode vlek verwijst naar de familie Koster, een van de belangrijke veredelaars (door kruisen) van Rhododendron van voor de Tweede Wereldoorlog.

Mooi is ook R. ‘Goldflimmer’ met bont blad en R. ‘Percy Wiseman’, die ook geschikt is voor kleinere tuinen. Piepklein en heel leuk is R. ‘Bambi’.

Bloeitijd, geur en kleur

De bloeitijd van Rhododendron verschilt per soort, soms bloeit de vroegste soort al in december. De meest vroege rododendrons bloeien begin maart; het hoogtepunt van de meeste soorten ligt rond de eerste helft van mei en er zijn er ook die begin juni beginnen met hun bloei. De wilde soort R. vernicosum is een wilde soort die zelfs al in februari kan bloeien. R. ‘September Song’ bloeit als een van de laatste.

Licht geurend is R. fortunei, maar de kroon spant R. loderi die bloeit in mei met lichtroze grote bloemen. Een van de mooiste rode is R. ‘Taurus’ die begin april bloeit en grootbladig is; kan ook in niet grote tuinen. Prachtig blauw van kleur is R. Augustini ‘Electra’. Bloemen als sneeuwballen heeft R. ‘Home Bush’. Mooi is ook R. ‘Satan’. Sommige soorten rododendrons hebben aan de onderkant van het blad een bruine laag die indumentum heet en de bladeren tegen late nachtvorst beschermt. Sommige soorten hebben zelfs een witte wasachtige laag aan de bovenzijde van het blad die in de loop van het seizoen wegtrekt.

Standplaats/verzorging en snoei

Rhododendron staat het liefst op goed gedraineerde, humeuze en luchtige grond met vocht aan de wortel. Natte gronden zijn een straf, want dan gaan de wortels rotten. De pH van de grond ligt tussen 4,5 en 5,8. Het verdient verder aanbeveling om Rhodendron na 1 augustus geen water meer te geven. Bij het planten van Rhododendron dient u een plantgat te maken, dat 2 tot 3 x de omvang van de kluit heeft.  Plant u uw Rhododendron in een mengsel van tuinturf/humus en de oorspronkelijke tuingrond. Let u er verder op dat u de kluit niet te diep plant, het liefst iets boven het maaiveld en vooral de grond niet aanstampen na het planten.

Kleigrond is zonder maatregelen niet geschikt omdat de korrelstructuur van klei te dicht is. Wilt u toch op klei planten dan kunt u het beste een bak creëren met de juiste grond en daar de rododendron in planten. Houdt u er verder rekening mee dat een rododendron niet dieper wortelt dan 10 centimeter. Om de wortels vochtig te houden is het verstandig om rondom de kluit een mulchlaag aan te brengen van blad of tuinafval.

Verplanten kunt u het beste in de vroege herfst doen, maar kan tussen eind augustus tot april. Verplant u echter nooit direct na een snoeibeurt.Snoeien kan na de bloei, als het nodig is. Zowel vormsnoei als verjongingssnoei is mogelijk (als een struik te los groeit).Uitgebloeide bloemen mag u verwijderen; geeft volgend jaar meer bloemen. U voorkomt hiermee zaadvorming. Als u niet te veel struiken heeft is dit een optie, is esthetisch gezien ook goede zaak. Bij vormsnoei tot bladkrans, zodat slapende knoppen uitlopen. Ook bladverliezende struiken zijn goed te snoeien.

Hoe kleiner het blad hoe zonniger de standplaats kan zijn, mits de wortels maar vochtig blijven. De soorten met de grootste bladeren kunt u het beste tegen de nachtvorst beschermen.

Ziekten en plagen

Schimmels, bacteriën en virussen kunnen uw planten belagen, ook insecten kunnen uw rododendrons aanvreten.

Bij bruine bloemknoppen is er meestal sprake van vorstschade of Botrytis cinera. Bij zwarte bloemknoppen (schimmelinfectie) kan er sprake zijn van de rododendroncicade (Pycnostysanus azaleae). Last kan Rhododendron (bruine vlekken, bladval) ook hebben van de Japanse vlieg (Stephanitis Rhododendrii).  Aanpak helaas alleen met insecticide. Een andere belager is de taxuskever; hier kunt u eventueel aaltjes inzetten.

Mooiste parken met Rhododendron

  • Rhododendron Park in Gristede (Bad Zwischenahn) met meer dan 1000 soorten
  • Arboretum Belmonte Wageningen tot enige jaren terug behorend tot Universiteit Wageningen
  • Arboretum Trompenburg Rotterdam
  • Arboretum Gimborn in Doorn
  • Arboretum Notaoristoen in Eenrum
  • Domein Herkenrode in Wespelaar (België)
  • Arboretum Bokrijk (België)
  • Arboretum Het Leen in Eecklo (België)
  • Om de vier jaar vindt in het Duitse Westerstede de "Rhodo" (Rhododendronfeest) plaats. Dit is het grootste Rhododendronevenement van Europa. Het laatste Evenement was in 2010 en het volgende wordt in 2014 georganiseerd (17 tot 26 mei 2014). Ten noordoosten van Westerstede, voorbij het dorpje Linswege, bevindt zich dit rhododendronpark dat wanneer deze struiken in mei/ juni bloeien dagelijks voor toeristen geopend is.

Sites om te bezoeken

www.hirsutum.info

www.rhododendron.startpagina.nl

www.rhodovereniging.nl

Als u aan alle wensen van Rhododendron voldoet is het een tuinplant die jarenlang voor veel plezier kan zorgen en Rinus Manders vindt het daarom dan ook een plant voor de luie tuinier.

Na een inspirerende lezing gingen de bezoekers tevreden huiswaarts!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Rozen


Verslag lezing “Mooie rozen in de tuin, dat is een hele kunst” op 14 februari 2008

 

Waarover kan een lezing op Valentijnsdag beter gaan dan over rozen?! Op uitnodiging van Groei & Bloei afdeling Westland heeft op donderdagavond 14 februari de heer Hans Mulder

van Hoog Hof Hoveniers en kwekerij uit Oostermeer een lezing gehouden over rozen. De heer Mulder werd geassisteerd door zijn collega Willem de Jong.  Aan het begin van de lezing merkte de heer Mulder op dat deze lezing is bedoeld om de tuinliefhebber bij te brengen dat een roos eigenlijk een makkelijke plant in de tuin is. Aan de hand van mooie sfeerplaatjes werd vervolgens een indruk gegeven van de kwekerij van vooral tuinrozen die tot vorig jaar in het bezit van de familie Mulder is geweest. De kwekerij wordt nu op een andere plaats, maar kleinschaliger voortgezet. Prachtige combinaties werden getoond van rozen met vaste planten, zoals Rosa Schneewitchen en Verbena bonariensis en het gebruik van klimrozen langs pergola’s, bogen en loofgangen.

 

Klimrozen kunnen zowel zomerbloeiend als doorbloeiend zijn. Onder de zomerbloeiende klimrozen vallen ook de zogenaamde ramblers. De bloei van ramblers duurt ongeveer vier weken en begint, afhankelijk van het weer, meestal half juni (begin zomer). Deze rozen worden door hun specifieke bloeitijd ook wel ‘bouwvakrozen’ genoemd. Sommige ramblers kunnen wel 20 meter van de basis af groeien en zijn dus uitermate geschikt om over oude schuurtjes of in een boom te jagen. Er zijn ook kleine ramblers die soms meerdere keren bloeien, beginnend in juni. Na vier weken bloei is er dan een onderbreking van een week of drie, waarna er weer een bloei plaatsvindt (bloeiherhalende rozen). Ramblers bloeien op tweejarig hout. De witte Rosa “Seagull’’ is een voorbeeld van een rambler met een enorme groeikracht. Ramblers kunnen worden gesnoeid om ze binnen te perken te houden. Deze snoei vindt na de bloei plaats en houdt in dat in augustus/september alle zijtakken worden weggenomen. Door in deze periode te snoeien ontstaat er weer nieuw hout, dat in het volgende seizoen als tweejarig hout kan worden aangemerkt. Eigenlijk wordt op deze manier de natuur in het ooitje genomen. De meeste ramblers hebben zachte kleuren. Rosa 'Paul's Himalayan Musk' is hier ook een prachtig voorbeeld van. Het is een heerlijk geurende kleinbloemige roze rambler die wel wat ruimte nodig heeft en heel veel botteltjes produceert.

 

Op de kwekerij van de heer Mulder zijn ongeveer 700 soorten rozen te koop. Een roos kan men kiezen om de bloem, de geur of de bottel, maar er zijn ook rozen die opvallende vleugeldoorns hebben, waardoor ze aantrekkelijk zijn. De meeste rozen worden in het najaar en de winter “op de kale wortel” verkocht. Er wordt geschat, aldus de heer Mulder, dat er tussen de 30.000 en 50.000 soorten rozen bestaan. Hij zelf denkt dat het aantal meer in de buurt van de 30.000 ligt, omdat veel soorten inmiddels verbeterd zijn en niet meer in productie zijn. Ook zijn er rozen die naast een Engelse naam ook een Duitse naam hebben. Wie trouwens veel soorten wil zien doet er goed aan om eens een uitstapje te maken naar het rozendorp Lottum. In dit Noord-Limburgse dorpje, hét centrum van de Nederlandse rozenteelt, staat ook tijdens het rozenfestival op 8,  9, 10 en 11 augustus 2008 de Koningin der Bloemen weer centraal.

Vaak kan men uit de naam opmaken of het om een sterke of zwakkere roos gaat. Rozen met een naam van een bekende persoonlijkheid zijn, een uitzondering daargelaten, meestal sterke toprozen. Als voorbeeld noemde de heer Mulder hier Rosa “Ingrid Bergmann”. Leuk was ook het verhaal over Rosa “Wim Oudshoorn”, een sterke, goed doorbloeiende roos, die op de kwekerij ten doop is gehouden. Ook rozen met een minder bekende naam, zoals Rosa “Just Joey” kunnen echter populair worden. Nadat een onbekende Engelse rozenkweker een roos naar een vroeg overleden autistische jongen had vernoemd die Joey heette en dit in een uitzending van de B.B.C. aan de orde was geweest, ontstond er een enorme vraag naar deze roos.

Prachtig waren de beelden van de Franse schildersrozen, waarvan Rosa ‘’Claude Monet” en “Henri Matisse” goed in ons klimaat kunnen tieren, maar ook die van Rosa “Golden Celebration”. Deze roos is afkomstig van de kwekerij van de Engelse rozenkweker David Austin. Deze kweker heeft oude geurende rassen gekruist met nieuwe soorten, die daardoor doorbloeiend en geurend is. Deze vaak dubbele rozen zijn over het algemeen zo zwaar dat ze vaak onderste boven bloeien. David Austin adviseert daarom dan ook om zijn rozen hoger te snoeien, zodat men toch in de bloem kan kijken.

De laatste tijd is er een trend waarneembaar naar meer natuurlijke rozen zoals de trosroos Rosa “Cappa Magna” een sterke roos met glimmend blad.

 

Voordat de heer Mulder dieper inging op de ziekten en plagen waaraan de roos bloot kan staan vertelde hij eerst over de introductie van de Chinese roos, Rosa chinensis die door schepen van de V.O.C. naar Europa werd gebracht. Naar later bleek stond de introductie van de Chinese roos ook aan het begin van de gezondheidsproblemen van rozen. De Chinese roos was een doorbloeiende roos, die qua bloei afweek van de sterke zomerbloeiende rozen die bekend waren op het Noordelijk halfrond. In tegenstelling tot deze botanische rozen bloeide Rosa chinensis, die echter niet al te sterk was tot in de herfst door. Om deze laatste eigenschap is men deze roos toen in het wilde weg gaan kruisen. Hierbij realiseerde men zich echter niet wat de ziektegevoelige eigenschappen van de Chinese roos op den duur voor consequenties zou kunnen hebben. Het liefst had de heer Mulder gehad, dat deze bewuste roos de reis naar Europa niet had overleefd. In diezelfde tijd waren rozenkwekers namelijk begonnen zomerbloeiende remontantrozen te selecteren om een langere doorbloei te realiseren. Dit proces heeft eeuwenlang stilgestaan, maar nu zijn de meeste nieuwe rozensoorten wel ziekteresistent omdat ze kruisingen zijn van remontant- met zomerbloeiende rozen. Nieuwe rozen worden tegenwoordig trouwens heel streng gekeurd voordat ze geïntroduceerd worden en zijn vrijwel zeker ziekteresistent.

Een van de bekendste aantastingen bij rozen is wel ‘black spot’ of bladvlekkenziekte, een van de erfenissen van die eerste slechte doorbloeiende roos.

Ook roest en meeldauw, eveneens schimmelaantastingen komen vaak (vooral vochtig weer) in de zomer voor. Het aanpakken van de schimmel op het moment van verschijnen is een moeilijke zaak. Eigenlijk is men, aldus de heer Mulder, dan drie maanden te laat. De schimmel zit namelijk al veel eerder in de plant en kan via luis of snoeischaar zijn overgebracht. Vooral als blad langer dan 7 uur nat is geweest gaan de bladmondjes openstaan en zijn ze extra gevoelig voor schimmels. Schimmels overwinteren ook op blad en organisch afval dat de gastheer zo in het voorjaar kan belagen en veroveren. Belangrijk is het daarom om vroeg in het voorjaar (april bij het ontluiken van het eerste blad) te spuiten met Baycor (chemisch) Na ongeveer 3 weken is het raadzaam nogmaals te spuiten. Neem hierbij ook de bodem om de rozen en de stam mee. Mochten er toch symptomen van aantastingen te bespeuren zijn, dan zal men om de 7 tot 10 dagen moeten spuiten, maar de zwarte vlekken zullen er niet door verdwijnen. Het proces wordt eigenlijk alleen geremd. Door 2x preventief in het voorjaar te spuiten onderbreek je echter de kringloop.

Een andere belager is de rozenluis. Elke plant kent zijn eigen luizenfamilie. In het najaar worden er in de roos z.g. overwinteringseitjes gelegd die in het voorjaar uitkomen. In razend tempo vermenigvuldigen de levendbarende luizen zich dan (met en zonder vleugels).  Ze zitten meestal onder de bloemknop en zijn dus al voor de winter aanwezig of vliegen uit andere tuinen aan. Bij aantasting is het verstandig twee maal te spuiten met een biologisch middel, omdat er altijd een tweede generatie eitjes aanwezig is, die na ongeveer veertien dagen uitkomt. Een mengsel van spiritus en zeep raadt de heer Mulder af omdat hierdoor de waslaag van het blad oplost waardoor het bacterieleven op het blad verdwijnt en het blad nog kwetsbaarder wordt.

 

Over het snoeien is de heer Mulder heel duidelijk. Snoeien is niet moeilijk omdat hij het snoeien van allerlei verschillende soorten rozen heeft teruggebracht tot twee duidelijke groepen: a. doorbloeiende rozen en b. zomerbloeiende rozen. Snoeien bij rozen doet men om de plant te verjongen, verjong je niet dan vindt de bloei steeds hoger op de struik plaats

Doorbloeiende rozen zijn onder te verdelen in struikrozen en klimrozen. Omdat deze rozen op eenjarig hout bloeien, snoeien we ze in het voorjaar (maart) terug tot ca. 3 tot 5 ogen. Als bovenste oog kiest u er een dat naar buiten is gericht. Ogen zijn eigenlijk knoppen in wording. Ze zijn te vinden in de oksels van bladeren en takken. Door een tak boven een naar buiten gericht oog af te knippen groeit de nieuwe tak naar buiten en houdt de struik een mooi model. Het is ook van belang om rozentakken niet ouder dan een jaar over drie te laten worden. Dikke oude takken kunnen daarom na ongeveer 3 tot vier jaar tot even boven de entplaats worden teruggezet. De z.g. slapende ogen zullen dan ontwaken en er zullen weer nieuwe jonge takken ontstaan.

De gesteltakken (hoofdtakken) van doorbloeiende klimrozen worden tijdens de groei omhoog geleid. Het eerste jaar hoeven deze rozen nog niet te worden gesnoeid. In het tweede jaar knipt u alle zijtakken tot op 2 cm van de hoofdtak weg. Er hoeft niet op ogen te worden gelet. Na een aantal jaren is het raadzaam om ook klimrozen te verjongen door oude hoofdtakken weg te nemen en nieuwe takken omhoog te leiden.

Doorbloeiende rozen op stam snoeit men op dezelfde wijze als de struikrozen. Het inpakken van rozen op stam is, aldus de heer Mulder, alleen maar nodig als de Elfstedentocht is afgelast, omdat het te koud is. Bij vorst kan wel wat winterbescherming worden aangebracht, maar hierbij kan men zich beperken tot wat coniferengroen of stro. Plastic zakken moet men echt niet gebruiken, want hierdoor verdrogen de rozen.

 

De zomerbloeiende rozen zijn ook te verdelen in twee groepen t.w. (botanische) struikrozen en klimrozen en ramblers. Zomerbloeiende rozen bloeien op tweejarig hout en oudere takken. Struikrozen die groot mogen blijven hoeft men niet te snoeien. Struikrozen die wat kleiner moeten blijven kan men elk jaar snoeien, maar niet in het voorjaar. Het snoeien vindt plaats in de nazomer, na de bloei. Onder deze groep vallen rozen als Rosa Glauca, Rosa Multiflora, Rosa canina, Rosa Nitida, Rosa Pimpinellifolia, Rosa rugosa en Rosa Rubiginosa. Uitgebloeide takken neemt men tot in het hart van de struik terug (verjongingssnoei) of tot het punt waar een nieuwe tak verschijnt.

Zomerbloeiende klimrozen en ramblers hoeven niet te worden gesnoeid. Als u ze netjes wilt leiden dan kunt u ze snoeien als een doorbloeiende klimroos maar niet in het voorjaar, maar in de nazomer na de bloei!

Rozen in rozenperken kan men jaarlijks op een zelf te bepalen hoogte snoeien. Af en toe wat oude takken wegnemen.Trosrozen groeien op hun eigen wortels en bloeien op tweejarig hout, worden ook in plantsoenen toegepast en zijn ook vaak de rozen waar de gemeente met een maaimachine overheen maait.

 

Bemesten doet men rozen met de snoei en met de bloei, maar niet later dan de langste dag. Een najaarsbemesting is niet verstandig.  Het liefst gebruikt men organische mest, zoals koemest, paardenmest of speciale rozenmest. In het najaar kan men rozenstruiken wel vertroetelen met compost of champost.

 

Na het afvuren van nog een aantal vragen op de heer Mulder werd de avond afgesloten met de verloting van een drietal rozenstruiken uit het assortiment van de heer Mulder en gingen de aanwezigen met het oog op Valentijnsdag naar huis met een mooie rode roos en een toepasselijk gedicht.

 

De Rozen

 

Je opende de openslaande deuren:
het leek of met de rozen rond het gras
het paradijs teruggewonnen was,

alleen met nog meer kleuren en meer geuren.

 

Wie dit gekend heeft moet maar niet meer zeuren.
De dagen van de rozen zijn zo ras
vervlogen dat ik ze na jaren pas
weer dromen kan in geuren en in kleuren.

Door rozengeur word ik met open ogen
nog mooier dan door maneschijn bedrogen,
en snuif ik diep en doe mijn ogen dicht
dan gaat mijn neus, ontsnapt uit mijn gezicht,
de hortus op en wandelt door de tijd
een weg terug die over rozen leidt.

Kees Stip

 

Schaduwplanten

Verslag lezing Groei & Bloei 12 januari 2012 over schaduwplanten door Wiert Nieuman

Op donderdagavond 12 januari was Wiert Nieuman, oud-hortulanus van de Hortus Utrecht te gast bij Groei & Bloei Westland om een lezing  te geven. Als hoofdtuinman van deze botanische tuin met de naam Fort Hoofddijk, die te vinden is bij de Uithof in de stad Utrecht, heeft Wiert veel kennis over allerlei planten opgedaan. De lezing stond echter vooral in het teken van schaduwplanten, die op de zogenaamde turfterrassen in de Hortus te vinden zijn.

Het zoeken naar planten voor schaduwrijke plekken in de tuin valt niet altijd mee. Ook de beplanting onder bomen zorgt bij menig tuinier voor de nodige hoofdbrekens. Toch is er voldoende aanbod en hoeft u zich niet alleen te beperken tot Epimedium, elfenbloem en varens die trouwens in allerlei vormen en grootte voorkomen. Trouwens, wat te denken van de groep wintergroene varens?

Wiert ging van start met de presentatie van een aparte groep schaduwplanten die ook als stinzenplanten bekend staan. De stinzenplant dankt zijn naam aan het feit dat juist deze groep planten in vroegere tijden geplant en te vinden was rondom zogenaamde stinzen, de versterkte stenen huizen van rijke plattelandsadel in Friesland. De oorsprong van deze planten (van nature niet in Nederland), die nu vaak worden gezien als wilde planten, kan liggen van het uiterste zuiden van ons land tot aan de Alpen.

Stinzenplanten, stinzen en borgen

Stinzenplanten zijn ook te vinden op allerlei buitenplaatsen en zogenaamde borgen (andere naam voor versterkt huis) in andere gebieden in ons land. Vaak heeft elke borg of stinze wel zijn specifieke stinzenplant. Stinzenplanten zijn planten die bloeien voordat de bomen in blad komen en zijn daarom goed als schaduwplant te gebruiken.

Daslook, Allium ursinum die vooral in de heemtuin in Amstelveen in het vroege voorjaar de nodige aandacht trekt was de eerste in het rijtje die de revue passeerde. Deze ui met eetbaar blad is een makkelijke plant met een prachtige verschijning die op de juiste standplaats toch enigszins kan woekeren. Hetzelfde geldt voor Anemone nemorosa, die eenmaal geplant niet meer uit de tuin zal verdwijnen. De vraag is echter of dit zo’n ramp is. Het zijn bij uitstek planten voor een moeilijke plek in de tuin.

De Fraeylemaborg in Slochteren is beroemd om zijn lente- en sneeuwklokjes (Leucojum en Galanthus), bolgewassen die door de eeuwen heen door zijn borgbewoners zijn aangeplant. Het gevulde sneeuwklokje, Galantus nivalis ‘Flore Pleno’ is vooral te vinden op Nieuw-Ammelisweerd bij Bunnik. Op de buitenplaats Nijenrode in Breukelen is heel massaal de bostulp, Tulipa sylvestris, te bewonderen, die het op andere buitenplaatsen laat afweten.

Andere voorbeelden van stinzenplanten zijn Eranthis hyemalis, het winteraconietje; Crocus tommasinianus, boerenkrokus; Frittelaria meleagris, kievitsbloem die vooral in de buurt van Zwolle langs het zogenaamde Zwarte Water (rivier in Overijssel) te vinden is. Scilla hispanica, de wilde hyacint en Corydalis solida, de helmbloem, die beide vlug uitzaaien, vallen ook onder de stinzenplanten. Zo ook Ornitogalum, knikkende vogelmelk; Muscari botryoides, blauw druifje (doet het vooral in het gras goed); Lamium galeobdolon, gele dovenetel, een uitstekende plant voor onder een heesterborder, Doronicum pardalianches, voorjaarszonnehoed; Pulmonaria officinalis, longkruid, Silene dioca, lijmkruid en Chionodoxa. Geranium Phaeum die massaal in de Alpen voorkomt was duidelijk een van de toppers van Wiert. Deze donkere ooievaarsbek heeft dan ook een heel lange bloeitijd, vooral als u hem na de eerste bloei afknipt. Een stinzenplant met een aantekening is Allium paradoxum. Als u deze plant eenmaal in uw tuin heeft raakt u hem nooit meer kwijt. Zijn aanwezigheid is dan zodanig dat Wiert adviseert hem nooit aan te schaffen! 

Stoeptegel Wiert

Na het belichten van de schoonheid van stinzenplanten was hierna de beurt aan schaduwminnende soorten, die door hun aparte verschijning een plaatsje verdienen op het verlanglijstje van de fanatieke tuinier. Het zijn, aldus Wiert, geen planten die u in uw luie stoel vanaf het terras kunt bewonderen, maar planten waar u voor op de knieën moet gaan. Veel van deze planten waren tot voor 10 jaar geleden geheel onbekend, maar hebben inmiddels al dan niet hun plaatsje verdiend. In de botanische tuin van Utrecht hebben veel van de planten die Wiert in zijn presentatie aan de bezoekers toonde een plaatsje gevonden op de zogenaamde turfterrassen in de tuin. Deze turfterassen, die na vele experimenteren tegenwoordig opgebouwd zijn uit gestapelde stoeptegels waar turven tegenaan zijn gestapeld, zijn ook verantwoordelijk voor de bijnaam van Wiert die hem door Romke van der Kaa is toegedicht: ‘stoeptegel Wiert’. De wanden van de turfterrassen zijn 1 meter hoog en tussen de turven zijn vele schaduwminnende planten te vinden. Deze terrassen hebben inmiddels als voorbeeld gediend voor de tuinen van vele rotsplantenliefhebbers. Houdt u er echter wel rekening mee dat het belangrijk is om een dergelijk terras op een schaduwrijke plaats te plannen, omdat in de zon de turven verbranden en verteren.

T.a.v. de grond waarop schaduwplanten het best gedijen vertelde Wiert dat een groot aantal schaduwplanten het liefst een plekje hebben op humusrijke en vochthoudende grond die niet direct zuur hoeft te zijn. De zuurgraad alleen bepaalt niet altijd het welzijn van de plant. Diverse andere factoren spelen hierbij een belangrijke rol, zoals licht en vocht en doorlatendheid van de grond.

Fraai en soms ook lastig

Een aantal aparte, mooie maar ook soms lastige planten gingen aan het oog van de bezoekers voorbij. Trillium grandiflorum was de eerste van het lijstje. Deze Trillium is een van de meest gemakkelijke van zijn geslacht. Minder bekend zijn T. albidum, T. foetidissimum en T. pusillum. Staat hij echter op een vochtige schaduwrijke plek dan kan hij een uitstekende bodembedekker zijn. Voor de bloemschikkers onder de bezoekers was het blad van Galax natuurlijk geen onbekende, maar wat niet velen zullen weten is dat deze plant met zijn mooi glimmend blad ook mooie toortsvormige witte bloemen heeft. Helaas is het moeilijk om aan deze plant te komen.

De groep Arisaema, in Engeland bekend als ‘Jack in the pulpit’ en hier als ‘dominee op de preekstoel’ zijn, aldus Wiert, planten om van je stoel af te komen. Mooie variëteiten zijn: A. griffithii, A. franchetimum en A. serratum die wel 1 meter hoog groeit.

Mooi, maar met vaak onbeduidende bloemen, is het blad van Asarum, mansoor. Naast de meest bekende Asarum europeum zijn tegenwoordig in China tientallen andere soorten te vinden die u ook in Nederland kunt tegenkomen, zoals A. splendens en A. inflatum. Saruma henryi  (anagram voor asarum) lijkt op Asarum, zaait uit en was tot 10 jaar geleden nog onbekend.De moeite waard zijn ook Uvularia grandiflora en Roscoea purpurea, die verwant aan gember is. Hoedt u echter voor Roscoea alpina die volgens Wiert door zijn woekerend gedrag een echte minkukel is! Prachtig is ook Bletilla striata, aardorchidee, die het op vochtige, maar niet te natte grond goed doet. Hetzelfde geldt voor de witte Bletilla striata ‘Alba’ . Erg veel plezier valt er ook te beleven van Kirengeshoma koreana, Japanse wasbloem, die een teveel aan zonlicht echter absoluut niet op prijs stelt. Tricyrtis hirta heeft als schaduwplant inmiddels ook zijn sporen verdiend. Deze armeluisorchidee heeft echter nog meer familieleden zoals Tricyrtis hirta ‘Tojen’ en T. formosana die wel 1 – 1.25 meter hoog wordt. Mooi maar moeilijker te krijgen is Tricyrtis ohsumiensis, die een gele bloem heeft. Een andere mooie tuinorchidee is Cypripedium x gisela.

Minder bekend is Cornus canadensis. Deze plant doet het in de turfwand in de botanische tuin uitstekend hoewel hij in het land van herkomst Canada op de vette klei groeit. De bes van deze plant is te verwerken tot gelei. Een andere vruchtdragende schaduwminner is Podophyllum hexandrum met perzikgrote vruchten. Mooie bessen heeft ook Polygonatum curvistylum en Vaccinum macrocarpon, bekend als cranberry, is een uitstekende bodembedekker op vochtige gronden.

Onder de neusjes van de zalm schaart Wiert planten als Pleione bulbocodioides die in mei in de Hortus voor een prachtig spektakel zorgen, maar ook de o zo moeilijke maar hemelsblauwe Meconopsis betonicifolia. Meconopsis gaat het door de warme en droge zomers in ons land steeds moeilijker doen, dus een koele iets vochtige plaats in de tuin is pure noodzaak!

Nog meer snoepjes van de week

Andere snoepjes van de week zijn: Smilacina racemosa, Primula vialii, Paris quadrifolia, Persicaria vacciniifolia, Shortia, Haberlea rhodopensis, Pachyphragma macrophilla, DentariaDeinanthe caerulea, Diphylleia cymose, Dodecatheon conjungens (shooting stars in Amerika) of twaalfgodenkruid, Disporum en Speiranthe convallarioides die op Lelietjes-der-dalen lijkt. Kort bloeiend maar de moeite waard zijn Jeffersonia dubia en Sanguinaria canadensis. Verder zijn het geslacht Corydalis (C. flexuosa ‘Blue Panda') en Epimedium (E. Wushanense) waarvan er wel 50 soorten in Utrecht te vinden zijn, een aanbeveling.

Deze, alles behalve allerdaagse planten zijn helaas niet overal even makkelijk te verkrijgen, maar het is, aldus Wiert, juist de sport ze te vinden. Bij de Hessenhof van Hans Kramer in Ede (www.hessenhof.nl)  en bij Peter C Nijssen bijzondere bol- en knolgewassen (www.pcnijssen.nl) kunt u echter kans van slagen hebben! Ook op de tuindagen van Beervelde in België en die van Bingerden worden deze planten soms aangeboden.

Aan het einde van deze interessante lezing had Wiert Nieuman de bezoekers van de avond overtuigd van het feit, dat niet alleen varens de schaduwrijke plekken in uw tuin op kunnen vullen. Vooral bezoekers met een schaduwtuin konden met de lezing hun voordeel doen, maar mensen met zonnige tuinen zijn wellicht zo geïnspireerd, dat zij een stukje schaduw in hun tuin gaan creëren.  

Anneke Duyvesteijn

Tip: weekend 'Vol van de Bol' in de Hortus in Utrecht op 17 en 18 maart a.s. Botanische Tuinen Universiteit Utrecht Fort Hoofddijk, Budapestlaan 17 Utrecht  

Schaduwplanten

Lezing van de heer Hans Kramer van kwekerij “De Hessenhof” uit Ede op donderdag 8 februari 2007

 

De komst van de heer Hans Kramer van kwekerij “De Hessenhof” naar Naaldwijk belooft altijd een boeiend verhaal verteld door een gepassioneerde kweker. Aan die belofte is ruimschoots voldaan, want alle aanwezigen gingen met een figuurlijke tas vol informatie weer naar huis. Het thema van de lezing van deze avond was bijzondere schaduwplanten en varens. Op “De Hessenhof” worden alle planten die er te koop zijn op ambachtelijke wijze zelf opgekweekt hetzij door zaaien, hetzij door stekken. De planten die er te koop zijn, zijn veelal niet bij tuincentra te krijgen. Dergelijke kwekerijen zijn daarom van groot belang om de vervlakking tegen te gaan en het zou betreurenswaardig zijn als het bestaansrecht aan dit soort kwekerijen wordt ontnomen.

 

Interessant is een dergelijke lezing vooral voor die mensen die in het bezit zijn van een volgroeide tuin waar door de jaren heen veel schaduwplekken zijn ontstaan en de oorspronkelijke beplanting weggekwijnd is. Men heeft in dat geval de keuze om door heel veel snoeiwerk het tij te keren of de hele tuin op de schop te nemen. In het laatste geval verandert een dergelijke tuin tegenwoordig veel te vaak in een ‘stenen’ tuin, waar geen plaats voor beplanting is. Ook veel tuinen bij nieuwbouwwijken worden volgepropt met hout en steen. De heer Kramer zegt dit enorm te betreuren, omdat in een tuin de beplanting juist de hoofdtoon moet voeren. Men kan daarom, in het geval van een volgroeide tuin, ook van de situatie gebruik maken door de slecht groeiende beplanting in te ruilen voor schaduwplanten. En schaduwplanten zijn er, aldus de heer Kramer, meer dan voldoende. Het probleem is echter, dat het assortiment veel groter is dan dat er te koop wordt aangeboden. Dit komt omdat schaduwplanten vaak traag groeiende planten zijn. Planten die in de zon goed gedijen worden vaak in één jaar ‘volwassen’. Heel veel schaduwplanten hebben echter veel meer tijd nodig en bloeien soms pas na zeven of acht jaar. Omdat deze planten eigenlijk meer aandacht verdienen laat de heer Kramer vervolgens een groot aantal bijzondere schaduwplanten en varens de revue passeren. Belangrijk om te weten is dat bij schaduwplanten de standplaats essentieel is, maar ook de grond waarin hij geplant wordt .

 

Allereerst komen Helleborus orientalis hybriden aan de orde. Helleborus wordt veelal vermeerderd door zaaien. De op “De Hessenhof” gekweekte exemplaren zijn hand bestoven (in een gesloten ruimte) en zijn veel sterker en soortecht dan exemplaren die vrij bestoven zijn (door bijen e.a.). Tegenwoordig is Helleborus volop te koop, maar dit zijn veelal eenjarige vrij bestoven zaailingen, waarbij men nooit weet, hoe de bloem er uit gaat zien en of de plant sterk is. Helleborus orientalis kan, op de juiste plaats, wel 20 tot 30 jaar oud worden en houdt van een plekje in de halfschaduw. Onder diepwortelende, bladverliezende bomen doet hij het uitstekend (hazelaar, eik). Van oorsprong komt deze soort uit de Kaukasus en groeit daar in loofbossen. Dubbele Helleborus is vrij duur omdat hierbij veel uitval is. Dit betekent echter niet dat ze zwakker zijn dan de enkelbloemige exemplaren. Het is echter wel zo dat als een dubbele Helleborus orientalis zich uitzaait de soms enkelbloemige zaailingen de oorspronkelijke plant kunnen overwoekeren.

Een mooie Helleborus foetidus (stinkend nieskruid) is ‘Sopron’. ‘Sopron’ komt uit Hongarije, is tolerant qua standplaats, maar laat zich moeilijk verplanten. Het is een kortlevende plant met heel veel zaailingen.

Een heel dankbare schaduwplant is Cyclamen coum (alpenviooltje), die in de nawinter bloeit. Door een aantal exemplaren bij elkaar te zetten zal de plant zich in rap tempo door zaad vermeerderen. Belangrijk is om bij het aanplanten wat humus tussen de planten aan te brengen. Cyclamen doet het goed onder bomen, waar in de zomer niets groeit en net nog wat licht komt. Cyclamen hederifolium ‘Nettleton Silver’ bloeit in augustus / september en heeft prachtig effen zilverwit blad.

Ook het leverbloempje of Hepatica is een vroegbloeiend en langzaam groeiend schaduwplantje, dat in een kalkhoudende humeuze grond jaren kan gedijen en van dezelfde standplaats houdt als Cyclamen. Hepatica transsylvanica ‘Blue Jewel’ is volgens de heer Kramer, de gemakkelijkste door zijn sterke groei.

Familie van Astrantia (Zeeuws knoopje) is Hacquetia epipactis en bloeit heel vroeg in maart. Pas na de bloei verschijnt het blad en in Zuid-Europa wordt hij in bossen massaal aangetroffen.

Een goede combinatie met zachte naaldvaren (Polystichum setiferum) vormt Helleborus dumentorum, een vrij onbekende Helleborus die slechts 20 cm hoog wordt.  Polystichumsoorten zijn de meest dankbare varens die er zijn en gaan een leven lang mee. Ze zijn wintergroen en in allerlei hoogtes en variaties te krijgen. Polystichum setiferum ‘Foliosum Superbum’, P. setiferum Plumosomultilobum en P. setiferum ‘Plumosum Bevis’ zijn fraaie variëteiten. Een andere varen: Adiantum venustum (venushaar) houdt van een beschut plaatsje en is ondanks zijn tere uiterlijk ijzersterk.

Matteucia strutiopteris, bekervaren, is misschien wel de bekendste varen, maar heeft wel de neiging om te woekeren. Deze varen is daarom bij uitstek geschikt voor een bostuin, maar kan slecht tegen droogte. Dryopteris filix mas, mannetjesvaren, gaat en levenslang mee en is niet kapot te krijgen. Hij is zo goed als wintergroen, in tegenstelling tot Athyrium filix femina, wijfjesvaren, die na de eerste nachtvorst bruin kleurt. Osmunda regalis, koningsvaren, is één van de indrukwekkendste varens die er zijn en is prima geschikt voor vochtige plaatsen. Hij loopt uit in april en de lichtbruine sporenpluimen zijn erg decoratief. Ze kunnen wel tot 2 meter hoog worden. O. cinnamomea, kaneelvaren, heeft kaneelkleurige sporenpluimen. Deze varen is mooi in combinatie met Euphorbia griffiti ‘Fern Cottage’ en houdt van een iets vochtige standplaats. Dit geldt ook voor Darmera peltata, schildblad, die het ook goed aan de waterkant zal doen. Deze plant heeft grote schildvormige bladeren.

Phyllitis scolopendrium ‘Crispum nobile’, tongvaren, is ideaal voor tuinen langs de kust, dus ongevoelig voor zeewind. Dit geldt ook voor Polypodium cambricum, eikvaren. Dit is de meest wintergroene varen die er is en groeit soms in zeer droge eikenwallen. Het blad blijft bij de strengste vorst nog groen. P. vulgare ‘Pulcherrimum’ is een andere mooie eikvaren. Eikvarens kunnen door het in stukjes breken van de wortelstok worden vermeerderd (vegetatief).

Van Corydalis (helmbloem) zijn wel 300 soorten bekend. Corydalis elata blijft heel lang mooi, sterft niet af (i.t.t. Corydalis solida) is winterhard en heeft een prachtig blauwe kleur.

Een ieder zou wel bosanemonen in zijn tuin moeten hebben, die het vooral doen op plaatsen waar alle andere planten het af laten weten. Een mooie soort is Anemone lipiensis, die alleen bij Leipzig in Duitsland in het wild voorkomt. Na de bloei sterft het loof af. Even mooi is Anemone trifolia met driebladig blad en met prachtige bloemen die witter dan wit zijn. De Amerikaanse tegenhanger van onze bosanemoon is Anemonella thalicthroides ‘Cameo’, die echter moeilijk verkrijgbaar is.

Genoemd naar de Amerikaanse president Jefferson is Jeffersonia diphylla. Deze bosplant is familie van Berberis en bloeit in april / mei met wasachtige witte bloemen met gele meeldraden. Het kan echter wel zes jaar duren voordat deze plant tot bloei komt. Trillium doet er zelfs zeven jaar over, maar kan echter wel 30 jaar mee. Een van de spectaculairste is Trillium grandiflorum met grote brede bloemblaadjes, die zuiverwit van kleur zijn (halfschaduw – niet te droog).

Hoewel iedereen lievevrouwebedstro kent is Asperula taurina, een soort dat maar weinig in de Nederlandse tuinen te vinden is. Deze soort heeft wat grover blad en doet het goed als onderbegroeiing tussen wat hogere schaduwplanten.

Ook Lamium orvala ‘Album’ is een dankbare schaduwplant en die in tegenstelling tot veel andere dovenetels niet woekerend is.

Cardamine pentaphyllos (pinksterbloem) is een bijzondere soort met flinke trossen zacht lila bloemen, die in het voorjaar onder bladverliezende bomen of op schaduwrijke plekken een lust voor het oog zijn.

Mellitis melissophyllum (bastaardmelisse) lijkt veel op Lamium en is een geschikte plant voor een pad in de schaduw. De grote lipbloemen ruiken heerlijk.

Lathyrus vernus is een pronkerwt voor in de schaduw en is een leuk plantje voor het voorjaar.

Een alom bekende schaduwplant is het longkruid. Pulmonaria angustifolia ‘Blue Ensign’ is het mooiste blauw bloeiende longkruid. Het ongevlekte blad is bijna zwartgroen van kleur. P. ‘Majesté’ is een unieke vorm met geheel zilverbladig blad, die meer in de schaduw moet staan dan andere zilverbladige variëteiten. P. ‘Diane Clare’ is de verbeterde versie van ‘Majesté’. Arnebia pulchra lijkt op longkruid, bloeit in april en is een waardevolle schaduwplant, die 60 tot 70 cm hoog wordt.

Pachyphragma macrophylla lijkt op Brunnera (Kaukasische vergeet-me-niet), heeft groot groen rond blad en bloeit al heel vroeg in het voorjaar. Deze plant bloeit met luchtige pluimen die vol zitten met spierwitte Pinksterbloemen.

Aruncus ‘Sommeranfang’, geitenbaard, bloeit in juni en is sterker dan Astilbe. Hoogte ca. 50 cm. Stellaria holostea, grootbloemmuur, is een mooie bodembedekker, die laat in het voorjaar met grote krijtwitte bloemen bloeit. Uitstekend toe te passen in bostuinen. Mooi in combinatie met grootbladige planten als Hosta, Pulmonaria en smeerwortel.

Veratum nigrum verdient meer eer dan de plant nu krijgt. Het duurt echter ook weer 7 jaar voor deze plant bloeit, maar hij is het wachten meer dan waard met zijn verschijning van 2 meter hoog. Uvularia grandiflora kon men vroeger regelmatig aantreffen in boerentuinen onder zwarte bessenstruiken. Het is een Amerikaanse bosplant die veel weg heeft van een salamonszegel en in mei bloeit. De echte salamonszegel, Polygonatum curvistylum, heeft lichtpurperen bloemen die in kleine trosjes uit de bladoksels naar beneden hangen.

Podophyllum hexandrum, voetblad, heeft na de bloei prachtige vruchten die barstensvol met zaad zitten. Deze plant behoort tot de familie der Berberisachtigen en houdt van een plekje in de schaduw uit de wind.

Tiarella (schuimbloem) komt van oorsprong uit Noord-Amerika. T. polyphylla ‘Kew Form’ is een Engelse selectie met een veel natuurlijker uitstraling dan zijn Amerikaanse familieleden.

Mertensia ciliata, ook van Amerikaanse herkomst is een mooie schaduwplant die in juni / juli bloeit. Ruellia humilis die in New Jersey te vinden is, is een prima plant voor onder dennenbomen en verdraagt dus droge schaduw. Deze plant wordt ook wel ‘wilde Petunia’ genoemd en bloeit in de nazomer met petunia-achtige bloemen.

Gelooft u het of niet, maar er is ook een Aster die in niet te diepe schaduw nog goed groeit en bloeit met mooie zuiverblauwe bloemen: Aster macrophyllus ‘Twilight’. Deze plant wordt ongeveer 80 cm hoog en kan zich op goede grond flink uitbreiden.

Rodgersia ‘Ideal’ (schout-bij-nacht) trekt in april al aandacht door de jonge bladeren met een diepe roodbruine tint. Deze plant heeft rozerode bloempluimen, die prachtig purperrood in het zaad schieten. Een oude getrouwe variëteit is R. sambucifolia ‘Mountain Select’, die zeer rijkbloeiend is met langgerekte witte bloemtrossen in juni / juli.

Trycirtis formosana ‘Dark Form’, arme-luis-orchidee, is de gemakkelijkste en rijkbloeiendste soort. De stevige donkere stelen groeien zelfs in de schaduw recht omhoog en hij bloeit vanaf augustus tot de eerste vorst. Deze soort is, aldus de heer Kramer, veel mooier en beter dan T. hirta. Ook T. formosana ‘Samurai’ is prachtig.

Ook enkele geraniumsoorten doen het uitstekend in de halfschaduw. Geranium wallichianum ‘Buxton’s Blue’ is een juweel van een plant en is in staat om elk gat in de najaarsborder op te vullen. Deze plant bloeit van juli tot oktober. G. wallichianum ‘Crystal Lake’ is een verbeterde versie van ‘Silvery Blue’ en heeft een bijna ijsblauwe kleur. Deze soort bloeit van juli tot oktober.

Ook mooi in de halfschaduwborder is Thalictrum delavayi ‘Album’. Deze ruit heeft teer lichtgroen varenachtig loof en wijde luchtige pluimen van zuiver witte bloemen. T. kiusianum, Japanse ruit, wordt niet hoger dan 20 cm en heeft iets weg van Epimedium. Deze soort houdt van de halfschaduw is kruipend en bloeit midden in de zomer.

Clematis bonstedtii ‘Cote d’Azur’ is een struikclematis die een meter hoog wordt en het prima doet op een droge donkere plaats, kan echter ook in de zon. Het is een mooie najaarsbloeier.

Een plant die iedere plantenliefhebber wel in de tuin zou willen hebben is Meconopsis grandis. Deze blauwe papaver is echter veeleisend en groeit alleen onder uitstekende omstandigheden: licht schaduw en koel, niet te droog, niet te nat en geplant in pure bladaarde.

Cimicifuga rubifolia (cordifolia) is een prachtige herfstbloeiende zilverkaars, die wel 180 cm hoog kan worden. C. simplex ‘Brunette’ is één van de beste donkerbladige variëteiten. De plant is slechts langzaam te vermeerderen. Na ongeveer 10 jaar is het verstandig om Cimicifuga te scheuren.

Gentiana ternifolia is een prachtige gentiaan die volop bloeit in de botanische tuin van Edinburgh, een van de mooiste ter wereld.  Het is een prachtige blauwbloeiende plant die echter niet al te gemakkelijk is evenals Tropaeolum speciosum die het in ons land heel moeilijk aanslaat.

Na bespreking van deze selectie van bijzondere schaduwplanten en varens werd door de heer Kramer afrondend nog gesteld, dat voor het opkweken van deze planten een portie geduld noodzakelijk is, maar dat het resultaat meer dan de moeite waard is. Verder sprak hij de hoop uit, dat hij door deze lezing mensen nog meer liefde voor planten bij heeft kunnen brengen, zodat niet alle tuinen veranderen in wegwerptuinen en stenen vlaktes.

 

 

Von Siebold

Verslag lezing door Carla Teune op donderdag 14 januari 2010: Wie was nu toch Dr. Von Siebold?

 

Op donderdagavond 14 januari was oud-hortulana Carla Teune van de Hortus botanicus in Leiden door Groei & Bloei afdeling Westland uitgenodigd om iets te komen vertellen over Dr. Von Siebold. Wat veel mensen niet weten is dat Philip Franz Balthasar von Siebold van grote betekenis is geweest voor de aanblik die de hedendaagse tuin ons biedt. Aan hem danken we de komst van een groot aantal plantensoorten naar Europa en in het bijzonder ons eigen land. Toch was het niet alleen een avond voor mensen met een historisch besef, want de lezing van mevrouw Teune was doorspekt met allerlei (grappige) wetenswaardigheden. Naast levensechte afbeeldingen Siebold-planten toonde Carla Teune dia’s van de originele prenten uit de ‘Flora Japonica’ en Siebold-planten die zij zelf in Japan in het wild heeft gezien.

 

Carla Teune, oud-hortulana Hortus botanicus Leiden

Niet alleen was de lezing over een voor de tuinarchitectuur interessant figuur, maar ook mevrouw Teune zelf is als oud-hortulana van de Hortus Leiden een bijzonder mens te noemen. Als hortulana werkte zij van 1984 – 2004 in de Hortus en zij heeft beroepsmatig vele interessante tuinreizen gemaakt. Tijdens haar opleiding heeft zij gewerkt in het Arboretum Kalmthout in België en zij heeft nog steeds contact met de familie Belder (oprichters van dit arboretum).

 

De arts Von Siebold

Hoewel in de Westerse wereld veel minder bekend is Philip von Siebold in Japan nog steeds een beroemde man. Von Siebold (toen nog Siebold) is geboren op 17 februari 1796 in Würzburg in Duitsland, waar niet alleen een Siebold-vereniging, maar ook het Siebold-museum te vinden is. Nadat Von Siebold als arts was afgestudeerd aan de universiteit van Würzburg vertrok hij naar ons land met als doel meer van de wereld te willen zien. Via familie werd hij aangesteld als chirurgijn-majoor in het Nederlandse leger. Hierdoor kwam hij uiteindelijk terecht op Deshima (ook Decima), een kunstmatig eiland voor Nagasaki in Japan. In die dagen zat Japan nog ‘potdicht’, alleen Holland, was er in geslaagd een voet tussen de deur te krijgen. Al snel na zijn komst groeide Von Siebolds bekendheid als arts. Na, een voor die tijd ongewone staaroperatie aan de ogen van een adellijke heer, kreeg Von Siebold niet alleen meer vrijheid, maar ook een huis op het vaste land. Hier woonde hij samen met zijn Japanse vrouw Otaki. Zij kregen er een dochter, O-ine, en Von Siebold kweekte er zijn planten.

 

De verzamelaar en schrijver Von Siebold

Von Siebold was een groot verzamelaar. Hiervoor kreeg hij vooral de gelegenheid, vaak op slinkse wijze, tijdens de steeds terugkerende verplichte hofreizen naar de Shogun in Edo (nu Tokyo). Naast allerlei interessante Japanse gebruiksartikelen, verzamelde hij ook mineralen, dieren, vogels en planten. Zijn uitgebreide verzameling gedroogde planten, die hij samen met zijn vriend Ito Keiske uit Owari verzamelde, ligt nu in het Nationaal Herbarium Nederland in Leiden. De gedroogde planten liggen in de zogenaamde ‘rode boeken’. In de kluis van het Herbarium in Leiden ligt ook het mede door Von Siebold vervaardigde ‘Flora Japonica’ met een schat van informatie over de flora van Japan, dat uit 20 losse delen bestaat (eigendom Hortus). Door het uitgeven van o.a. dit boek is Von Siebold bijna failliet gegaan. Tegenwoordig is dit boek van onschatbare waarde. Zijn avonturen in Japan (1823 – 1829) beschreef hij in het werk ‘Nippon’.

 

Levende erfenis

In de Hortus in Leiden zijn nog 15 originele, levende Siebold-planten aanwezig, de helft van het aantal dat door Von Siebold in de Hortus is terechtgekomen. Zelkova serrata, een boom uit de familie van de iepen is er hier een van. Zowel in de hortus zelf als in de speciale Von Sieboldgedenktuin zijn twee originele exemplaren, in 1830 geplant, te bewonderen. De speciale Von Sieboldgedenktuin is in 1990 aangelegd ter gelegenheid van de 400e geboortedag van de Leidse Hortus. Het is een moderne tuin gebaseerd op Japanse stijlelementen. Ook Prunus mume, Japanse sierabrikoos, door hem meegebracht, is nog in de Hortus te vinden. Dit is een van de prunussoorten die in Japan door de eeuwen heen een hoofdrol speelt in de bijzondere binding die de Japanners met de natuur hebben (kersenbloesemfeesten). Noemenswaardig zijn ook de blauwe en witte regen die nog steeds in de Hortus te vinden zijn. Deze klimmers groeien en bloeien daar al 180 jaar. Toch is dat nog geen record. In Japan zijn exemplaren die meer dan 350 jaar oud zijn. Zelf heeft Carla Teune in Japan een blauwe Wisteria met wel 10.000 trossen gezien en een witte met 5.000 trossen. In totaal bracht Von Siebold ongeveer 700 verschillende soorten Japanse planten mee naar Europa.

 

Leven in Leiden

Na zijn verbanning uit Japan (vermeende spionage) besloot Von Siebold in 1830 in Leiden te gaan wonen o.m. vanwege de grote status van de universiteit en de Hortus Botanicus. De planten die hij meebracht kregen in eerste instantie een plaatsje in de Hortus. Hij ging wonen op Rapenburg 19, een groot herenhuis, waar hij zijn ‘Japansch Museum’ vestigde en wat tegenwoordig het Siebold-huis is. In 1845 begon Von Siebold een kwekerij buiten de stad. Ook bouwde hij er een huis in Japanse stijl, dat hij ‘Nippon’ noemde. Op de kwekerij kweekte hij allerlei nieuwe interessante planten die hij zelf had meegenomen of uit Japan toegezonden kreeg. Deze kwekerij bestaat helaas niet meer, maar wel zijn op deze plaats nog straten te vinden zoals de Sieboldstraat en de Decimastraat.

Vanuit deze kwekerij kwamen vele plantensoorten zoals Aucuba, Weigelia, Skimmia, Kerria Japonica, Wisteria (blauwe regen), Acer japonica (Japanse esdoorns, lelies, Hydrangea (hortensia), Hosta in Nederlandse tuinen terecht. In elke Nederlandse tuin is tegenwoordig wel een Japanse plant te vinden.

 

De geit van Von Siebold

Een bijzondere rol was, volgens Carla Teune, weggelegd voor de geit van Von Siebold. Toen Von Siebold verbannen was en nog op het eiland Deshima verbleef, was het niet meer mogelijk voor hem om door te gaan met het verzamelen van planten. Nieuw materiaal kwam echter toch nog steeds binnen en wel tussen het gras dat voor de geit was bedoeld. Een geit moet toch eten, nietwaar?!

 

Einde aan een veel bewogen leven

De nalatenschap van Franz von Siebold is groot en nog altijd tastbaar. Na een bewogen leven stierf Von Siebold op 18 oktober 1866 in München aan tyfus die hij had opgelopen door het drinken van besmet water. Dit bericht had een zodanige nieuwswaarde dat in ‘Het Leidsch Dagblad’ van 25 oktober 1866, onder het kopje ‘Buitenlands Nieuws’ een korte necrologie van Von Siebold is opgenomen. Op 70-jarige leeftijd kwam een einde aan het leven van een bijzondere, maar ook vaak moeilijke man.

 

Anneke Duyvesteijn 

Sypesteyn: de tuinen en het kasteel door Henny van der Wilt op 9 oktober 2014

Op donderdag 9 oktober 2014 vertelde tuinbaas, mevrouw Henny van der Wilt in de Ontmoetingskerk in Naaldwijk met veel humor en kennis het verhaal van de tuinen van Sypesteyn. Kasteel-museum Sypesteyn is gelegen in Loosdrecht. Al twintig jaar lang is Henny van der Wilt als tuinbaas werkzaam in deze tuinen.

Gilde van tuinbazen

Henny is lid van het Gilde van Tuinbazen, een vereniging voor professionele, vakbekwame tuinbazen. Het Gilde bestaat uit 75 mannen en 3 vrouwen. Tuinbaas is een eeuwenoud beroep. Op veel (buiten)plaatsen werkt de tuinbaas met vrijwilligers, zo ook Henny. Een tuinbaas bewaakt het historisch ontwerp van park of tuin en zorgt voor continuïteit in het beheer en is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Henny heeft de Middelbare Tuinbouwschool doorlopen, boom- en bloementeelt met de nadruk op de bloementeelt. Ze heeft een aantal jaren gewerkt voor een hoveniersbedrijf en is daarna via een buitenplaats aan de Vecht uiteindelijk op Sypesteyn terecht gekomen.

Sypesteyn

Begin 1900 is zowel kasteel als tuin aangelegd door Jonkheer Catharinus Henri Cornelis Ascanius van Sypesteyn als laatste telg van een Haagse adellijke familie. Vanaf de bouw was het kasteel bedoeld als museum en bevat onder andere een unieke collectie Loosdrechts porselein (het resultaat van een werkeloosheidsproject) maar ook klokken en familieportretten. Het kasteel is gebouwd op de fundamenten van het voorvaderlijk kasteel. Jonkheer van Sypesteyn begon eerst met de tuin en heeft vanuit een historisch besef zowel tuin als huis een 17e eeuwse uitstraling mee willen geven. Hij ging hiermee in tegen de trend van die tijd namelijk de landschappelijke tuin. De tuin heeft verschillende facetten van een ‘Oud-Hollandse’ aanleg zoals een doolhof, slottuin, boomgaard, siertuin, grachten- en lanenstelsel, 16e eeuwse smeedijzeren sierhekken en 17e eeuwse tuinornamenten. Na aanleg van de tuin begon de herbouw van het kasteel.

Henny vertelde het verhaal van Sypesteyn aan de hand van prachtige beelden van de vier seizoenen in de tuin en park. In totaliteit is het complex met zijn vele zichtassen zes hectare groot en alles vergt veel zorg en onderhoud. Met een team van vrijwilligers is Henny bijna dagelijks hard aan het werk om de tuinen en het park in goede staat te houden.

Slottuin

Stil stond Henny bij de prachtige slottuin met 110 jaar oude buxushagen, waarbinnen bloembedden met vlindertrekkende vaste planten te vinden zijn. De buxus knipt Henny altijd eind maart, omdat hiermee de ontwikkeling van schimmel die de buxus aantast grotendeels voorkomt. De beslotenheid van de tuin is gerealiseerd door middel van hagen en de prachtige blauwe hekken. Ook is er mooie berceau, die tot voor kort uit perenbomen bestond, maar nu vervangen is door haagbeuken.

In de tuinen staan veel uitheemse bomen, zoals, Sophora japonica ‘Pendula’, Japanse treurhoningboom; Cladrastis, geelboom; Davidia involucrata, de vaantjesboom; Liquidambar, amberboom en Parrotia persica, ijzerhard. Ook is Cydonia oblonga, de kweepeer en Mespilus germanica, de mispel er te vinden. Mispeljam is, aldus Henny, niet te versmaden. Samen met kweepeer en een flinke scheut port kunt u met mispel heerlijke jam maken, wel de pitten eruit zeven.

Duizenden sneeuwklokjes bloeien er in het vroege voorjaar, samen met de winteraconiet, opgevolgd door vele andere stinzenplanten en voorjaarsbloeiende planten (ca. 30 soorten); Stinzenplanten zijn planten uit Oost-Europa en het Middellandse Zeegebied die in vroegere tijden zijn uitgeplant bij buitenplaatsen. Voorbeelden van stinzenplanten zijn Scilla sibirica, Crocus, Anemone nemorosa e.a.

Ook de zomer is een feest als de vaste planten in de slottuin bloeien en als in de herfst de bomen verkleuren en de paddenstoelen tevoorschijn komen is er ook weer veel te genieten.

Dieren in de tuin

In het park en de tuinen zijn talrijke vogelsoorten, watervleermuizen, reptielen (padden, ringslangen), een dassenburcht met vijf dassen, maar ook vossen en reeën te vinden. Mooi was het verhaal van de twee jonge bosuilen die Henny zelf ging voeren toen moeder bosuil door een auto was doodgereden. Op het menu stond opgewarmde muis uit de magnetron. In de winter komen de lijnen, lanen en doorzichten prachtig tot uiting. De winter is het seizoen van snoeien, sloten uitbaggeren en het reinigen van de hekken. Vooral met sneeuw en ijs is het park een prachtige idylle.

Nadat alle seizoenen de revue waren gepasseerd, beëindigde tuinbaas Henny haar presentatie met een gedicht van de hand van Jonkheer van Sypesteyn en onderstreepte ze nogmaals  het een voorrecht  te vinden om op zo’n historische en unieke plek te mogen werken en graag aan de jonkheer zou willen vragen wat hij van de huidige staat van het kasteel en de tuinen vindt! Meer informatie is te vinden op www.sypesteyn.nl

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

 

Over het geheimzinnige en verborgen tuinleven

Verslag lezing door Frans van den Braken op donderdag 10 februari 2010: ‘Het geheimzinnige en verborgen leven in de tuin

 

Waar veel mensen niet bij stil staan is, dat een tuin niet alleen maar bestaat uit bomen, struiken en een kruidlaag, maar dat er ook allerlei insecten, microben, amfibieën, vogels en kleine zoogdieren in leven. De tuin is dus, naast een prettige verblijfplaats voor de tuineigenaar, ook een leefgemeenschap waarin plant en dier, min of meer van elkaar afhankelijk zijn. Wij, als tuiniers, kunnen bij de inrichting of aanleg van de tuin rekening houden met deze leefgemeenschap en door wat hulp bijdragen aan een zekere harmonie. Veel van wat er zich in de tuin afspeelt blijft verborgen voor de mens, maar neemt hij of zij de tijd om te observeren dan zal de natuur een tipje van de sluier oplichten.

 

De kennis en de kunst van het waarnemen

Als geen ander was Frans van den Braken uit Oosterhout in staat om aan de aanwezigen bij de lezing van 10 februari jl. uit te leggen wat er allemaal in onze eigen tuin te zien is. Vooral ’s nachts en als het regent, geeft de natuur haar geheimen prijs en is er veel te ontdekken.

De 73-jarige Frans van den Braken is al van af zijn vroege jeugd liefde door de natuur geboeid en ziet het dan ook als zijn roeping om vooral ook de jeugd liefde voor alles wat groeit en bloeit bij te brengen. Aan de hand van prachtige close-ups, liet hij vol humor zien, wat je allemaal in je eigen tuin, al dan niet in een schuiltentje, aan de weet kunt komen. Een rol van betekenis was hierbij weggelegd voor de tuinkabouter (met groen mutsje) en het roodborstje. Als die twee elkaar ontmoeten, dan zit het, volgens Frans, wel snor in uw tuin!

Ook leerde hij de aanwezigen dat veel kennis niets zegt, maar dat je in de praktijk pas leert hoe je kennis moet toepassen; de kunst om kennis te gebruiken. Ook merkte Frans op, dat de kennis van het waarnemen bestaat uit meer waar te nemen dan men waarneemt!

 

Insectenhotel

In de tuin spelen allerlei insecten een rol. Ze dienen als voedsel voor vogels, maar zijn, afhankelijk van de soort nuttig als bestuiver van bloemen of als opruimer van bladluizen. Sommige insecten bootsen plantendelen of andere insecten na. Andere insecten lijken op onderdelen van een plant, zoals een tak, een blad of, een doorn.

Om er voor te zorgen dat insecten je tuin weten te vinden, moeten de omstandigheden zodanig zijn dat ze er zich thuis voelen. Een insectenhotel kan hier een aardige bijdrage aan leveren. Een dergelijk onderkomen voor in het bijzonder solitaire wespen en bijen is eenvoudig zelf te maken. Een blok hout van 80 x 60 x 12 cm, met gaatjes van ½ mm tot ongeveer 1 cm is alles wat u nodig heeft. Solitaire wespen en bijen hebben geen nest en leven alleen. Na de paring leggen deze bijen of wespen in een gaatje van het hotel een eitje met een balletje van stuifmeel, zodat de larve na het uitkomen van het eitje wat te eten heeft. Na elk eitje maakt het insect het ‘kamertje’ dicht en gaat vervolgens verder met het volgende ‘kamertje’. Op hun beurt worden andere insecten weer naar deze kamertjes aangetrokken.

 

In Nederland komen ruim 300 soorten solitaire bijen voorhttp://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Zijdebijen&action=edit&redlink=1 zoals, groefbijen, zandbijen, metselbijen en behangersbijen. Solitaire bijen, die al vliegen als het 4 – 5 ºC is, zijn o.a. belangrijk voor het bestuiven van gewassen die vroeg in het voorjaar bloeien, zoals appelbomen en sleedoorns. Het vervoer van het stuifmeel, als voedsel voor de larven, gebeurt per soort verschillend. Enkele soorten hebben zogenaamde korfjes aan hun achterpoten, anderen zoals metselbijen hebben lange haren aan hun buik, buikschuier genoemd, waartussen de stuifmeelpollen goed blijven zitten.

Hoewel niet iedereen gecharmeerd is van een wesp of bij is het goed om te weten, dat de bladwesp een geweldige bondgenoot is bij de bestrijding van vraatzuchtige rupsen. Ook zijn er wespen die gespecialiseerd zijn in het opruimen van kevers, zoals de taxuskever. Met hun angel verlammen ze de kever. Ook van solitaire bijen hoeft u niet bang te zijn, want die prikken niet zo snel!

 

Vogels in de tuin

Wie graag vogels in de tuin ziet, zal er voor moeten zorgen dat de omstandigheden optimaal zijn. Vogels hebben, aldus Frans van den Braken, behoefte aan een tuin, waarin ze kunnen schuilen en broeden.

Dit betekent dat er in de tuin bomen, struiken en een kruidlaag aanwezig moeten zijn. Ook is het belangrijk dat er voldoende inheemse planten in het beplantingsplan opgenomen zijn en niet te veel exotische exemplaren. Juist planten, die van oorsprong in ons land groeien, trekken insecten aan die voor een aantal vogelsoorten van belang zijn. Voorbeelden van inheemse soorten zijn de jeneverbes, de zwarte Els, maar ook springbalsemien. Deze laatste plant, maar ook Phlox, Petunia en Surfinia trekken de kolibrievlinder aan, een prachtige vlinder die uit Zuid-Europa afkomstig is. Ook wilde planten als speenkruid, dat in het vroege voorjaar bloeit, zorgen voor insecten. Deze insecten zorgen op hun beurt weer voor veel vogels. Verschillende soorten planten trekken verschillende soorten insecten en vlinders aan. Zo leeft de rups van de Atalantavlinder op brandnetels, die van het boomblauwtje op maagdenpalm (Vinca) en de rups van de koninginnepage op wilde peen.

 

Naast een stukje geborgenheid om te schuilen en voldoende nestgelegenheid hebben vogels ook behoefte aan het juiste nestmateriaal. Een staartmees bouwt zijn nest van materialen als veren, spinrag en mos en kan dit alleen maar als alle materialen aanwezig zijn. Een roodborstje echter heeft blad nodig voor zijn nestje, maar ook gras en haar. Vogels broeden allemaal op hun eigen hoogte. Terwijl een staartmees op ongeveer 2 – 3 meter hoogte nestelt, maakt een heggenmus zijn nest op 0,50 – 1,00 meter. De zogenaamde holenbroeders, zoals heggenmus en koolmees broeden meestal laag. Sommige vogels hebben ook water nodig voor het bouwen van een nest en wel om twijgjes te kunnen ombuigen. Jonge pas uitgevlogen vogels dienen vaak als voedsel voor grotere vogelsoorten, zoals de Vlaamse gaai. Gelukkig is er dan vaak nog een tweede leg.

 

Vijver belangrijk voor pad, kikker en salamander

Ook een vijver brengt veel leven in de tuin. Al vroeg in het voorjaar, als de temperatuur hoog genoeg is, trekken amfibieën als padden en kikkers naar het water om er te paren en eitjes af te zetten.

De gewone pad is naast de bruine kikker en de groene kikker een van de bekendste kikkers van Europa. De zogenaamde paddentrek vindt plaats tussen februari en april als de temperatuur boven de 6˚ C ligt en de luchtvochtigheid hoog genoeg is.

 

De bruine kikker leeft op vochtige plaatsen onder struikgewas en in weiden naast sloten. Hij gaat vooral 's nachts op jacht en komt alleen in het vroege voorjaar in het water voor de voortplanting. De dril van de bruine kikker drijft aan de oppervlakte op ondiepe plaatsen. Dit in tegenstelling tot de groene kikker die pas een maand later zijn eitjes onder water vastzet aan waterplanten (op 40 – 60 cm diepte). Het belang van kikkers is dat ze als kikkervisje algen uit het water eten, waardoor het niet troebel raakt. Als volwassen amfibie eten ze vooral veel muggen.

 

Salamanders leven op vochtige plekken en ze zijn het meest actief bij vochtig weer. Naast watersalamanders zijn er ook salamanders die alleen maar op het land leven. Watersalamanders zijn een gedeelte van het jaar in het water te vinden, waar ze paren. Ze leggen hun eitjes (ca. 300) op de bladeren van waterplanten en buigen die dan dicht. Watersalamanders eten ook de eieren van soortgenoten. De larven van de watersalamander eten vooral watervlooien en insectenlarven. De eieren van salamanders dienen op hun beurt als voedsel voor dieren, zoals vogels, larven van libellen, roofkevers en hun larven, stekelbaarsjes en andere vissen. Landsalamanders eten slakken, wormen, duizendpoten en spinnen.

 

Al heel eenvoudig kunt u, aldus Frans van den Braken, zelf een vijvertje maken. Een betonkuip met een diameter van ongeveer 1 meter met daaromheen IJsselsteentjes gestapeld en klaar bent u! Een mooie schuilplaats voor padden en kikkers kunt u maken door blokken van tuinturf te stapelen. Naast het feit dat hierop mooie varentjes zullen gaan groeien, vinden padden en kikkers hier geschikte huisvesting om vanuit deze positie te roven.

 

Kringloop der natuur: eten of gegeten worden

Kleine zoogdieren zoals de egel eten slakken, regenwormen, rupsen, duizendpoten en vlinders en kleine reptielen. Slakken op hun beurt eten jonge frisse blaadjes. Grote vogels eten kleine vogels, maar er zijn ook dieren die leven van dierlijk materiaal, zogenaamde aaseters. Een aaseter jaagt zelf niet op voedsel, maar eet de resten van andere dieren. Dode vogels laat Frans van den Braken daarom in de tuin liggen. Ook verzamelt hij soms slakken en voert die aan de vogels. Al met al proberen Frans en zijn vrouw Greet het alles en iedereen naar de zin te maken.

Belangrijk is het dus om te zorgen voor goede omstandigheden in dan tuin. Dan is de kringloop rond en zal het voor man en muis ook goed toeven in uw tuin zijn!

 

Anneke Duyvesteijn

Tuinjuweeltjes

Lezing over bekende en onbekende tuinjuweeltjes – 9 november 2006

                                                                                                                                                                                          

Als de herfst is aangebroken laten de meeste bomen en heesters hun bladeren vallen, maar niet voordat sommige soorten ons van een waar kleurenspektakel hebben laten genieten. Heesterspecialist Cor van Gelderen - eigenaar van kwekerij Esveld in Boskoop en kwekerij ‘PlantenTuin De Oirsprong’ in Oirschot weet als geen ander om welke ‘tuinjuweeltjes’ het hier gaat en was dan ook graag bereid, om over de toepassing ervan in de tuin, een lezing te verzorgen.

Bij aanvang van de lezing stak de heer van Gelderen een vurig pleidooi af voor het gebruik van planten, die vooral in de herfst op zijn mooist zijn, dit om het depressieve beeld van de herfst te verjagen. Geïnspireerd door de esdoornverzameling in Boskoop, maar ook door zijn reizen, liet Cor van Gelderen aan de hand van dia’s, een grote verscheidenheid aan bomen en heesters (100) de revue passeren.

 

Allereerst werd door de heer van Gelderen stilgestaan bij Acer, esdoorn. In tegenstelling tot wat wordt beweerd is het niet noodzakelijk om esdoorns persé in zure grond te planten. Een esdoorn heeft wel behoefte aan een losse grondstructuur.

Esdoorns zijn er in vele maten en soorten en hebben als belangrijkste kenmerk het vleugelzaad. De vrucht van een esdoorn is namelijk voorzien van een grote vleugel en wordt soms ook wel "helikoptertje" genoemd. Sommige soorten hebben een fraaie herfstkleur. Een ervan is Acer circinatum (Vine Maple), de tegenhanger van Acer Japonicum. Het is een matig grote struik die ongeveer 3 meter hoog kan worden en de vruchten hebben felrode zaadvleugels. Acer japonicum ‘Aconitifolium’ heeft diep ingesneden blad, wordt na 10 jaar 250 cm hoog en heeft, aldus de heer van Gelderen een superherfstkleur. De bladkleur is lichtgroen.

Liefhebbers van Acer zouden eigenlijk eens een bezoek moeten brengen aan het Westonbirt Arboretum in Tetbury (Glouscestershire) in de Cotswolds in Engeland. In dit nationale arboretum zijn niet alleen ’s werelds zeldzaamste en mooiste bomen te vinden, maar ook de nationale Japanse esdoorncollectie van Engeland. Vooral in de herfst is dit Arboretum spectaculair en staat het, aldus de heer van Gelderen, in vuur en vlam (www.forestry.gov.uk/westonbirt). Maar ook in de overige seizoenen is er genoeg te zien en is het hier goed toeven.

Andere mooie esdoorns zijn: Acer rubrum, die rood bloeit, maar ook rood blad heeft, Acer tataricum en Acer triflorum met drietallig blad. Acer triflorum is een klein boompje tot 4 meter hoog met warm oranje herfstkleur, isn van nature pagodevormig en prima geschikt voor de kleine tuin.

Ook berken, zoals Betula lenta (suikerberk) hebben mooie herfstkleuren. De suikerberk heeft een prachtige goudgele herfstkleur en wordt ongeveer 15 meter hoog. De gele berk, Betula alleghaniensis, is een zeldzame boom, geschikt voor parken en brede lanen. De schors is geelachtig bruin met kenmerkende horizontale strepen.

Bij Celastrus orbiculatus is het raadzaam om altijd een mannelijk en vrouwelijk exemplaar bij elkaar te planten, want zonder mannetje komen er geen bessen aan deze struik. Dat zou jammer zijn, want juist in de herfst geeft de boomwurger, die in juni met onopvallende groenachtige pluimen bloeit, spectaculaire knaloranjerode zaden.

Clerodendrum trichototum is door zijn late bloei een opvallende verschijning in augustus met zijn witte tere bloemen. Na de bloei worden er mooie staalblauwe bessen gevormd die mooi afsteken tegen de rode kelkbladeren.

 

Prachtig zijn natuurlijk ook de vele Cornussoorten. Zo heeft Cornus alternifolia een gelaagde groeivorm en een mooie herfstkleur. Cornus amomum is een leuk struikje dat 1 – 2 meter hoog wordt en staalkleurige bessen geeft. Cornus ‘Ormonde’, een boomachtige kornoelje, is grootbloemig en heeft een rode herfstkleur.

Van de pruikenbomen is Cotinus obovatus, aldus de heer van Gelderen, de mooiste. Deze grootbladige pruikenboom heeft een geweldige herfstkleur en is na 10 jaar 4 meter hoog. De bloemkleur is groen verkleurend naar oranje (mei – juni).

Een andere zeer fraaie heester is Disanthus cercidifolius (Hamamelidaceae). Deze struik bloeit in oktober met violet-purpere bloemen als van Hamamelis en heeft wekenlang een schitterend rood en oranje herfstkleur. Deze struik is na 10 jaar ongeveer 250 cm hoog.

Mooi zijn ook Enkianthus campanulatus en de vele Euonymussoorten. Heel bijzonder is Euonymus bungeanus ‘Dart’s Pride’, een kardinaalsmuts met roze blad en roze vruchten. Ook de rijk vruchtdragende Euonymus hamiltonianus ‘Red Elf’ heeft, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, roze vruchten.

Fraxinus angustifolia, es, heeft een helderoranje herfstkleur en ook Hamamelis vernalis ‘Sandra’ laat zich in de herfst van zijn beste kant zien.

Hydrangea macrophylla ‘Merveille Sanguine’ is zoals de naam zegt een bloedrood wonder en doet zijn naam dan ook eer aan. Het is een hortensia met wijnrode bloemen en donkerrode bladverkleuring.

Hydrangea serrata yezoensis die 1,25 meter hoog wordt en Hydrangea serrata ‘Benigaku’ zijn eveneens aan te raden.

Na Kalopanax septemlobus, een Aralia-achtige heester staat de heer van Gelderen stil bij Kerria japonica, waarvan de enkelbloemige soort erg mooi is.

Koelreuteria paniculata, een kleine boom die 4 tot 5 meter hoog wordt, bloeit met pluimvormige gele bloemen (augustus/september) en heeft mooie blaasvormige vruchten.

Liquidambar styraciflua, amberboom en lid van de familie van de toverhazelaars, heeft diverse variëteiten die een prachtige herfstkleur hebben, zoals Liquidambar styraciflua ‘Andrew Henson’, ‘Kia’ en ‘Worplesdon’.

Diverse sierappels hebben ook een fraaie herfsttooi en niet in het minst door de vele sierappeltjes die zij dragen, zoals Malus ‘Evereste’, Malus ‘Golden Hornet’ en Malus ‘Toringo’.

Bronskleurig tot geel van kleur is Metasequioa glyptostroboides ‘Goldrush’, terwijl de bladeren van Nandina domestica ‘Fire Power’ een half- tot wintergroene struik in de nazomer, herfst en winter naar geel, oranje of rood verkleuren. Het is een moeilijk struikje om te vermeerderen; zaaien gaat in ieder geval het beste.

De meerstammige Nyssa sylvatica, tulepoboom heeft prachtige geeloranje herfstkleuren en heeft na 10 jaar een hoogte van 4 meter. Nyssa sylvatica kan uiteindelijk wel 30 meter hoog worden maar doet daar heel lang over.

Tuinjuweeltjes zijn ook Parthenocissus thomsonii, een kleinbladige wingerd met oranje bladkleur in de herfst en Parrotia persica ‘Vanessa’, ook een lid van de familie van toverhazelaars met een slanke vorm en spectaculaire herfstkleur;

Nieuw is Parrotia persica ‘Het Plantsoen’, een zeer breed spreidende treurvorm, die na 10 jaar een hoogte van ongeveer 1 meter heeft en waarvan het entmateriaal op een wel zeer speciale manier is verkregen.

Niet alleen Malus-, maar ook Prunussoorten zijn een sieraad voor de tuin. Triest was het verhaal dat de heer van Gelderen vertelde over Collingwood ‘Cherry’ Ingram. Deze botanist en plantenzoeker (1880 – 1981) is bekend door zijn collectie Japanse kersen in zijn tuin in Benenden, Kent in Engeland en zijn boeken, waaronder ‘A garden of memories’. Door de jaren heen verzamelde ‘Cherry’ Ingram planten uit heel de wereld in zijn tuin, de meeste ervan onbekend in Engeland. Hij introduceerde alleen al 50 verschillende kersensoorten en variëteiten. Zijn liefde voor allerlei soorten Prunus was groot, maar dat hij bij zijn familie niet geliefd was, bleek na zijn dood. Zijn zonen verbrandden direct na zijn dood alles wat maar met zijn werk te maken had en zijn tuin die ‘Cherry’ Ingram regelmatig voor het publiek openstelde, raakte in verval. Gelukkig is het belang van zijn tuin weer erkend en heeft men geprobeerd hem weer in zijn oude glorie te herstellen.

Quercus pontica,Turkse dwerg-eik is door zijn uiteindelijke hoogte van 250 cm niet alleen geschikt voor de rotstuin maar heeft ook een mooie herfstkleur.

Lijsterbessen zijn eveneens mooi in de herfst en Sorbus hupehensis en vilmorinii hebben in tegenstelling tot hun inheemse soortgenoten i.p.v. oranje roze bessen.

Stewartia pseudocamellia, schijncamellia, heeft een mooie gevlekte stam en herfstkleur en Toona sinensis (een boom)heeft grote geveerde bladeren die in de herfst geel verkleuren.

De diverse Viburnumsoorten hebben ook grote sierwaarde in de herfst en aangeraden worden: de rijk vruchtdragende Viburnum betulifolium met mooie vruchten, Viburnum nudum met zijn spectaculaire herfstkleur en tot 4 x toe verkleurende bessen, Viburnum plicatum ‘Pink Beauty’ met zachtroze bloemen en rijk vruchtdragend en de ‘Amerikaanse’ Gelderse roos Viburnum sargentii.

Tot besluit eindigde Cor van Gelderen zijn verhaal doorspekt met anekdotes, met de vertoning van twee plaatjes van Acer palmatum, een van zijn grote liefdes.

Afrondend kan worden opgemerkt, dat wat door Cor van Gelderen is verteld voldoende stof geeft tot het kiezen van een ‘vlammend’ tuinjuweeltje in uw tuin!

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tuinieren op de klei door Cor van Gelderen op donderdag 13 november 2014

Tuinieren op de klei - inleiding

Verslag van presentatie Cor van Gelderen op de Klei op donderdag 13 november 2014.Op donderdag 13 november was Cor van Gelderen van Plantentuin Esveld uit Boskoop te gast bij Groei & Bloei Westland. Een presentatie van Cor staat garant voor een avond vol feiten en wetenswaardigheden. De presentatie over tuinieren op de klei is het gevolg van  een eerder verschenen artikel over grondsoorten in een tuinblad.

In deze presentatie ging Cor in op gangbare en minder gangbare planten die liefhebber zijn van een stevig stukje grond en in de meeste gevallen van een lekker hapje kalk houden. Het allerbelangrijkste bij de keuze van planten is, aldus Cor, dat planten zich in uw tuin op hun gemak voelen. Planten moeten zich kunnen aanpassen aan de omstandigheden en zich er niet tegen verzetten: een kwestie dus van de juiste plant op de juiste plaats. Het aanpassen van beplanting aan een grondsoort is veel eenvoudiger dan het aanpassen van de grond aan de beplanting. Erg zware klei kunt u luchtiger maken door houtsnippers, zand en compost door de bovenlaag heen te werken. Over tuinieren zelf zei Cor, dat een tuin bij aanleg een startpunt is en geen eindpunt en dat maakt het alleen maar spannend. Een goede tip is verder om een tuin onderdeel te laten zijn van het landschap. Zo zou u wanneer uw tuin aan een sloot grenst, cultivars aan de rand van de tuin kunnen toepassen, die aan de overkant van de sloot in het wild groeien!

Liefhebbers van een stevig stukje grond

Gedurende de presentatie passeerden tal van planten de revue, zoals:

Struiken:

  • Hydrangea: Hydrangea doet het ook goed op de klei. Hydrangea is een specialiteit van Esveld Een mooie soort is Hydrangea macrophylla ‘Mirai’, met witte bloemen en rozerood gekleurde randen. Een blauwe kleur bij Hydrangea is de wens van veel tuiniers, maar is aldus Cor, afhankelijk van de grondsoort. Hydrangea moet om blauw te kunnen kleuren in grond met een hoge zuurgraad met een pH van tot 5,5. Ook moet aan de grond in de eerste helft van september aluminiumsulfaat of kali-aluin worden toegevoegd.
  •  Abelia is een ondergewaardeerde struik in de tuin met een lange bloeitijd tot ver in de herfst. Abelia grandiflora ‘Abelops’ is een elegante, (half)wintergroene struik die van stevige grond houdt. De uiteindelijke grootte van Abelia is afhankelijk van de soort. Verder is deze struik goed te snoeien. Mooi is ook Abelia grandiflora ‘Prostata’.
  • Caryopteris clandonensis heeft een gedeeltelijk zelfde bloeitijd als Abelia en is een grijsbladig struikje dat van een zonnige standplaats houdt. Het is een plant die goed mengt met andere tuinbewoners, omdat hij zogenaamde complementaire eigenschappen heeft. Bekend is Caryopteris clandonensis ‘Heavenly Blue’. Mooi is ook Caryopteris ‘Inoveris’ met de merknaam ‘Grand Blue’. De bloeiperiode is augustus – september. Deze struik is goed winterhard.
  • Ook Buddleja - volgens Cor uit te spreken als ‘buddelja’ – dit omdat deze struik genoemd is naar botanist Adam Buddle doet het goed op de klei.·         Een prima soort is Buddleja fallowiana, die rijk geurende lilablauwe bloemen met een licht oranje hartje heeft. Adam Buddle zelf valt niet onder de zogenoemde planthunters, maar steunde wel expedities. Linnaeus noemde de struik als eerbetoon aan Buddle: Buddleja! Buddleja is ook als boompje superleuk, volgens Cor.
  • Leycesteria formosa (uit te spreken als Lesteria), Grootmoeders oorbel is ook een mooie toevoeging op de klei. Zoekt u een mooie cultivar? Gaat u dan op zoek naar ‘Golden Lanterns’ met helder geelgroen blad. Leycesteria kan bij nachtvorst schade oplopen en gedraagt zich als een vaste plant door in het voorjaar weer uit te lopen.
  • Een mooie plant om te weven is Perovskia. Dit is een zogenaamde prairieplant die van een droge en warem standplaats houdt en absoluut niet van natte voeten.
  • Hibiscus doet het op de klei beter dan op bijvoorbeeld veengrond. Het is jammer genoeg een struik die laat op gang komt en waarvan u beter de enkelbloemige cultivars kunt kopen. Hibiscus syriacus ‘Hamabo’ is een mooi exemplaar voor in de tuin met bloemen in lichtroze met rood.
  • Holodiscus discolor mag ook niet in het rijtje ontbreken. Deze pluimspirea bloeit in juni-augustus met grote witte hangende bloempluimen. Is verder niet spannend,maar kan wel heel goed tegen zout!
  • Physocarpus heeft een mooie bladverkleuring in de herfst. Meest bekend is ‘Diabolo’, maar ook ‘André’ is een prachtige selectie met bronsbruin blad en een prachtige herfstkleur.
  • Een imagoprobleem heeft Ilex, hulst, dit komt omdat de struik prikt. Toch is een hulst in de tuin erg mooi en hij doet het ook op kleigrond goed. ‘J.C. van Tol’ is een van de bekendste, maar duidelijk geen favoriet van Cor. Er zijn veel mooie cultivars die het uitstekend in de tuin doen.
  • Ook Syringa en Liguster doen het goed op de klei. Vooral Liguster verdient een beter plekje op de ranglijst van populaire struiken.
  • Viburnum nudum, Viburnum betifolium met spectaculaire herfstverkleuring en Viburnum plicatum ‘Red Robin’.

Hagen

  • Carpinus betulus, haagbeuk. doet het op elke grondsoort, ook als de grond wat natter is. Een struik die hier veel op lijkt en ook als haag wordt toegepast is de beukhaag: Fagus sylvatica. Deze plant heeft veel meer moeite met natte voeten en behoudt in de winter i.t.t. de haagbeuk grotendeels zijn blad. De beuk leeft in symbiose met een schimmel (mycorrhiza) die heel belangrijk is voor een goede groei van de plant. Mooi is ook de rode variant.
  • Buxus kan ook goed in hagen worden toegepast. Een goede cultivar is Buxus sempervirens ‘Handsworthiensis’, die sterk opgaand en compact is. Buxus sempervirens is de meest populaire soort. Probleem bij Buxus is helaas, dat er sinds een jaar of 15 een schimmel over Europa waart die veel schade aanricht: de Cubaanse buxusschimmel. Aan deze schimmel is weinig te doen. Het beste is om de natuurlijke weerbaarheid van de planten te verbeteren door het gebruik van Effectieve Micro-organismen, afgekort EM, om zo te zorgen voor een optimale groeiomstandigheid. Direct ingrijpen bij deze schimmel is noodzakelijk. U kunt het beste aangetaste takken wegnemen. Ontsmet u daarna wel uw snoeischaar met kokend water om verspreiding te voorkomen. Meer informatie is te vinden op www.eminfo.nl en www.eminfo.nl/HuisEnTuinBrochNLweb.pdf.  Bij Plantentuin Esveld is EM te koop. EM is breed toepasbaar en ook te gebruiken bij meeldauw, roest e.d. Het beste is om ter preventie EM in het vroege voorjaar toe te passen!
  • Prima als haag, maar ook voor vormsnoei is Taxus baccata.

 Vaste planten en grassen

Heel veel vaste planten houden ook van een stevige hap klei en kalk.

Denkt u hierbij aan:

  • Kniphofia ‘Maid of Orleans’;
  • Helenium ‘Kupferzwerg’ en H. ‘Red Jewel’;
  • Cynara cardunculus, een distel die verwant is aan artisjok;
  • Echinacea ‘Double Decker’ en Echinacea ‘Coconut lime’. Plant u Echinacea in grote groepen; deze vaste planten houden niet van wortelconcurrentie; 
  • Rudbeckia fulgida ‘’Little Goldsturm’;
  • Sedum telephium ‘Karfunkelstein’, een van de mooiste hemelsleutels volgens Cor;
  • Aconitum Carmichaelii cultivars;
  • Liriope muscari;
  • Ligularia voor op vochtige gronden, zoals Ligularia ‘Britt Marie Crawford’, de mooiste donkerbladige die er is;
  • Heuchera- en Tiarella-soorten;
  • Rodgersia podophylla-soorten, traag, maar mooi;
  • Hosta, bladplant, gevoelig voor slakken. Plant u hosta’s die blauwbladig zijn, dan zult u minder vraat hebben. In de winter veel compost tussen de hosta’s gooien, schijnt ook te helpen. Verder is het aan te bevelen volgens Cor om in het vroege voorjaar de eerste slakken weg te vangen.

Mooie combinaties:

Er zijn natuurlijk ook tal van mooie combinaties te bedenken, zoals Astrantia in combinatie met Lupine. Maar ook grassen met Hosta en/of vaste planten doen het goed. Het vinden van contrast is hierbij een pré; stoer blad in combinatie met elegante stelen. Bamboe is ook heel mooi, maar hoedt u voor sterk uitbreidende soorten als Phyllostachus. Wilt u deze toch gebruiken plaatst u dan bamboebegrenzer. Bamboe is mooi in cobinatie met Tetrapanax, Chinese rijstpapierplant, met groot handvormig blad, een indrukwekkende plant.

Interessante grassen:

  • Imperata cylindrica ‘Red Baron’
  • Panicum virgatum ‘Northwind’
  • Stipa-soorten

Bomen:

Volgens Cor is een tuin zonder boom geen tuin. Voor elke tuin is wel een boom te vinden.

  • Cercis-soorten, zoals Cercis chinensis en Cercis siliquastrum, Cercis canadensis ‘Forest Pansy’
  • Magnolia ‘Limelight’, geelbloeiend en goed winterhard en M. ‘Big Dude’, de geurende bloemen hebben een doorsnede van 35 cm;
  • Liquidambar, amberboom met mooie bladverkleuring;
  • Sorbus; Sorbus aucuparia, vaak toegepast is volgens Cor de minst interessante. Veel mooier is S. hupehensis ‘Rosea’ en Toona sinensis ‘Flamingo’.

Aan het einde van zijn interessante en humorvolle lezing ging Cor nog in op zijn pas verschenen boek over schaduwplanten, het complete naslagwerk, dat hij samen met Hans Bruckman schreef.

Dit boek is ook via Plantentuin Esveld verkrijgbaar.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

 

Tuinplanten (Nunspeet)

Verslag Lezing over de Kijktuinen van Nunspeet

 

Op de thema-avond van 10 mei was de gastspreker van de avond, de heer Leen Goedegebuure van Buro Goedegebuure, tuin- en landschapsarchitecten uit Nunspeet. De lezing van deze avond had als thema: ‘Kijktuinen van Nunspeet’. Op een unieke plaats, tussen het Veluwse bos en de oude Zuiderzeestraatweg in Nunspeet, liggen de ruim vier hectare grote Kijktuinen, waarvan twee hectare is aangelegd. De thematische tuinen, zoals de heer Goedegebuure ze noemde, zijn ontworpen met veel liefde en oog voor detail en zijn karaktervolle tuinen die elk een eigen sfeer uitstralen.

De heer Goedegebuure heeft o.a. landschapsarchitectuur gestudeerd aan de Academie van bouwkunst in Amsterdam en mag zich dan ook landschapsarchitect noemen. Ook heeft hij in Amsterdam gewerkt op het buro van Mien Ruys in Amsterdam. Nu leidt hij al jaren het Buro Goedegebuure. Binnen dat Buro is op een gegeven moment de behoefte ontstaan om proeven te doen met het combineren van architectuur, beplanting en harde materialen met als gevolg de Kijktuinen van Nunspeet.

Geïnspireerd door het landschap zijn tuinen op houtwallen ontstaan die wat hoger liggen en de z.g. benedentuinen. Deze tuinen zijn ingedeeld in ‘kamers’ met ieder hun eigen thema. Elke tuin heeft zijn eigen sfeer qua vormgeving, bestratingsmaterialen en beplanting, maar ook kleurgebruik. Regelmatig worden er nieuwe materialen toegepast en wijzigingen en verbeteringen aangebracht.

 

Aan de hand van mooie beelden nam de heer Goedegebuure de aanwezigen mee op een ‘wandeling’ door de tuinen.

De veentuin was de eerste tuin die de revue passeerde. Het is een tuin met bosachtige sfeer met halfschaduw en schaduwplekken met schaduwplanten, die vroeg in het seizoen, voor het verschijnen van het blad aan de bomen, bloeien of laat in het najaar (na de bladval). De ondergrond is opgebouwd uit turfblokjes, waardoor er een wat zurig milieu ontstond. De heer Goedegebuure werkt graag met vaste planten en de planten die in de veentuin staan zijn dan ook met zorg gekozen, passend bij het milieu wat daar is gecreëerd: zoals Trillium, Epimedium, Hepetica, Primula japonica ‘Miller’s Crimson’, Ranunculus aconitifolius, Ajuga reptans ‘Caitlin’s Giant’, Hosta tardiva ‘Halcyon’, Eriophorum vaginatum (eenarig wollegras) en Omphalodes nitida.

Interessant was ook de schaduwtuin in de ‘boomgaard’ van sierappels. Het is een tuin op normale tuingrond in de halfschaduw tot schaduw. Hier is o.a. gewerkt met Pulmonaria ‘Roy Davidson, Brunnera macrophylla 'Hadspen Cream' met bonte bladeren, Hosta fortunei ‘Aurea’, Symphytum rubrum, Astrantia major ‘Sunnydale’ en Lunaria rediva (vaste Judaspenning) en Molinia caerulea  ‘Moorflamme’ (siergras)

Belangrijk bij de samenstelling van beplantingsgroepen is, aldus de heer Goedegebuure, contrast van het blad, vorm van het blad, kleur en bloeiwijzen. Ook grassen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.

 

Bij de natuurlijke vijver in de boomgaard zijn planten te vinden als Ligularia stenocephala ‘The Rockett’, Deschampia ‘Goldsleier’ en Deschampia caespitosa ‘Goldtau’ (siergras), Hakonechloa macra ‘Albostriata’ (siergras), Ligularia dentata ‘Desdemona’, Filipendula purpurea ‘Nephele’, Gunnera, Hosta nigrenscens, Iris ensata ‘Morning Mist’ en Primula veris. Ook Miscanthussoorten (sierriet) zoals Miscanthus sinensis ‘Silberspinne’ zijn prachtig in een dergelijke omgeving.

 

De rotstuin herbergt een alpine kas waarin de meest kwetsbare rotsplanten een plaatsje hebben gekregen. Rotsplanten zijn in ons klimaat moeilijk zonder bescherming door de winter te loodsen, maar ook aan deze tuin, waarin ook veel coniferensoorten een plaatsje hebben gekregen, wordt door een lid van de rotsplantenvereniging heel veel zorg besteed.

Naast de tuinen is er in de gecreëerde doorkijkjes naar de natuur gebruik gemaakt van diverse pergola’s en berceau’s. Zo is er een witte pergola met blauwe regen en een pergola met witte regen. Hierbij is gebruik gemaakt van zowel links- als rechtsdraaiende Wisteria: Wisteria sinensis en Wisteria japonica, omdat zij na elkaar bloeien. Hierdoor wordt dus de totale bloeitijd verlengd. Ook is er een berceau met gouden regen en een pergola met druiven en clematissen.

 

Verder zijn er ook de tuinkamers waarin wordt getuinierd op seizoen. Zo is er de Voorzomer border. In deze border bloeien alleen maar planten die in de voorzomer bloeien. Sommige van deze planten geven na het afknippen van de uitgebloeide bloeiwijzen soms nog een tweede bloei. Denkt u hierbij aan Salvia, geraniumsoorten, Centranthus e.d.  In deze border zijn planten te vinden als Phlomis tuberosa ‘Amazone’, Geranium pratense ‘Album’, Salvia nemerosa ‘Mainacht’, Trollius ‘Alabaster’. De combinatie van kleur, bloeivorm en contrast zijn in deze border wederom erg belangrijk.

De rozentuin heeft een klassieke vorm met veel mooie rozen, waaronder de sterke David Austinroos Rosa ‘Bobby James’. Ook hier is het contrast van rozen met andere planten belangrijk. Grassen en rozen gaan bijvoorbeeld ook prima samen (Festuca mairei en Helictrichon sempervirens). In deze tuin staat ook een kolom van Pyrus salicifolia, die prachtig combineert met de rozen.

 

De zomerbloeiende bollen- en knollentuin bevat o.a. verschillende soorten Allium, die een prima combinatie kunnen vormen met vaste planten. In de tuin staan ook diverse soorten Dahlia, zoals Dahlia frisia en Dahlia ‘Bischop of Landaff’, maar ook Eucomis, Calamagrostis ‘Karl Foester’ (siergras),  Salvia darcyi, Eupatorium macr. ‘Atropurpureum’ en gemberachtigen.

In de zomerborders op kleur wordt getuinierd met planten die de volle zon kunnen verdragen (op voedzame normale tuingrond). De bloeiperiode van deze border ligt tussen juni / september.

Er is een border waarbij het accent ligt op wit-créme en zilvergrijs. In deze border staat o.a. Koelreuteria paniculata een klein boompje met crémegele bloemen en Deschampia caespitosa ‘Goldtau’ en Phlox ‘Mia Ruys’.

In de border met roze, lichtblauw tot violette beplanting staat Thalictrum Elin en verschillende Veronicastrumsoorten, zoals ‘Lavendelturm’ en Phlox ‘Lavendelwolke’.

 De border met blauw, paars tot lilablauwe tinten bevat planten als geranium ‘Brookside’, Tradescantia ‘Zwanenburger Blue’, Nepeta grandiflora ‘Pool Bank’ en Campanula ‘Kent Belle’.

 

In de donkerrode, bordeaux tot paarse border staan planten als Astrantia ‘Claret’, Lupinus ‘The Pages’, Rosa ‘William Lobb en Cirsium rivulare ‘Atropurpureum’.

De geel/oranje/rode border bevat o.a. planten als Kniphofia, Croscosmia, Helenium, Stipa gigantea (siergras), Achillea ‘Cloth of gold’, Dahlia ‘Indian Summer’, Hakonechloa macra (siergras) en Helianthus ‘Lemon Queen’.

Deze borders hebben een haag als achtergrond en een traditionele opbouw.

In de Najaarsborder met planten die alleen in het najaar bloeien staan o.a. Vernonia crinita, Aster frikartii ‘Mönch’ en Persicaria ‘Firetail’

Verder zijn er nog een prachtige uit vierkanten opgebouwde kruidentuin te bewonderen, een Oud-Hollands plein met planten uit de boerderijtuin, zoals Hydrangea, hosta’s en wilgen, het Alhambraplein, geïnspireerd op het Alhambra in Granada.

Interessant zijn ook de bedden met eenjarige klimmers en zaadmengsels (nog afkomstig van de Kruythof in Groningen en de grassentuin met grassen en bamboe.

Wie zelf eens een bezoek wil brengen aan de Kijktuinen kan dat doen tot en met oktober op maandag tot en met zaterdag. Op elke laatste donderdag van de maand zijn er themadagen met een korte rondleiding.  Het adres van de Kijktuinen is Kienschulpenweg 26 in Nunspeet. U kunt alvast een kijkje nemen op www.kijktuinen.nl

 

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tuinreservaten en groen in de openbare ruimte

bordje 'Tuinreservaat'

Verslag avond over Tuinreservaten en ‘groen’ in de openbare ruimte

op donderdagavond 8 november 2012

 

Op donderdag 8 november 2012 waren Carla van Lingen en Dorien Reiche te gast bij Groei & Bloei Westland. Insteek was het vinden van oplossingen om de verstening van tuinen en de openbare ruimten tegen te gaan. Carla van Lingen van Vroege Vogels/Tuinreservaten ging vooral in op het project ‘Tuinreservaten’, dat als motto: ‘Stop het Stenen Tijdperk’ draagt. Dorien Reiche, directeur van ‘De Groene Reiger’ (voorheen Directeur externe betrekkingen bij IVN besteedde aandacht aan het groen in de openbare ruimte. Het project 'Tuinreservaten' is een initiatief van Vara’s Vroege Vogels. Een aantal ‘groene’ organisaties zijn partner van het project, waaronder Groei & Bloei, KNNV en IVN en de Natuurkalender. Voor deze avond waren leden van politieke partijen uitgenodigd en stadsecoloog Wouter Wubben. Buiten hen waren ruim 80 mensen aanwezig; een bewijs dat ‘groen’ leeft!

 

Het project ‘Tuinreservaten’ - www.tuinreservaten.nl

Carla van Lingen beet de spits af met het project ‘Tuinreservaten’. Het idee om iets te doen aan de stijgende vergrijzing van de 5,1 miljoen tuinen in ons land ontstond een aantal jaren geleden in Frankrijk, toen haar oog viel op een van de bordjes van de Ligue pour la Protection des Oiseaux. Particuliere tuinen die voor vogels zijn ingericht, kunnen zich daar al jaren aansluiten bij deze organisatie. Een bordje aan het tuinhek met ‘Refuges’ (toevluchtsoord) onderstreept dit initiatief. Dit bordje was voor haar aanleiding om iets te doen aan haar eigen boosheid die was ontstaan door het onnodig kappen van bomen in haar eigen wijk. Zij zette deze boosheid om door het in gang zetten van dit project. Tuinreservaten ging officieel van start op 6 maart 2011. Begin september 2011 hadden al meer dan 4000 tuineigenaars zich met hun tuin aangemeld. Ook bij dit project speelt een houten bordje een rol. Wie zich aanmeldt als bezitter van een tuinreservaat, kan, tegen een kleine vergoeding, een bordje met de tekst: ‘Tuinreservaat’ kopen. De aangemelde tuineigenaar moet met zijn tuin dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen.

 

Wat is een tuinreservaat?

Een tuinreservaat is, aldus Carla, een groene natuurlijke tuin of zelfs een balkon, waar het niet alleen voor de mens, maar ook voor dieren goed toeven is. Vaak zijn tuinen door de toenemende verstening van de buitenruimte voor de dieren nog het enige toevluchtsoord. Dieren gebruiken ons privé-groen als 'stapsteen' om van de ene groene zone in de andere te komen.

Het is daarom van belang actie te ondernemen tegen de toenemende trends om steen, beton en asfalt en kunstgras het te laten winnen van plantenborder en een echt gazon! Hieraan werken helaas ook grote groepen hoveniers werken mee. Zij manifesteren zich meer als stratenmaker dan als vertegenwoordiger van het vak. Gelukkig is er een beweging op gang gekomen van echte ‘groene’ ambachtelijke hoveniers, die hun vak wel verstaan. Het motto is daarom niet voor niets: ‘Stop het Stenen Tijdperk’!  Ter ondersteuning gaf Carla als voorbeeld dat in een versteende tuin van 10 x 10 meter maximaal 50 dieren (inclusief insecten) voorkomen en in een ‘groene’ tuin 500.

 

De vier V’s voor mens en dier

Om de verstening tegen te gaan, is het van belang om (potentiële) tuinbezitters het een en ander duidelijk te maken. Door het kiezen van de juiste, lees: makkelijke, planten hoeven ze echt niet zoveel in de tuin te werken, als dat ze vaak denken. Daarbij is door het Onderzoekcentrum Rotterdam onderzocht, dat een tuinbezitter veel meer geld kwijt is aan verharding dan aan ‘groen’. Ook het diervriendelijk maken van de tuin vergt slechts geringe ingrepen, zoals het plaatsen van vogelhuisjes, egelverblijven, indirecte tuinverlichting e.d.

 

Een tuinreservaat zou, volgens Carla met het oog op de dieren aan de vier volgende levensvoorwaarden moeten voldoen: Voedsel, Veiligheid, Voortplanten en Variatie (de 4 V’s). Dit betekent dat er voor de dieren in uw tuin voldoende voedsel moet zijn in de vorm van struiken en bomen met bottels en bessen, maar ook gelegenheid om te schuilen. Verder moeten ze zich er ongestoord kunnen voortplanten, waarbij variatie in hoogte en bloeitijd van planten (bodembedekkers, heesters en bomen) een belangrijke rol speelt. Eigenlijk zou in elke tuin wel een boom moeten staan en dat kan volgens Carla, want er genoeg kleine bomen die ook in een kleine tuin een aanwinst kunnen zijn.

 

Vitamine G en tuingeluk

Een tuinreservaat is niet alleen belangrijk voor dieren, maar ook voor de mens. Vitamine G is wat we er uit kunnen putten. Het is wetenschappelijk bewezen, dat mensen in een groene leefomgeving gezonder en gelukkiger zijn. Tuingeluk voor onszelf kunnen we creëren door te zorgen voor een goede verhouding tussen tegels en groen’. Dit houdt in: voldoende volume van planten van hoog naar laag, maar ook het scheppen van voldoende privacy in de vorm van hagen of gazen rekken met bijvoorbeeld klimop; en wat te denken van groene muren en daken. Verder is het het realiseren van een goede energiebalans van belang: dit is de juiste verhouding tussen de tijd die u in de tuin stopt en het plezier dat u er aan beleeft.

Een alternatief voor verharding zou verder plat grind kunnen zijn; dit heeft als voordeel dat het water makkelijker wegsijpelt en niet via het riool verdwijnt of bij hevige regenbuien voor overlast zorgt. In Duitsland is het, aldus Carla, in dit kader zelfs zo, dat het verboden is om grotere oppervlaktes te verstenen. Misschien zou een gemeentelijke verordening met een maximum aan te straten vierkante meters per tuinoppervlakte een mogelijkheid kunnen bieden?

 

What’s in it for me?

Afsluitend wees Carla de aanwezigen erop dat ook zij kunnen bijdragen aan het keren van de verstening door het delen van hun kennis. Als geen ander zou een rechtgeaarde Groei & Bloeier anderen, als tuinambassadeur, de liefde voor groen aan tuinbezitters moeten bijbrengen en verder moeten willen kijken dan de eigen tuin. Een stapje verder zou de Groei & Bloeier nog kunnen gaan door er bij gemeenten en overheid op te wijzen dat openbaar groen meer dan noodzakelijk is voor het realiseren van linten van groen door het landschap. Het vergroenen van straten, schoolpleinen en bedrijfsterreinen, het aanleggen van natuurspeelplaatsen zou hier aan kunnen bijdragen. Het is, aldus Carla, van belang om de natuur naar de mensen te brengen, want met groen en water om zich heen voelen mensen zich meer betrokken!!

 

Het belang van een Groene Leefomgeving

Na de pauze kwam Dorien Reiche aan het woord. Zij maakte met de aanwezigen een stapje over de heg naar het openbaar groen. Ook zij wees op het belang van groen in de directe leefomgeving voor zowel mens en dier. Als directeur externe betrekkingen IVN is Dorien voortrekker geweest bij diverse campagnes en projecten, waaronder het project ‘Groen Dichtbij’, dat IVN uitvoert i.s.m. het Oranje Fonds. ‘Groen Dichtbij’ brengt mensen in de straat en buurt dichter bij elkaar door de leefomgeving in de buurt groener te maken. Op initiatief van - en samen met de mensen uit de straat en wijk realiseert het project meer en betere groenvoorzieningen.

 

Adoptiegroen/Buurtgroen

Er zijn hier al tal van praktijkvoorbeelden van, zoals het project Adoptiegroen in Zoetermeer, dat al 10 jaar geleden geïnitieerd is. Buurtbewoners, verenigingen, scholen of crèches kunnen daar een stukje ‘groen’ adopteren. In overleg met de gemeente knappen bewoners een stukje groen op, nemen het in beheer en onderhouden het. Dit stukje groen kan variëren van een perkje in de straat of een boomspiegel (grond rondom de boom). Ook een strook langs de gevel van een paar trottoirtegels breed is mogelijk. In Zoetermeer zijn er inmiddels 150 stukjes van dit soort ‘groen’. Er zijn aan het onderhouden van Adoptiegroen natuurlijk wel spelregels verbonden en er moet verder sprake zijn van continuïteit. Ook vindt er ondersteuning vanuit de gemeente (NME)plaats.

Ook Alphen a/d Rijn kent een dergelijk initiatief in de vorm van wijkverbetering door het creëren van sociale ontmoetingsplekken in het ‘groen’. Het vergroenen van wijken door dergelijke initiatieven kan niet alleen besparingen met zich meebrengen, maar ook een verhoging van de vastgoedwaarde van 0 – 30 %. De sociale opbrengst hiervan is echter vele malen groter. Vooral overlast loopt beduidend terug in wijken met dergelijke projecten.

 

Rol Groei & Bloei

Volgens Dorien ligt v.w.b. het bovenstaande ook een rol voor Groei & Bloei. Groei & Bloei kan een tuinenwedstrijd organiseren of een geveltuinendag. En wat te denken van excursies langs tuinen en openbaar groen. Verder kan de vereniging advies op het gebied van beplanting geven en cursussen en workshops organiseren; alleen of in samenwerking met andere al dan niet ‘groene’ partijen, zoals woningbouwverenigingen en wijkbeheerders. Ook zou Groei & Bloei burgerinitiatieven moeten ondersteunen, want biodiversiteit ook in het openbaar groen is van levensbelang!

 

Eigen project

Als voorbeeld van burgerparticipatie in de openbare groene ruimte vertelde Dorien verder over de door haar in gang gezette realisatie van een buurtuin en over de haken en ogen die hier aan vast zitten.

 

Meer informatie

Interessante informatie over groene steden is te vinden op de site: http://www.degroenestad.nl of op http://www.beterbuurtgroen.be

 

Openbaar groen in Gemeente Westland

Na de voordracht van Carla en Dorien ging stadsecoloog Wouter Wubben van Gemeente Westland nog in op het openbaar groen in gemeente Westland. Hij was het met de aanwezigen eens dat e.e.a. voor verbetering vatbaar is en dat een groenbeleidsplan hier aan kan bijdragen. Verder ging hij in op een aantal vragen die uit beide lezingen naar voren kwamen. Ook vertelde hij over de projecten die in dit kader momenteel in uitvoering genomen zijn. Hij ging in op de aanleg van natuurvriendelijke oevers en een vispaaiplaats bij het Nieuwe Water (Maasdijk) en het Zwethkanaal (Naaldwijk) en op de aanleg van natuurlijke oevers bij watergangen tussen de groengebieden. Verder gaf hij aan dat eventuele burgerinitiatieven uiteraard bespreekbaar zijn. Na een interessante avond gingen de bezoekers vervolgens huiswaarts.

 

Anneke Duyvesteijn

Groei & Bloei op WOS televisie:

www.youtube.com/watch

Lost tulips door Eric Breed op donderdag 13 oktober 2013

Boek en presentatie

Oktober en november zijn de maanden waarin u weer bollen kunt planten om het volgend voorjaar te kunnen genieten van een mooie voorjaarstuin. Om wat extra aandacht aan het fenomeen bollen te besteden, was Eric Breed uitgenodigd om zijn presentatie ‘Lost Tulips’ te geven. Deze presentatie gaat over de enorme historische tulpencollectie (maar ook post-moderne rassen) van zijn vader Kees Breed, die al zijn hele leven bijzondere en oude zeldzame tulpen verzamelt en zo al menig ras van de ondergang heeft gered. Deze collectie, de grootste ter wereld, was de reden om het boek ‘Lost Tulips’ te maken met daarin meer dan honderd foto’s van elegante en charmante oude soorten, sommige zelf uit de tijd van de tulpengekte in het begin van de 17e eeuw. Het boek dient als leidraad van de presentatie en de foto’s in boek en presentatie zijn gemaakt met natuurlijk licht, in de stijl van de vermaarde schilder J. Voerman jr. (bekend van de Verkade albums).

Over vader Kees

De variatie in kleur en vorm bij tulpen is groter dan bij ieder ander gewas dat kwam in de presentatie dan ook uitstekend naar voren. Elk jaar komen er nieuwe bij die oude soorten vervangen. Ook vinden kwekers regelmatig mutanten. Dit zijn spontaan optredende wijzigingen (bijvoorbeeld door straling) die tot uiting komen in een afwijkende vorm of kleur van de bloem of afwijkende bladeren. Zijn vader heeft ook twee eigen mutanten.

Naast tulpen kweekt de vader van Eric, die al 75 jaar is, ook een groot sortiment narcissen en krokussen. Daarnaast is hij ook een groot galanthofiel, een liefhebber en verzamelaar van sneeuwklokjes. Ook voor Dahlia loopt hij niet weg. Hij plant alles met de hand en is daar wel twee tot drie maanden mee bezig. Het gereedschap dat hij hierbij gebruikt heet een moordenaar. In de bollenteelt is er trouwens nog meer gereedschap met bijzondere namen, zoals de dubbele troffel die zijn vader gebruikt om de bollen in juli te rooien en de ziekzoeker, waar hij tijdens de groei iedere dag mee op zoek gaat naar bollen die op een of andere manier zijn aangetast (smeul e.d.). De bollen van zijn vader groeien en bloeien momenteel op een stuk grond bij Bloembollen Meeuwissen in Voorhout, waar ook Rita van der Zalm nog actief is. Geïnteresseerden kunnen dit bollenveld op uitnodiging bezoeken. Thuis kweekt zijn vader ook nog eens allerlei zomer- herfstbloeiende bollen en hij doet daarmee ook aan allerlei keuringen van de CNB in Lisse mee. Zoals u begrijpt zijn bloembollen er ook bij Eric met de paplepel ingegoten. Zelf is hij werkzaam bij een bloembollenexporteur.

De tulpen

Tulpen zijn onderverdeeld in verschillende groepen t.w.

Darwinhybride

Greigii

Rembrandt

Dubbele vroege

Kaufmanniana

Enkel vroeg

Dubbele late

Leliebloemige

Enkel laat

Fosteriana

Gemengd

Triumph

Gefranjerd

Parkiet/papagaai

Viridiflora

Tulpen zijn vaak genoemd naar steden, filmsterren, zangers en meisjesnamen. Een groot aantal tulpen uit deze groepen worden tegenwoordig bijna of niet meer commercieel gekweekt en behoren tot de collectie van Eric’s vader Kees. Een aantal van de meest opvallende die de revue passeerde, vindt u hieronder terug:

De eerste was een mutant van een oude bekende t.w. T. ‘Golden Apeldoorn’ (Darwinhybride).Darwinhybrides zijn krachtig groeiende en grote tulpen in de jaren ‘ 50 van de vorige eeuw ontstaan door kruisingen tussen de Darwintulp en Tulipa fosteriana. In de jaren ’70 van de vorige eeuw waren vooral de rode en gele apeldoorntulpen erg populair en was er wel 600 hectare mee beplant. Door de vernieuwing in het assortiment is het huidige areaal van deze soort nu slechts 40.

Een vrij nieuwe Darwinhybride is T. ‘Tequila Sunrise’, een echte kameleon die tijdens de bloei verkleurt. Een tulp uit deze groep die het in de V.S. goed doet is T. ‘President Kennedy’. Een hele gezonde gele tulp uit deze groep is T. ‘Conqueror’ die momenteel het hele tulpenareaal verovert. Een betere grote gele tulp is er niet!T. ‘Greuze’ is een enkelbloemige historische tulp uit 1881 die laat bloeit (half mei) met paarse bloemen. Deze tulp wordt nog steeds commercieel geteeld en heeft een hoogte van ongeveer 50 cm. Paars is ook T. ‘Al Sayer’, een hele lange tulp die meer dan 1 meter hoog wordt.

Een andere prachtige historische tulp is T. ‘Elegans Rubra’, een leliebloemige tulp uit 1895. Het is een rode tulp met elegant puntig omgebogen bloemblaadjes. Mooi roze met geel is de enkele late T. ‘Dordogne’, die wel licht lijkt te geven (bloeitijd april).

T. ‘Viridiflora’ is een groenbloemige tulp, ingetogen en een van de laatste tulpen die bloeit. De tulp is zeer sterk en goed houdbaar. Een andere mooie viridifloratulp is T. ‘Eye Catcher’. Deze groep heeft bloemen in verschillende kleuren die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat er iets groens in zit. Deze tulp laat als hij zijn rode bloemblaadjes opent een geelgroen gevlamd hart zien. T. ‘Yellow Spring Green’ hoort ook tot deze groep en kunt u in de grond laten zitten, mits de grond niet te nat is, u ze niet te dicht op elkaar plant en de locatie in de zomer ook zonnig genoeg is; een aanrader! T. ‘Groenland’ is trouwens een mooie viridiflorasoort om na te schilderen.

Mooi is ook T. ‘Spring Green’, een typische vrouwentulp, die ook Jacqueline van der Kloet graag gebruikt. Haar specialiteit is het juiste mengsel creëren van kleuren, vormen en texturen van bloembollen, vaste planten, eenjarige zomerbloemen en heesters. Haar werk is ook op Keukenhof te zien. Naar haar is de prachtige roze lelieachtige tulp ‘Jacqueline’ genoemd! Deze tulp is een uitstekende tulp die elk jaar in mei bloeit en in de grond kan blijven.

Een andere aanrader is T. kaufmanniana ‘Goudstuk’ met heldergele bloemen en een dieprood kleuraccent. Het is een botanische tulp, de eerst bloeiende in het jaar die zich in de loop der jaren op de juiste standplaats goed vermeerderd (10 – 25 cm hoog). Prachtig in zijn soort is ook ‘Scarlett Baby’, een kaufmannianatulp die zijn naam aandoet! De meeste wilde/botanische tulpen zijn inheems in het Tien Shan gebergte in Kazachstan, in Iran, Afghanistan, noordwest China, maar ook Zuid- Europa en Noord- Afrika. In Frankrijk groeit in het wild: T. passeriana, een dieproze tulp.

Wie zelf eens tulpen in het wild wil zien, zoals T. kaufmanniana en T. greigii zou een reis kunnen boeken naar Kazachstan (http://kazachstanreizen.nl/reizen/de_wilde_tulpen_van_kazachstan). Eric heeft er zelfs een boek aan gewijd: ‘Going Wild for Tulips’. Een ander boek van zijn hand met mooie foto’s is: ‘Tulipfields of Holland’.

Tulipa fosteriana is ook een wilde tulp. Een mooie witte tulp met extra grote bloemen uit deze groep is T. ‘Purissima’. Deze tulp kan ook verwilderen en is dus meerjarig. T. ‘Oratorio’ is een greigiitulp, ook botanisch. Het blad van deze groep is vaak gestreept of gestippeld. Bekend is ook T. greigii ‘Roodkapje’.

Mooie leliebloemige tulpen zijn T.  ‘Mariette’ (fuchsiaroze) ‘Marilyn’ (wit met frambozenrood) en ‘Mona Lisa’ (geel met gevlamd rood). ‘White Elegance’ is een mooie witte leliebloemige.

Bijzonder zijn de tulpen van Frans Roozen uit Vogelenzang, een vriend van zijn vader, die speciale tulpen kweekte met afwijkende kleuren zoals de bruine T. ‘Mabel Lorentz’ (enkel laat). Bekend was de showtuin van Frans. Een andere door hem ontwikkelde tulp is T. Belicia, een dot van een pioenachtige tulp, wit van kleur met rozerode randjes. Het is een tulp waar vooral Japanners gek op zijn.

Verzot zijn de Japanners ook op T. ‘Hatsuzakura’ uit de groep van Darwinhybriden. De kleur is roze, de kleur van kersenbloesem (is ook vertaling van Hatsuzakura), waar de mensen in Japan dol op zijn en zelfs grote feesten vieren, als de kersenbomen in bloei staan. Ze zijn veredeld in Japan in Toyoma (een echt tulpengebied) en naar ons land geïmporteerd door Haakman & Zn. Een andere tulp uit Japan is T. ‘Akebono’, een dubbele gele late tulp. ‘Akebono’ betekent licht van de opkomende zon!

Dubbel laat en als een pioenroos is ook T. ‘Double Beauty of Apeldoorn’ en T. ‘Engelenburg’. ‘Yellow Pomponette’ is hier ook onder te scharen, maar ook de witte ‘Snow Prince’ en ‘Maartje Kuiper’. Een zogenaamde Rembrandttulp is T. ‘Insulinde’ uit 1915.

Dit zijn gebroken darwintulpen die op een enkele uitzondering na virusziek waren en daardoor weinig productie gaven. Het zijn de beroemde Gouden Eeuw tulpen.

Geurende tulpen zijn er ook, zoals T. ‘Telecom’. Het is een korte tulp, die begin mei bloeit. Ook T. ‘Jenny’ is geurend!

T. ‘Roulette’ is een vijfbloemige tulp, die tot de multifloratulpen behoort.

Goud geld is er verdiend aan T. ‘Green Wave’, een parkiettulp met een bizar en decoratief voorkomen. De bloemblaadjes staan alle kanten op en zijn gefranjerd en zijn roze met groen. Hoe zeldzamer een tulp is, hoe meer hij opbrengt. Dat is een fenomeen dat al eeuwenlang bekend is. Denkt u daarbij aan de Tulpengekte in de 17e eeuw. Ook in onze tijd zijn er nog steeds mensen die met tulpen speculeren: en is het zoals Eric Breed zegt: de ene keer goud en de andere keer hout! Die golfbeweging is door de tijd heen steeds weer te zien. Over golven gesproken: T. ‘Yellow Wave’ is een tulp met bont blad en een paarse steel, die geel met groen bloeit!

 

De presentatie die Eric Breed ons heeft vertoond, zal hij ook geven tijdens de 5e World Tulip Summit in november in Istanbul. Dit is, zoals hij zelf vertelde, een bijeenkomst van tulpengekken, die zijn ontstaansrecht vind in Canada. Hier vindt in Ottawa elk jaar in Ottawa sinds 1953 een tulpenfestival plaatsvindt dat gerelateerd is aan het verblijf van de Koninklijke familie in de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding van ons land door de Canadezen. Na de bevrijding zijn aan Canada als dank tulpenbollen geschonken. De bijeenkomst is hier een voortvloeisel van.

Tulpen in potten

Tulpen kunt u ook uitstekend in grote potten planten, het liefst gevuld met tuinaarde en minimaal 20 procent grof zand, aangevuld met kokos. Als het niet vriest kunt u de potten buiten laten staan, gaat het vriezen zet u ze dan even binnen. Het beste kunt u tulpenbollen na de bloei koppen (om zaadvorming te voorkomen en tegen botrytis dat kan ontstaan door de bloemblaadjes) en dan zes weken in het groen laten staan en er dan uithalen; bollen voor verwildering kunt u laten staan.

Wilt u de mooie foto’s van Eric Breed (nog eens) bekijken? Gaat u dan naar: www.tulippictures.eu.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

Vergeten groente

Verslag presentatie Wim Bijma over Vergeten groente op woensdagavond 20 april 2016 bij Groei & Bloei Westland

 

Tijdens de thema-avond op 20 april was Wim Bijma als gastspreker aanwezig bij Groei & Bloei Westland. Wie geregeld naar ‘Koken met Van Boven’ kijkt, een programma op NPO 2 van kok Yvette van Boven, zal Wim ongetwijfeld kennen. Yvette gaat in haar programma geregeld bij op bezoek op de groentetuin van Wim om de kijkers te laten zien hoe hij groente, zoals witlof, maar ook andere groenten teelt. Wim vertelt graag zijn verhaal over groenten en kruiden, vooral omdat velen niet meer opgegroeid zijn met de werking van kruiden, maar zoals hij lachend zei: met het Kruidvat.

 

Wim kweekt  150 soorten groenten en 150 soorten kruiden in zijn groentetuin aan de Osdorperweg, bij Halfweg net buiten Amsterdam. Hij verbouwt zijn producten op uitgeveende poldergrond (veen). In totaal bedraagt de oppervlakte van zijn moestuin ongeveer 2 hectare, waarvan 1000 m2 glas. Hij levert zijn producten alleen aan koks bij wie de liefde voor goed eten net zo diep zit als bij hem zelf. Hij bepaalt zelf zijn prijs. Naast snijbiet, pastinaken en aardperen, groeien er ook tomaten en spruiten in zijn tuin.

Handmatig plant hij groenten en gebruikt hij eigen zaden van oude gewassoorten. Soms koopt hij zaden bij een bedrijf in Frankrijk of bij zaadhandel van der Wal. Er komen geen kunstmatige voedingsstoffen of kunstmest aan zijn teelt te pas. Wim heeft een opleiding tuinbouw gevolgd, maar zegt daar niets te hebben geleerd! Al doende leer je het vak, volgens Wim, die al 50 jaar met groente bezig is!

 

Enkele jaren geleden begon hij op verzoek van een bevriende marktkoopman met het telen van zogenaamde vergeten groenten. Wim noemt vergeten groenten, groenten voor arme mensen. Denkt u hierbij aan aardperen, pastinaak, koolrabi, rammenas e.d. Spruiten en witlof daarentegen waren vroeger zondagsgroenten en ook het eten van bloemkool beperkte zich vaak tot één keer in de week. Nu is het eten van juist deze groente door massaproductie en import heel gewoon en zijn de oorspronkelijke telers van vergeten groenten, ooit 200 rondom Amsterdam, al jaren verdwenen.

 

Door het bewuster gaan eten en leven van de jongere generaties, is het telen van eerlijke, organische, biologische groenten ‘booming business’ in Amsterdam. Er zijn zelfs restaurants in de hoofdstad die alleen nog groenten serveren en op verzoek een stukje vlees of vis. Voor restaurants uit dat segment teelt Wim zijn producten, waarmee koks veel meer mee kunnen variëren dan vlees of vis. Wim teelt, zoals hij zelf zegt, met smaakgarantie. De koks die zijn producten gebruiken zijn zo verguld met zijn producten, dat als hij bij hen gaat eten als een vorst wordt behandeld.

 

Wim teelt organisch, niet biologisch, daar zit te veel regelgeving aan vast. De grond is voor hem heilig; hij gaat er zeer zorgvuldig mee om. Elk voorjaar werkt hij organische materialen en sporenelementen door de bodem. Door deze voeding groeien de producten langzamer dan bij het gebruik van bijvoorbeeld kunstmest, maar zijn daardoor veel smaakvoller. De goede smaak ontstaat ook, omdat Wim de groenten zolang mogelijk in de grond laat zitten.

Wims bijbel is ‘Turkenburg's handboekje voor het kweeken van groenten in den vrijen grond’, een meer dan 100 jaar oud boek met een keur aan teeltbeschrijvingen. Verder werkt Wim met de stand van de maan. Door de organische bemesting met beendermeel, bloedmeel, vulkanisch materiaal e.d. en de grote plantdiversiteit komen er in de gewassen van Wim geen schadelijke insecten voor zoals ui- en wortelvliegen, witte vlieg of luis. Wilde bijen en hommels zorgen voor de bestuiving.

Zijn enige probleem zou onkruid kunnen zijn, maar zelfs paarse dovenetel, vogelmuur, brandnetels, zevenblad staan op de bestellijst. Voor mensen die problemen hebben met zevenblad had hij trouwens een tip die altijd werkt: verhuizen!

 

Aan de hand van foto’s en meegebrachte exemplaren vertelde Wim over de diverse groenten, zoals de ruige en gladde crapaudine, een heerlijke oerbiet en aardperen, die u heerlijk kunt frituren, pureren of gebruiken in een ovenschotel.

Ook ijskruid, Brave hendrik, palmkool en champagne rabarber kwamen aan de orde. De laatste smaakt trouwens heerlijk in combinatie met aardbeien. Ik heb het inmiddels uitgeprobeerd en het smaakt inderdaad verrukkelijk. Deze rabarber kan Wim de hele zomer door trekken; hij heeft ooit een paar stekken gekregen van een tuinder die alleen deze rabarbersoort teelde. Hij is heel gewild door koks als Jamie Oliver.

 

Eetbare bloemen zijn ook heel hip, volgens Wim. Goudsbloem, borage en Oost-Indische kers zijn voorbeelden van eetbare bloemen. Ook de bloemen van bieslook en ander look, zoals daslook zijn eetbaar. De bloem van de venkelknol zijn zelfs heerlijk.

 

Als laatste tip gaf Wim nog mee, dat groente die tot 20 augustus wordt geplant, hetzelfde jaar nog kan worden geoogst. Elk dag dat u later plant, heeft hij zelf ervaren, betekent een week later oogsten. Te laat planten, betekent dus dat de groente nooit zal volgroeien.

 

Anneke Duyvesteijn

Vermeerderen van vaste planten

De Hessenhof bekend van Helleborus

Verslag van de lezing ‘Het reilen en zeilen van een vaste plantenkwekerij’ door Hans Kramer – het vermeerderen van vaste planten

 

Op donderdag 13 september jl. was Hans Kramer te gast bij Groei & Bloei Westland. Hij verving Wim Willemsen die onverhoeds in het ziekenhuis was beland. Gelukkig kon Hans Kramer zonder problemen over hetzelfde onderwerp zijn lezing houden. Hans Kramer van de Hessenhof uit Ede weet namelijk als geen ander hoe vaste planten te vermeerderen zijn en heeft door zijn ervaring zelfs heel veel zicht op hoe dit bij een bepaalde soort of cultivar uitpakt.

 

De kwekerij

De Hessenhof is een van de weinige ambachtelijke kwekerijen van vaste planten in Nederland. De 30 jarige kwekerij is 2 hectare groot, waarvan tweederde in beslag wordt genomen door moederplanten (5.000 – 6.000 stuks). Ongeveer 2.000 soorten worden jaarlijks vermeerderd en zijn in de pot beschikbaar voor de verkoop. De Hessenhof bevindt zich aan de Hessenweg, die van oorsprong een handelsroute was tussen Arnhem en de havens aan de voormalige Zuiderzee. Het bedrijf is bekend geworden door het kweken van Helleborus. Het uitgangsmateriaal waar Hans Kramer mee werkt is afkomstig van botanische tuinen, collega-kwekers en soms ook klanten. Nieuwe soorten ontwikkelt hij zelf ook door te kruisen.

 

Skal certificaat en plofplant

Sinds augustus 2010 draagt de kwekerij vol trots het Skal certificaat. Dit is een waarborg voor gezonde, resistente planten, die nog de tijd krijgen om te groeien; alles heeft dus met de weerbaarheid van de plant te maken. Het zijn dus biologische planten als tegenhanger van de ‘plofplant’ die zonder remstof, kunstmest en chemische stoffen in steriele potgrond zijn vermeerderd. De potgrond die hij op de kwekerij gebruikt bevat geen turf. Turf is een niet duurzaam product dat van steeds verder weg moet komen en daarbij komt er bij gebruik van turf ook nog eens veel CO2 vrij. Er zijn, aldus Hans Kramer, genoeg alternatieven. De eigenlijke basis van de potgrond die op de kwekerij in gebruik is, is gezeefde bladaarde.

 

Het reilen en zeilen

De werkwijze op de kwekerij wijkt dus volledig af van die van moderne vermeerderingsbedrijven die een beperkt aanbod kunnen leveren van stekken of gekiemde planten met een snelle groei. Voor langzame planten is er in deze wereld, aldus Hans Kramer, helaas bijna geen tijd meer. Dit heeft een dusdanig effect dat die snelle jongens, vaak ook een snelle dood sterven. Dat is een jammerlijke ontwikkeling die een verstening van de tuinen nog meer in de hand werkt. Mensen die met dergelijke planten in aanraking komen geven de moed op en kiezen dan nog sneller voor stenen in plaats van planten.

 

Vermeerderen

Aan de hand van een lijst met (bijzondere) vaste planten ging Hans Kramer vervolgens op het vermeerderen in. Het vermeerderen van vaste planten gebeurt, aldus Hans Kramer, eigenlijk veel te weinig meer. Dat is jammer want het zelf opkweken van plantjes uit zaad of stek geeft een enorme voldoening en is echt niet moeilijk.

 

Zaaien: de zaden van de meeste vaste planten zijn eigenlijk vorstkiemers. Vaste planten komen uit gematigde streken met wisseling van de seizoenen. De meeste zaden blijven in de winter ‘overliggen’ en kiemen in het voorjaar zo kunnen ze overleven. Daarom kunt u de meeste zaden al in de herfst zaaien; komt het zaad niet op, dan blijft het overliggen en komt het in het voorjaar wel op.

Vers zaad, dat u zelf oogst heeft tienmaal meer kiemkracht dan het zaad dat je koopt; de kiemkracht van het zaad loopt namelijk achteruit als het bijvoorbeeld bij de zaadhandel ligt. Bewaart u het zaad in papieren zakken en op een droge plek. Hebt u planten met ‘springend zaad’ doet u er dan een uienzak omheen en bindt u die van onderen dicht. Als het zaad rijp is, knipt u de plant af en u laat het zaad drogen. Het kaf dient u hierbij wel van het koren, lees zaad, te scheiden. Hierdoor voorkomt u smeulziekte. Bij heel fijn zaad, zoals bij zaadvruchten kunt u het kaf zachtjes wegblazen.

Alle botanische soorten (soorten met alleen Latijnse namen) kunt u zaaien, Bij doorgekruiste soorten, lees cultivars/variëteiten, ligt dit anders. Zaaien is wel mogelijk, maar dit zaad komt meestal niet soortecht terug. Dit kan echter wel een bron van nieuwe soorten zijn. Cultivars en variëteiten kunnen het best vegetatief worden vermeerderd (door stek, wortelstek en scheuren). De zaaigrond kunt u eenvoudig zelf maken met een combinatie van bladaarde, fijn grind, fijne boomschors met kokosvezel. In de gezeefde grond legt u het zaad, dat u vooral niet te dicht moet zaaien. Afstrooien met fijn grind voorkomt het dichtslaan van de grond. Bij het verspenen dient u de plantjes uit te kloppen en u kunt gerust een stukje van de wortels afsnijden voordat u ze uitplant.

 

De plantenlijst

De eerste plant van de lijst van eenvoudig te zaaien planten was Helleborus hybride Abrikoos Handbestoven. Helleborus is een soort die u beter kunt zaaien dan scheuren. Door het scheuren wordt de plant bevattelijk voor een schimmel die bekend staat als ‘Black Death’. Momenteel is Hans Kramer bezig met het ontwikkelen van een sortiment Helleborus die ook het keurmerk biologisch draa; dit heeft echter tijd nodig.

Een prachtige plant als Hepatica nobilis kunt u goed zelf zaaien. Hetzelfde geldt voor Primula vulgaris, een inheemse plant die ook u ook prima kunt scheuren. Uit de Kaukasus komt Pachyphragma macrophylla, een plant die op een plek waar geen plant het doet, zoals onder een eik, uitkomst kan bieden. Het is een fantastische plant, die totaal onbekend is, maar meer aandacht verdient door zijn modus operandus: onderdrukt onkruid en zaait zich ook uit. Ook planten als Synthryris platycarpa en Saruma henryi kunt u goed zaaien. Saruma, goede schaduwplant is goed zaadvast en een van de beste introducties van de laatste tijd. Cyclamen hederifolium is goed te zaaien. Omdat deze plant oppervlakkige wortels heeft is het verstandig er een laagje fijn grind over te strooien. Zo blijft de grond altijd vochtig. Ook verstandig om bij zaaien een laagje grind te strooien, zodat de zaden goed kunnen kiemen. Een plant die veel meer gebruikt moet worden is en de beste is uit de Euphorbia-groep is, volgens Hans Kramer, Euphorbia jacquemontii. Deze plant heeft spectaculair blad, dat mooi wegkleurt. Een uit zaad gekweekte plant, die familie van hortensia is, heeft de mooie naam Deinanthe bifida. Deze plant uit Japan is geschikt half- en voor diepe schaduw, evenals Deinanthe caerulea. Eén van de beste nieuwigheden van de laatste jaren is de botanische soort Cynachum, een onbekend maar geslacht van de familie der Asclepiaceae. Een aanbeveling krijgt ook Delphinium elatum ex Gork 043, de oervader van alle Delphinium, die uit de Oekraïne komt. Voordeel van deze soort is dat hij wel 10 jaar op dezelfde plaats terugkomt en geen steun nodig heeft. Delphinium kunt u ook goed stekken door in maart de stekken onderaan de plant diep weg te snijden. Zaadvast is Cimicifuga japonica ‘Cheju-do’, met dik leerachtig blad. Het is een van de beste nieuwigheden van de laatste tijd en deze soort kan ook juist goed in de zon. Dit in tegenstelling tot Cimicifuga simplex ex ‘Brunette’. De witte ruit: Thalictrum delavayi ‘Album’ komt ook soortecht terug bij het zaaien en komt mooi uit tegen een donkere achtergrond evenals Cimicifuga rubifolia ‘Blickfang’, die zoals de naam al zegt, een echte aandachtstrekker is (2,5 meter hoog en kaarsrecht). Goed uit zaad komt ook Dierama pulcherrimum ‘Flaring Tips’ terug; dit geldt ook voor Sphaeralcea incana, een oranje stokroosachtige plant die ook wel mini-Lavatera wordt genoemd. Sphaeralcea ‘Charmeuse’ blijft roze als u hem stekt en wordt oranje als u hem zaait (heeft met afkomst te maken). Ook salvia’s zijn te zaaien. Een zaaling van de kruising Salvia ‘Royal Bumble’ is Salvia ‘Nachtvlinder’.

 

Varens worden vaak uit sporen vermeerderd Bij Polystichum gebruikt u de zogenaamde broedbolletjes die om te vermeerderen zoals bij Polystichum setiferum ‘Foliosum Superbum’, prachtig en wintergroen!

 

Stekken of scheuren:

Als u planten stekt weet u dat de nieuwe stekken 100% identiek aan de moederplant zullen zijn. Gaat u bij stekken uit van een nieuwe groeischeut, snijdt de stengel net boven een bladpaar af. Zorgt u ervoor dat u de cellen niet te veel verwond. Verwijder de bladeren voor de helft en plaats hem in stekgrond en zodanig dat de stek niet omvalt. Bevochtigt u vervolgens de grond en plaats er een plastic zakje over of zet de stek in een kweekkasje. Een vochtige atmosfeer is noodzakelijk. Zet de stek uit de zon op een koele plaats tot de okselknopjes uitlopen. Zorgt u ook voor zachte, niet te houtige stek.

Als u onderweg een stekje plukt kunt u die het beste vochtig bewaren. U kunt ze het beste in een vochtig gemaakte plastic zak bewaren en het zakje opblazen. Op deze manier kunt u stekjes wel een week in de koelkast goed houden.  Het jaar daarop kunt u de stek uitplanten.

 

De plantenlijst vervolg:

Veel van de planten uit onderstaande lijst zijn ook goed te scheuren c.q. af te steken. De voorkeur geeft Hans Kramer echter voor het waarborgen van een goede gezondheid van de nakomelingen aan stekken!

Mooi is Tricyrthis hybride wit, een armelui’s orchidee die geen last van schurft heeft. Ook Clematis is goed te stekken, zoals Clematis ‘Sander’ die in de herfst bloeit. Maar mooi is ook Clematis tubulosa, een kruiper, die onderhoudsvriendelijk is en het goed in het openbaar groen doet. Als struikclematis wordt Clematis integrifolia (McDry Baikal) 50 cm hoog. Geranium wallichianum ‘Rozette’ is een topper onder de Geranium bloeit heel lang van juli tot en met september. Phlox kunt u ook vermeerderen door scheuren/afsteken. Het nadeel is dat de plant gevoelig is voor aaltjes. Wilt u scheuren dan moet u er zeker van zijn dat de plant gezond is. Wilt u een 100% gezonde plant, dan kunt u beter stekken. Mooie soorten zijn: Phlox paniculata ‘Herbstwalzer’ (fantastisch volgens Hans Kramer) die in deze tijd van het jaar bloeit en 120 cm hoog groeit, Phlox paniculata ‘Peppermint Twist’ en Phlox x arendsii ‘Miss Jill’. Asters kunt u ook het beste stekken, ook beter voor de gezondheid van de nieuwe plant (is ook te scheuren). Aster thompsonii (botanische soort) is de oervader der asters en is volgens Hans Kramer de allerbeste aster ooit. Bloei al heel vroeg: van half juli tot nu aan toe! Deze aster is vrij van meeldauw! Aster Mönch is afstammeling van deze aster. Interessant is Nepeta kubanica, kattenkruid, dat een mooi stevig gewas heeft, maar ook Isodon rubescens (Caryopteris sp.), Heliopis helianthus scabra ‘Asahi’ met goudgele pomponnetjes. Winterhard en goed te stekken is Plectranthus glaucocalys, lijkt op een reuzencalamintha, is prachtig om te zien en totaal onbekend helaas. Winterhard is ook de mooie Salvia forreri, een azuurblauwe salie en Salvia nemorosa ‘Caradonna’ een opgaande plant met donkere violetblauwe aren(een succesnummer volgens HK). Baptisia zijn robuste, lupineachtige planten. Ze zijn ook duur omdat niet alle stekken winterknoppen vormen waardoor de plant na de winter weer uitloopt. Als ze het goed doen kunnen ze jarenlang mee in de tuin. Mooie soorten: Baptisia ‘Chocolate Chip, Baptisia australis. Vernonia angustifolia x missurica is ook te stekken; deze prachtige herfstbloeier is een aanwinst in uw tuin. Dit zelfde geldt voor Scutellaria baicalensis, een waardevolle herfstbloeier en Sedum ‘Karfunkelstein’ identiek aan Xenos, waar kwekersrecht op zit! Een groot aantal nieuwe soorten ontwikkeld bij kleine bedrijven komen onder kwekersrecht als grote vermeerderingsbedrijven ze onder een andere naam gaan ontwikkelen! Een prachtige nieuwe cultivar van Echinacea is E. purpurea ‘Rozenrad’, rijkbloeiend en sterk!

 

Na de bespreking van deze indrukwekkende lijst kregen de bezoekers nog de gelegenheid om planten die Hans Kramer van de lijst had mee genomen te kopen. Van die gelegenheid is goed gebruik gemaakt!

 

Anneke Duyvesteijn

Verwilderingsbollen

Verslag van de lezing van Rita van der Zalm over verwilderingsbollen op donderdag 13 november 2008 –Genieten is vooruitzien/Hetgeen u ergert rukt u uit!

 

 

Op donderdag 13 november organiseerde Groei & Bloei, afdeling Westland haar tweede thema-avond van het seizoen. Op deze avond gaf Rita van der Zalm een lezing over m.n. verwilderingsbollen. De lezingen van Rita van der Zalm worden vaak omschreven als “Bollencabaret” en dat is niet voor niets. Met haar lezing, doorspekt met humoristische opmerkingen, weet ze als geen ander het publiek te boeien. Samen met haar man Frans, begon Rita in 1967 een bollenkwekerij op de kalkrijke en goed afwaterende gronden achter de Noordwijkse duinen; een uitstekende plek voor de meeste bolgewassen. Al sinds jaar en dag geeft Rita per jaar tal van lezingen en presentaties en is ze vaak te vinden op tuinmarkten en kwekerijdagen in het land. Ook schrijft Rita regelmatig over haar vak en geeft ze graag advies over het gebruik van verwilderingsbollen in combinatie met vaste planten, waarbij haar motto is: elke bol op de juiste plaats. Het sortiment wat Rita van der Zalm voert wordt bepaald door wat het echtpaar van der Zalm zelf leuk vindt en vond. Hierbij zijn ze altijd op zoek naar het onbekende broertje of zusje van min of meer bekende bolgewassen. Een aantal van deze minder bekende soorten passeerden dan ook de revue.

 

Over het gebruik van verwilderingsbollen vertelde Rita van der Zalm, dat men niet moet denken dat men er met de aanschaf van verwilderingsbollen vanaf is. Ook het toepassen van verwilderingsbollen vereist enige zorg. Evenals bij vaste planten, bomen en heesters hebben ook de verschillende bolgewassen een voorkeur voor een bepaalde standplaats. Die standplaats heeft te maken met de oorsprong van het bolgewas (land van herkomst). Zo houden sommige bollen van een plekje in de schaduw en van vochtige grond en andere zullen alleen maar gedijen op een zonnige, warme locatie.

Alleen op de juiste plaats geplant zullen de bollen gaan verwilderen. Verder moet men de grond waar de bollen worden geplant met rust laten. Vooral mannen houden graag van schoffelen en dat is nu juist waar verwilderingsbollen niet van houden.

Bollen kunnen verder uitstekend worden gecombineerd met vaste planten, een- en tweejarigen. Tevens kunnen op één plek tegelijkertijd meerdere bolgewassen worden geplant om voor een lange bloeitijd te zorgen. Door het zogenaamde sandwichsysteem c.q. lasagnesysteem toe te passen kan men een bloeitijd van bollen realiseren van februari tot ongeveer eind mei. Dit kan zowel in de volle grond als in potten. Bij deze manier van planten gaan grote bollen onderin en kleinere bollen bovenop. Bij het planten in potten is het verstandig om goede potgrond vermengd met wat scherp zand te gebruiken. Als men bollen cadeau wil geven dan kan men deze, volgens Rita, beter al geplant cadeau doen. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat 60 % van de bloembollenpakketten niet geplant wordt. Rita houdt van een nonchalante aanplant van bollen. In tegenstelling tot wat de meeste mannen doen: ‘zak open en dichtplempen’, gooit Rita de bollen het liefst over het hoofd en plant ze waar ze terechtkomen.

 

Een van de bekendste verwilderingsbollen(ook voor in het gras) is het gewone sneeuwklokje, Galanthus nivalis. Dit sneeuwklokje houdt van een plekje in de schaduw, terwijl Galanthus elwesii, het Turks sneeuwklokje juist weer meer zon verdraagt. Sneeuwklokjes houden van droge grond (10 cm grond op de bol), maar men moet er in de zomer voor zorgen dat ze niet uitdrogen. Het vermeerderen van sneeuwklokjes is mogelijk door pollen ervan tijdens of vlak na de bloei op te graven en in drieën of vieren te delen. Vervolgens moet men de delen weer diep planten. Van sneeuwklokjes zijn wel 140 verschillende soorten bekend en verzamelaars van sneeuwklokjes kunnen hun hart op halen in Engeland, waar zelfs speciale sneeuwklokjesdagen worden georganiseerd. Met spiegeltjes op stokken laten tuinbezitters dan het hart van de sneeuwklokjes zien. Een instrument, dat volgens Rita van der Zalm, ook handig is om te achterhalen wat mannen met Schotse rokken er nu eigenlijk onder dragen. Het zomerklokje Leucojum aestivum is in tijd een goede opvolger van het sneeuwklokje. Dit klokje dat veel weg heeft van het sneeuwklokje bloeit namelijk vanaf april.

 

Goed te combineren met sneeuwklokjes is Cyclamen coum, die in tegenstelling tot Cyclamen hederifolium niet in de herfst maar ook vroeg in de lente bloeit. Cyclamen gaan meestal wat langzaam van start, maar als ze eenmaal de smaak te pakken hebben, stoelen ze prima uit. Cyclamen houden van kalkrijke grond en het verdient dan ook aanbeveling om dit gewas in het najaar eens lekker te verwennen met wat kalk in de vorm van eierschalen, landbouwkalk, mergel o.i.d. Cyclamen houden van een plekje in de halfschaduw, worden ondiep geplant in humusrijke, goed gedraineerde grond.

Tegelijkertijd met het sneeuwklokje bloeit ook Scilla bifolia, een stinzenplant. Dit bolletje bloeit met toortsjes met fijne blauwe bloempjes en combineert prachtig met de roodbladige Ajuga reptans of met sneeuwklokjes. Mooi is ook Scilla bifolia ‘Rosea’ met zachtroze toortsjes. Een meer bekende Scilla is Scilla non-scripta, boshyacint, die nu bij het geslacht Hyacinthoides is ingedeeld en nu als Hyacinthoides non-scripta te boek staat.

 

Voor vroeg in het voorjaar zijn ook winteraconietjes, Eranthis hyemalis, een aanrader. Op zand doet dit gewas het niet goed, want het winteraconietje heeft humusrijke grond nodig. Ze zijn goed te combineren met Anemone nemorosa, de kruipende witte bosanemoon; een stinzenplant voor een lichtvochtige en beschaduwde standplaats. Anemone nemorosa ‘Vestal’ is een mooi zusje, dat een witgevuld hartje heeft. Van klei houdt deze anemoon niet, maar wel van rulle bosgrond en een beetje kalk. Mooi is ook Anemone nemorosa ‘Robinsoniana’ die licht lavendelblauw is.

 

Het meest verkocht worden Crocus tommasinianus. Deze van oorsprong wilde crocus en stinzenplant is zacht lavendel van kleur en bloeit vanaf februari – maart. Ze kunnen ook prima in een gazon worden toegepast, waarbij men uitgaat van 30 stuks per m2. Wie veel last van muizen heeft kan het beter laten, want muizen zijn er verzot op. Heel bijzonder is Crocus sieberi subsp. Sublimis ‘Tricolor’, een hele mond vol voor een lila-blauwe crocus met in het hart gekleurde ringen. Crocus houdt van een zonnige standplaats en rijpt graag warm af. Rita raadt aan om ze in luchtige groepen te planten op plaatsen waar ’s zomers de zon schijnt (ze moeten bakken in de zomerzon). Dit zelfde recept geldt ook voor blauwe druifjes en kleine tulpjes, die afkomstig zijn uit streken met een landklimaat. Dergelijke bolletjes gedijen uitstekend in randen bij een stoep, bij flagstones of in grind.

Verrassend zijn ook de herfstbloeiende crocussen. Deze staan in de zomer ook graag op een droge een warme plaats en tussen stenen. Ze doen het ook mooi in potten. Denkt u hierbij aan Crocus sativus of Crocus speciosus. De herfstbloeiende crocussen moet men niet verwarren met Colchicum of wel herfsttijloos. De bloemen verschijnen vanaf eind augustus, terwijl het blad in het voorjaar verschijnt. Colchicum ‘Waterlily’ is een dubbelbloemige herfsttijloos die door zijn naam nogal eens voor verwarring zorgt en als ‘waterlelie’ weleens in een mandje in de vijver is afgedaald. Colchicum hungaricum bloeit i.t.t. zijn soortgenoten niet in de herfst maar in het vroege voorjaar (februari). Wie in zomer en herfst ook bolgewassen wil kan denken aan Camassia, een bolgewas uit de Canadese prairie en van een vochtige standplaats houdt. Camassia leichtlinii ‘Caerulea’ doet het goed in gras en langs het water, maar ook mooi in combinatie met vrouwenmantel en hosta’s.

 

Erythronium (hondstand) is een dankbare schaduwplant voor op goed gedraineerde grond, zelfs iets zurige grond wordt goed verdragen. Mooi, maar sterk zijn E. ‘Pagoda met prachtig bruin gemarmerd blad en E. revolutum ‘White Beauty’ met roomwitte bloemen.

Ipheion, een Argentijns bolletje, is ook een aanrader, maar een langzame starter. Op een plaatsje in de zon vormt hij na enkele jaren grote pollen met lichtblauwe bloempjes en combineert prachtig met blauwe druifjes. Ipheion staat in het Nederlands ook wel bekend als ‘Oud Wijfje’, omdat haar kleur doet denken aan de blauwspoeling die vroeger vaak de oude dames in het haar werd gebruikt. Ipheion uniflorum ‘Rolph Fiedler’ en ‘Alberto Castillo’ bloeien rijk en lang.

Mooie blauwe druifjes zijn trouwens Muscari neglectum met bijna zwartblauwe klokjes, die vanaf maart bloeit en Muscari ambrosianum moschatum (Nederlandse naam: gele muskushyacint) , die geel bloeit in april tot en met juni en bovendien sterk geurt. Muscari macrocarpum‘Golden Fragrance’ geurt ook (naar banaan), bloeit geel en heel lang.

In dit rijtje past ook Ornithogalum, vogelmelk. Mooi is Ornithogalum arabicum, maar ook Ornithogalum balansae, geschikt is voor alle grondsoorten in zon en halfschaduw. Orntihogalum magnum wordt wel 80 cm hoog en bloei in juni/juli met een sierlijke losse toorts.

Puskinia libanotica is ook een goede aankoop en vooral Puskinia libanotica ‘Alba’ heeft het hart van Rita gestolen.

Fritillaria meleagris, kievitsbloem is een stinzenplant die het goed doet op vochtige en lichtbeschaduwde plaatsen. Dit plantje valt soms ten prooi aan het leliehaantje.

Enigszins in de vergetelheid geraakt zijn irissen. Toch is dit bolgewas de moeite waard. Mooi is ook de Naald van Cleopatra of wel Eremurus. Dit bolgewas houdt van een warme standplaats en kalkrijke grond en wordt graag ondiep geplant. Vooral Eremurus himalaicus is een aanrader door zijn rijke bloei.

Ook narcissen kunnen prima verwilderen. Ze houden van een iets zuurdere niet te droge grond. Narcissen moeten vrij diep worden geplant (15 tot 20 cm grond bovenop de bol); ongeveer 25 stuks per m2. Leuk is bijvoorbeeld Narcissus ‘Rip van Winkle’. De bloei van deze miniatuurnarcis valt in de periode (eind) maart - april. Narcissus triandus ‘Hawera’ heeft meerdere bloemstengels per bol, geurt en bloeit lang. Het is een prima narcis voor in de bloemenweide, omdat hij, aldus Rita, leuk dood gaat, d.w.z. smal sprieterig blad heeft dat onzichtbaar afsterft. Tot het sortiment van de kwekerij horen ook oude en historische narcissen, zoals Narcissus poeticus en trompetnarcissen.

 

Kleine wilde tulpen staan de laatste jaren goed in de belangstelling omdat ze weinig onderhoud vergen en goed verwilderen. Tulpen(bollen) houden in de zomer van een warme standplaats en dienen luchtig te worden geplant (nonchalant). Ze doen het goed langs stenen paden en tussen bodembedekkers, maar ook prima op kerkhoven. Eenmaal geplant moeten ze, zoals eerder gesteld, wel met rust worden gelaten. Als het neusje van de tulp boven de grond komt is het aan te raden er wat kunstmest overheen te strooien. Na de bloei moet een tulp worden gekopt en ook dan is het raadzaam wat kunstmest toe te dienen, omdat tulpenbollen na de bloei pas gaan groeien. Leuk is Tulipa humilis ‘Persian Pearl’, die wit bloeit, maar Tulipa whittallii die kaneeloranje is doet zeker niet voor hem onder. Dit laatste tulpje verdraagt ook wat schaduw en kan daarom prima worden gecombineerd met varens. Tulipa sylvestris (voorheen Tulipa florentina odorata), de bostulp is een echte stinzenplant en is bovendien ook geurend. Als deze bollen geplant worden kan men er het beste een stukje gaas onder leggen. Deze tulp vermeerdert zich door stolonen en heeft de neiging zich diep in de grond terug te trekken, waardoor de bloei afneemt. Het gaas voorkomt dit. Tulipa humilis ‘Alba Coerulea Oculata’ is volgens Rita een schatje, maar ‘ze benne niet vooruit te branden’. De bloem is echt wit met een groot blauw hart, dat aan Meconopsis doet denken. Tulipa viridiflora ‘Spring Green’ is een prachtige lang bloeiende tulp die ivoorwitte bloemen met groene veren heeft en mooi dood gaat. (ruien niet). Het gewas van het knolletje Geranium tuberosum smelt bijvoorbeeld ook helemaal weg. Tulipa linifolia is een leuk rood tulpje voor de rotstuin en heeft mooi smal blad. (voorbeeld te vinden in de Botanische Tuin in Utrecht).

 

Niet vergeten te planten moet men de bloembol van het jaar 2008, de Bulgaarse ui of wel Nectaroscordum siculum ssp. Bulgaricum. Deze bol kan afhankelijk van de grondsoort wel 1.20 meter hoog worden. Voorheen behoorde deze bol tot de alliums (sieruien). Deze bol houdt van een droge kalkrijke standplaats.

Alliums, sieruien, zijn er in vele soorten en maten. Vooral met Allium christophii wordt veel gekruist. Dit bolgewas is een sierraad in de tuin en houdt van zon (dus volop bakken en stoven geblazen), en droge voeten, vooral in de winter. Alliums kunnen goed worden gecombineerd met vaste planten.

Allium ‘Globemaster’ is een 80 cm hoge sierui (‘kind’ van christophii) die een lange bloeitijd heeft en elk jaar meer bloemen geeft. Deze ui is goed te combineren met grijze beplanting. Ook Allium ‘Firmament’ is een topper en wordt 70 cm hoog. Deze ui is steviger dan Allium atropurpureum. Allium nigrum is een van de langst bloeiende uien. Hij begint ‘plat’ te bloeien, maar later ontstaat er een bijna ronde bloeiwijze. Allium sphaerocepahlon, trommelstokje, is een goede snij- en droogbloem en bloei in juli op lichte plaatsen. Mooi in combinatie met vaste planten, zoals Astrantia, Achillea en siergrassen.

Toch zijn er ook sieruien voor een wat vochtiger locatie, zoals Allium ursinum. Deze bekende stinzenplant bloeit in mei op vochtige schaduwplekken.

Omdat sommige uien in de groeiperiode soms wat bruine punten aan de bladeren vertonen, adviseert Rita van der Zalm, deze af te knippen. Dit levert geen problemen op en deze actie valt aldus Rita onder de categorie: ‘Hetgeen u ergert, rukt u uit!’.

 

Verder kwamen nog diverse zomerbollen en knollen aan de orde, zoals dahlia’s en gladiolen en Eucomis, de ananasplant, die in onze streek, goed in de grond kan overwinteren. Over de Abessijnse gladiool vertelde Rita nog, dat men die het beste in een papieren zak bovenop de kast in de kamer kan laten overwinteren.

Als tip gaf Rita van der Zalm verder mee om eens een bezoek te brengen aan het Arboretum Trompenburg in Rotterdam, waar een goed voorbeelden te vinden zijn van vaste planten in combinatie met bollen. Ook Keukenhof in Lisse wordt in dit kader steeds leuker. Bent u niet bij de lezing geweest en heeft u daarom bij Rita geen bollen kunnen kopen? Geen nood, want u kunt Rita vinden op www.ritavanderzalm.nl Telefonisch is Rita van der Zalm te bereiken op 0252 – 37 21 93.

 

Anneke Duyvesteijn

Vijgen en pompoenen

Verslag van de lezing van Peter Bauwens op donderdag 10 maart 2005

over Pompoenen en Vijgen

 

Op donderdag 10 maart j.l. heeft de heer Peter Bauwens van “De nieuwe tuin”, waar men (volgens de folder) op intensieve wijze werkt aan de selectie van bijzondere eetbare planten, een lezing gehouden over twee eetbare planten die de laatste jaren weer veel in de belangstelling staan en hebben gestaan, t.w. pompoenen en vijgen.

 

Pompoenen:

 

De pompoen behoort tot de komkommerachtigen of Cucurbiteae. Deze grote familie vindt zijn oorsprong in Zuid-Amerika. Tot deze familie behoren ook de augurk, komkommer, courgette en meloen.

 

Hoewel de recente populariteit van pompoenen iets verminderd is, zien we nog steeds vele soorten pompoenen die op allerlei manieren als decoratie worden gebruikt, terwijl pompoenen in de eerste plaats eigenlijk een groente zijn. Mooi meegenomen is, aldus de heer Bauwens, dat ze naast dat ze eetbaar zijn ook nog eens mooi zijn.

De teelt van pompoenen is eigenlijk heel eenvoudig, vooral omdat deze planten hele grote zaden hebben van wel 1 tot 1,5 centimeter Omdat het uitheemse planten zijn, van oorsprong uit het Zuidelijke deel van Amerika verdragen ze echter geen vorst en dienen dan ook niet eerder dan na de laatste nachtvorst buiten te worden geplant. Vanaf half april kunnen ze binnen op de vensterbank voorgezaaid worden  en zal er zich al snel een mooi, sterk plantje ontwikkelen. Na IJsheiligen kunnen de planten buiten worden uitgeplant.

Voorzaaien is geen must. Het zaad kan ook prima in het begin van de maand mei ter plaatse worden gezaaid, zodat rond half mei het eerste groen boven de grond zal verschijnen. Pompoenen zijn gulzige planten, die veel voeding nodig hebben en uitstekend gedijen in een bedje van compost. De planten ontwikkelen namelijk veel blad en vertonen grote groei.

Aanbeveling verdient het om ter plaatse wat grond af te graven, vervolgens het gat ruim te vullen met compost, weer af te dekken met de afgegraven grond, zodat een klein heuveltje ontstaat en hierop de pompoen te planten.  Pompoenen houden namelijk, ondanks dat ze een waterachtige stengel hebben, zelf niet van natte voeten. Als het een nat en koud voorjaar is,  kunt u, om schimmelvorming en rotting te voorkomen daarom toch beter binnen voorzaaien.

Mocht u op een mooie voorjaarsdag een tijdje in de tuin willen liggen, dan adviseert de heer Bauwens om dit in de buurt van een pompoenplant te doen. Een pompoen kan namelijk wel één centimeter per uur groeien en dit fenomeen is goed met het blote oog waar te nemen. U kunt er ook een stokje bij zetten en de volgende dag bekijken hoe groot de groei is geweest in vierentwintig uur; leuk voor kinderen!

Pompoenen zijn er van heel klein tot heel groot. De grootste pompoen kan wel een gewicht van ca. 1000 kg bereiken en heeft bloemen van wel 20 tot 30 centimeter met blad van 1 meter doorsnede. Een van die reuzensoorten heet “Atlantic Giant”.  Dergelijke pompoenen lusten er wel pap van en een kruiwagentje of vijf compost is voor hen geen probleem. Bij de teelt van dergelijke pompoenen kunt u het beste gebruik maken van druppelbevloeiing. Deze druppelbevloeiing kan in de simpelste zin van het woord een tuinslang met gaatjes zijn, die rondom de pompoen wordt gelegd, zodat de grond rondom de plant steeds wat vochtig is. Gelukkig zijn er voor kleinere tuinen ook kleinere rassen beschikbaar, die langs bomen, bogen en pergola’s kunnen ranken, wat een spectaculair aangezicht geeft.

Pompoenen hebben mannelijke en vrouwelijke bloemen. De mannelijke bloemen bevinden zich duidelijk in het zicht. De vrouwelijke bloemen zijn tussen het gewas weggestopt en het vruchtje is al duidelijk achter de bloem zichtbaar.

Met name de mannelijke bloemen van de pompoen zijn, als ze vers zijn, uitstekend eetbaar en kunnen worden gevuld of gefrituurd. Men kan er zelfs soep van koken. De beste tijd is hiervoor de maand september, omdat eventuele vruchten toch niet meer afrijpen.
Mocht u een bepaald soort pompoen in uw tuin kweken en graag dezelfde pompoen het volgende seizoen weer willen zaaien dan zult u er zorg voor moeten dragen, dat er geen kruisbestuiving (door bijen of andere insecten) plaats vindt.  Door kruisbestuiving ontstaan na vruchtvorming namelijk zaden met ander genetisch materiaal, die snel degenereren. U zult echter zelf bijtje moeten spelen en over dienen te gaan tot manuele bestuiving.

Dit gaat als volgt: u selecteert op de plant, die u wilt bestuiven één mannelijke en één vrouwelijke bloem, die nog in gesloten stand zijn. Deze bloemen bindt u dicht met plakband. Na ongeveer drie dagen verwijdert u het plakband en zullen de bloemen zich openen. De mannelijke bloem wordt geplukt en de bloemblaadjes worden verwijderd. Met het binnenste van de mannelijke bloem wordt vervolgens over het binnenste deel van de vrouwelijk bloem gewreven, waarna de vrouwelijke bloem weer wordt dichtgeplakt. Ook wordt er een strikje op deze bloem aangebracht om haar na vruchtvorming te blijven herkennen. Op deze manier kunt u prima zelf goed zaad kweken, dat u jarenlang  op een droge en koele plaats kan bewaren. U kunt de oogst ook prima in de diepvriezer bewaren.

 

Pompoenen kunnen grofweg in drie categorieën worden onderverdeeld:

 

1.      Courgette: is eigenlijk een soort zomerpompoen en heeft per plant ongeveer één vierkante meter nodig. Ze komen voor in allerlei kleuren en vormen voor zoals groen, zwart, geel en gestreept, langwerpig en in de vorm van een biljartbal. Courgette is een heel productieve groente en hoe jonger ze worden geoogst des te lekkerder ze smaken.
Patisson is ook een soort courgette en kunnen al worden geoogst als ze vijf tot zes centimeter groot zijn. Patissons komen in heel veel kleuren en soorten voor: mocht u Patisson willen gebruiken als sierobject dan kunt u het beste de laatste vruchten in augustus / september laten uitgroeien. Uitgegroeid zijn ze namelijk niet meer lekker. (Patisson Panaché, Patisson Table Gold, Patisson “White bush Scalop”)
.

Zowel Patisson als courgette komen meestal in struikvorm voor. Van nature is dit niet zo. Ook courgettes kunnen klimmen. De allerlekkerste en allerfijnste courgette is de muskaatcourgette, die knapperig en pittiger dan de “gewone” courgette is. Door zijn onregelmatige groeiwijze is deze groente echter niet voor de handel geschikt.

2.      Pompoenen: a. zomerpompoen (C. Pepo) b. winterpompoen (C. Maxima) en c. muskaatpompoen (C. Mochata). De diverse soorten pompoenen zijn o.a. te herkennen aan de inplanting van de steel.

Zomerpompoenen, zoals C. delicata en “Sweet dumpling” zijn rijp in hartje zomer en kunnen niet zo lang worden bewaard. Winterpompoenen daarentegen worden later in het seizoen geoogst en zijn houdbaar tot mei en soms nog langer. De bekendste winterpompoenen zijn de Hubbardpompoenen; ze hebben een goede structuur en zijn goed eetbaar. Hubbardpompoenen komen in hele kleine, maar ook hele grote vormen voor (Blue Hubbard, Blue Bush). De winterpompoenen met een wat grilligere vorm zijn meestal meer decoratief dan lekker. De Turkse muts is ook een heel bekende en er bestaan van deze pompoensoort ook eetbare soorten.

De muskaatpompoen geniet in België meer bekendheid dan in Nederland, heeft een zoetere smaak dan andere pompoenen en wordt daar vaak uit Frankrijk geïmporteerd.

Het belangrijkste bij eetbare winterpompoenen is dat ze op het juiste tijdstip worden geoogst. Het oogsten vindt meestal plaats vlak voor de eerste nachtvorst als de stengel overlangs kurkstreepjes krijgt. Het beste kunnen ze worden bewaard op een constante temperatuur of dat nu 5 of 20ºC is, is daarbij niet zo belangrijk.

Eetbare pompoenen kunnen verder op diverse wijzen worden bereid: Sweet  dumpling kan na twee uur in de oven zowel zoet of zout worden klaargemaakt.

Een andere interessante pompoen om te bereiden is de spaghettipompoen. De spaghettipompoen is een ovaalronde vrucht en is bleekgeel van kleur. De pompoen dankt zijn naam aan het draderige vruchtvlees. De spaghettipompoen wordt in z'n geheel gekookt. Verwijdert u het steeltje en prikt u de schil met een dunne breipen op verschillende plaatsen in. Kookt u de pompoen vervolgens in water met iets zout in 30 tot 45 minuten gaar. Zorg ervoor dat de vrucht helemaal onder water staat. Laat de vrucht uitlekken en snijd hem in de lengte doormidden. Verwijder de pitten en
schraap de dampende draden met een vork uit de schil. Serveer warm met een kaas- of tomatensaus.

De meeste pompoenen worden in de keuken gebruikt om er soep van te bereiden. In dit kader kan nog C. “Marina di Chiogga” worden genoemd. Deze pompoen kan in zijn totaliteit worden gebruikt om soep van te koken (gebeurt in de oven). Pompoen kan ook in stoofschotels worden gebruikt en muskaatpompoen kan het beste worden gebruikt voor chutneys en taarten.

 

3.      De laatste groep zijn de kalebassen. Kalebassen hebben dezelfde groeiwijze als pompoenen en courgettes, hebben ook mannelijke en vrouwelijke bloemen, maar de bloemkleur is niet geel, maar wit. Ook kalebassen kunnen prima tegen een rozenboog aan klimmen, maar hebben in tegenstelling tot pompoenen wel iets meer warmte nodig. Omdat ze meer warmte nodig hebben, is het verstandig om kalebassen wel voor te zaaien. Bekende kalebassoorten zijn: “Swan” en “Birdhouse” Kalebassen kunnen het beste vlak voor de eerste nachtvorst worden geoogst en worden gedroogd in een luchtige goed geventileerde ruimte. Men kan ze bijvoorbeeld ophangen aan het plafond. Na droging zijn ze onbeperkt houdbaar en worden vaak gebruiksvoorwerpen van gemaakt.  De planten hebben in eerste instantie steun nodig, maar daarna zoeken ze hun eigen weg. Er zijn zowel grote als kleine soorten. Een kleine soort is “laginaria”, de mini-fleskalebas. Kalebassen zijn als ze ongeveer 10 tot 15 centimeter zijn allemaal eetbaar.

 

V.w.b. de teelt van pompoenen nog het volgende: aan het einde van het groeiseizoen kan er meeldauw optreden. Dit is inherent aan het afsterven van de bladeren en bestrijden heeft eigenlijk geen zin. Muskaatpompoenen hebben hier geen last van, maar zijn minder productief en hebben later meer warmte nodig om af te rijpen.

 

Vijgen:

 

Vijgen zijn al heel lang in cultuur, maar staan tegenwoordig weer veel meer in de belangstelling. Zo is inmiddels ook een boek van de hand van de heer Bauwens over vijgen verschenen: Vijgen in de lage landen.

Vijgen groeien van oorsprong in warme streken en het liefst in de volle zon. Ze komen, aldus de heer Bauwens, uit het “Aards paradijs”, een gebied dat ligt tussen de Eufraat en Tigris, het onstaansgebied van heel veel soorten vruchten.

Ook in ons klimaat kunnen vijgen goed gedijen. Probleem in onze streek is vaak dat de vijgenboom te hard groeit. Ze kunnen in ons klimaat wel 10  tot 12 meter hoog worden. Een vijg kan daarom het beste worden geplaagd om hem in de groei af te remmen, want hij kan soms wel drie tot vier meter per seizoen groeien.

De vrucht van de vijg is in feite de vlezige bloeiwijze. Binnen het vruchtomhulsel staan de heel kleine bloemen. De soorten in warmere streken worden meestal door de z.g. vijgenwesp bevrucht, een soort galwesp. Deze wesp komt in onze streken niet voor, omdat het hier te koud is. Gelukkig zijn er ook soorten, waarbij vijgen zonder bevruchting toch vrucht zetten.

Wat er bij het kweken van vijgen in onze streken meestal fout gaat is dat de jonge vruchten die voor de winter zijn gezet  het door de kou en vorst in de winter niet overleven. Dit heeft niets te maken met de winterhardheid van de plant zelf, omdat een vijg temperaturen van –10 tot – 15ºC makkelijk overleeft. Door de kou zullen de jonge vruchtjes afvallen en zijn we aangewezen op zomervruchtzetting in het voorjaar. Deze vruchten zullen zich echter alleen bij zeer warme omstandigheden ontwikkelen. Wat de vruchten, die zich voor de winter hebben gezet dus eigenlijk nodig hebben is een zachte winter. Daarom is het ook goed om een vijg op een goede plaats te planten. Het liefst tegen een warme zuidmuur. Ook is het verstandig om de vijg in de winter af te dekken of in te pakken met een niet-synthetisch materiaal. Sommige mensen gebruiken zelfs oude wollen sokken om de toppen van de vijg, waar de jonge vruchtjes zich bevinden te beschermen. Omdat de grond bij een muur vaak droog is, is  het ook daarom verstandig een vijg daar te planten, want arme droge grond is prima geschikt om een vijg in toom te houden.

 

Niet afgerijpte vruchten die nog groen zijn (dus niet de jonge vruchtzetting) kunnen in oktober / november beter van de vijg worden geplukt, omdat ze kunnen gaan rotten en schimmelen.

Vijgen kunnen ook prima in potten en kuipen worden gekweekt. Men kan dan eventueel ook wortelsnoei toepassen. Snoeien kan men beter niet te veel, want hoe meer men snoeit hoe meer dan plant groeit.

In de winter kan de plant in pot of kuip op een windvrije plek of koude kas overwinteren bij een liefst gelijkmatige temperatuur. Half mei kan de plant weer naar buiten.

De grootte van de pot of kuip is bepalend voor de grootte van de plant. Vanaf jongs af aan kan de plant elk jaar in een iets grotere pot worden gezet, totdat de gewenste grootte is bereikt. Het is ook beter om een vijg  met pot en al in de volle grond te plaatsen om hem zo in toom te houden. Men kan ook ter plekke een afgebakend plantgat maken, zodat de plant geen kant op kan.

Een vijg kan men heel goed leiden in bijvoorbeeld een halve boogvorm. Verder is het verstandig om regelmatig wat takken weg te nemen (van een paar jaar oud).  Dit kunt u het beste in de winter doen.

Omdat een vijg niet zo gauw dood gaat moet u niet al te gauw  de moed opgeven als uw vijg er onverhoopt niet meer uitziet. In de kwekerij worden de planten als ze dood lijken zelfs ontdaan van hun takken ondersteboven weer opgepot, waarna ze vaak weer uitlopen.

Voor het stekken van vijgen is het verstandig goed uitgangsmateriaal te gebruiken van ca. 20 tot 30 cm lang. De (winter)stekken dienen pinkdik te zijn. Stekmateriaal gaat voor 4/5 deel de grond in en zal in het voorjaar snel uitlopen.

Goede vijgensoorten zijn: Abicou, Adam, Tena, Pingo de mel (gele vijg), White Ischia (een van de zoetste) Brunswick (goudkleurig), Blanche d’Argenteuil (meest geteelde vijg einde 19de, begin 20ste eeuw rond Parijs), en Angelique (hier niet zo geschikt).

“White Marseille” is een van de meest productieve vijgen en geeft al vrij jong gele zachte vijgen. Deze vijg heeft een vrij brede groeiwijze en is een van de vroegste soorten.

De meest populaire vijg is “Brown Turkey”. Deze vijg heeft een relatief goede productie, een relatief goede smaak en kan relatief goed tegen de kou van de winter.

Er zijn ook dwergvormen onder de vijg, zoals bijvoorbeeld “Petite Negri” en “Rouge de Bordeau”, maar ook  “Green Ischia”. 

Het soort “White Adriatic” is een van de grootste soorten.

 

Een vijg is nadat hij afgerijpt is meestal maar een dag lekker. De kunst is dan ook om te weten, wanneer de vrucht rijp is. Een vijg is rijp als hij wat doorgezakt is en scheurtjes vertoont.

Van vijgen kan ook prima jam worden gemaakt (snijden, koken, eventueel pureren en afsluiten) en ook een vijgentaart is niet te versmaden.

Vijgen kunnen het best op de verwarming worden gedroogd en bijna rijpe vijgen kunnen ook worden geroosterd (in de oven) om er vijgenkoffie van te maken. Na  het roosteren worden de vijgen fijn gemaald.

Afrondend werd door de heer Bauwens nog gesteld, dat met
niet te veel aandacht en wat kalk en op een goede plek geplant ook u met een vijgenboom op uw eigen plekje de tuin van Eden kunt creëren.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

 

Vijvers door de seizoenen heen

Verslag lezing over vijvers door de heer Frans van der Graaf

Op donderdagavond 14 oktober was de heer Frans van der Graaf te gast bij Groei & Bloei afdeling Westland om een lezing te geven met als titel ‘Vijvers door de seizoenen heen’. De nadruk bij de lezing lag vooral op de problemen die vijverliefhebbers tegen kunnen komen en het onderhoud van de vijver door het jaar heen, waarbij de vijver op natuurlijke basis het uitgangspunt was.

Frans van de graaf is werkzaam bij de brandweer Dordrecht en als voormalig voorzitter van Groei & Bloei afdeling Alblasserwaard een liefhebber van bloemen, planten en vijvers. Hij is tevens de trotse bezitter van een vijver die ongeveer vier bij vijf meter groot is.

Natuurlijk door een goed biologisch evenwicht

Een natuurlijke vijver is een vijver zonder hulpmiddelen, zoals filterinstallaties en pompen. Door het realiseren van een biologisch evenwicht is het mogelijk het water van de vijver helder te houden. Wel zal de vijver aan een aantal criteria moeten voldoen om de kringloop die in de vijver plaatsvindt in stand te houden. Hierbij spelen vooral zuurstofplanten een belangrijke rol, maar ook bacteriën en koolzuur.

Zogenaamde ondergedoken zuurstofplanten spelen een rol bij het handhaven van het biologisch evenwicht. Simpel gezegd geven deze zuurstofplanten zuurstof aan het water af. Deze zuurstof is essentieel voor de waterdieren die in de vijver leven. Deze waterdieren produceren uitwerpselen, die naar de bodem zakken. Bacteriën die in de bodem zitten gaan deze uitwerpselen in de vorm van nitriet te lijf en zetten het om in nitraat, dat dan weer wordt opgenomen door de zuurstofplanten.

Bekende ondergedoken zuurstofplanten

Enkele bekende ondergedoken zuurstofplanten zijn Egeria densa en Elodea canadensis, waterpest. Waterpest hoeft niet in een mandje te worden geplant, maar drijft in het water. Ook hoornblad (Ceratophyllum demersum) is een goede zuurstofleverancier en is een drijvende zuurstofplant die niet wortelt.

Glanzend fonteinkruid en gekroesd fonteinkruid hebben wel een mandje nodig, dat op de bodem van de vijver moet worden geplaatst. Het is belangrijk dat het fonteinkruid goed geworteld is. Een nadeel van fonteinkruid is, dat door de stoffen die deze zuurstofplant opneemt er een grijs ketelsteenachtig laagje op de bladeren wordt afgezet. Dit probleem kunt u oplossen door eind juli onder water bij de bodem de stengels van de plant af te knippen. Er zijn hiervoor speciale watertangen in de handel. De plant zal hierna weer uitlopen. In het voorjaar kunt u de stengels ook tot aan de wortels afknippen. Hoornblad en waterpest kunt u het beste in augustus, na het opnieuw uitlopen van het fonteinkruid, inkorten.

Duitse Hardheid

Verder is het belangrijk dat het vijverwater voldoende hard is. Deze hardheid wordt uitgedrukt in Duitse Hardheid. 0 tot 4 dH = zeer zacht water; 4 tot 8 dH = zacht water; 8 tot 12 dH = gemiddeld water; 12 tot 18 dH = vrij hard water en 18 tot 30 dH = hard water. Als het water van de vijver zacht is en dus weinig kalk en magnesium bevat kan de kringloop niet goed plaatsvinden. De dH van vijverwater zou ten minste 12 dH moeten zijn.

Na veel regenval kan het voorkomen dat het water te zacht is, waardoor de aanwezige waterplanten niet meer optimaal kunnen groeien. Dan is het verstandig om Maerl te gebruiken. Maerl is een natuurproduct. De juiste hoeveelheid Maerl lost u op in een gieter met vijverwater en verspreidt dit over de vijver. Meestal blijft het water twee dagen grauw grijs tot wit. Om te kijken of het water in de vijver te zacht is kunt u het water met een testsetje zelf testen. U kunt het water van uw vijver natuurlijk ook laten testen door een vijverspecialist.

Plaats van de vijver

Om optimaal van een vijver te kunnen genieten, verdient het aanbeveling om een vijver zo dicht mogelijk bij het woonhuis aan te leggen. Omdat er in het vroege voorjaar een hoop valt te zien en te beleven kun je dit door het raam prima waarnemen. De beste plek voor een vijver is in de zon, omdat het vijverleven in het voorjaar dan direct goed op gang komt. Als de vijver van de buren niet in de zon, maar halfschaduw ligt, grapte Frans van der Graaf, dan kwaken de kikkers soms wel drie weken eerder bij u dan bij de buren. Voor wat betreft de grootte zijn niet direct richtlijnen, dat is een persoonlijke keuze; een vijver zou bijvoorbeeld zo groot kunnen zijn als nu bij u het gazon is. Hoe groter de vijver, hoe minder tuinonderhoud je hebt.

Voorgevormde vijvers of folie – filters/pompen en beplanting

U kunt naast voorgevormde vijvers ook gebruik maken van diverse soorten folie. Naast pvc folie is er ook rubberfolie, dat wat flexibeler is. Met folie kunt u uw vijver i.t.t. voorgevormde vijvers zo groot maken als u zelf wilt, omdat er stukken aan elkaar kunnen worden gelast.

Normaliter wordt er door de nieuwe vijverbezitter veel geld besteed aan allerlei filters en pompen, maar veel minder aan de beplanting die eigenlijk veel belangrijker is.

Veel voorkomende vijverproblemen

Door een verstoring van het biologisch evenwicht kunnen er allerlei problemen optreden. Veel van die problemen kunnen worden voorkomen door het plegen van onderhoud. Belangrijk is het bijvoorbeeld om in het najaar afgevallen blad uit de vijver te blijven verwijderen. Ook afgestorven plantendelen en resten dienen dan uit het water te worden verwijderd. Doet u dit niet dan zakt het naar de bodem en zal het daar gaan rotten. Bij dit proces is zuurstof nodig, dat broodnodig is voor alle goede organismen. Het rottingsproces produceert ook nog eens een biogas dat giftig is.

Belangrijk is het ook om de pomp uit de vijver te halen. Als die blijft draaien blijft er circulatie in de vijver. Dit is ongewenst, omdat de warme laag in de bodem, waarin veel dieren schuilen dan verdwijnt. In de winter is het belangrijk om de vijver met rust te laten. Zorgt u wel voor een wak (zonder te hakken), zodat schadelijke gassen weg kunnen. Bij sneeuwval is het verder belangrijk om die van het ijs te verwijderen, omdat er licht nodig is om de zuurstofplanten hun werk te laten blijven doen.

Algen

De aanwezigheid van algen uit zich door het groen kleuren van het water. In leidingwater - lees vijverwater - zitten van nature algen die door de warmte van de zon gaan groeien. Deze kleine organismen nemen voedingstoffen uit het water op en kleuren door fotosynthese groen. Als er zich in het water geen concurrenten bevinden, kunnen de algen ongelimiteerd doorgroeien. Dit probleem doet zich meestal in het voorjaar voor. Algengroei vindt plaats bij een watertemperatuur van 6ºC, terwijl zuurstofplanten pas bij 8 – 10º C aan de groei gaan. Meestal lost het probleem zich vanzelf op, als het laatste gebeurt. Dan moeten er natuurlijk wel planten aanwezig zijn, want de vorming van algen is te voorkomen door het gebruik van ondergedoken zuurstofplanten.

Troebel water

Hebt u vis in de vijver dan kan het zijn dat er te veel vis in zit. Vissen veroorzaken wervelingen in het water, waardoor het vuil op de bodem door het water gaat zweven. Terughoudendheid bij het uitzetten van vissen is daarom gepast. Ook de keuze van de vissoort is belangrijk. Verder is het, aldus Frans van der Graaf zo, dat hoe meer vissen er in de vijver zitten, hoe meer problemen de vijverbezitter heeft.

Ook een fonteinpomp en eenden kunnen debet aan het troebele water zijn. Het is dus verstandig om eenden uit de vijver te verjagen, omdat ze in enkele uren de hele vijver op zijn kop kunnen zetten. Hoe minder bewegingen in het water, hoe beter het is.

Draadalg (draadwier)

Dit wier ontstaat door sporen van buiten de vijver. Door blad wat in de vijver valt, komen de sporen o.a. in het water terecht. Deze sporen zakken naar beneden en gaan kiemen. Onder invloed van licht kleuren ze groen, omdat de cellen chlorofyl bevatten. Als u er niets aan doet zal dit wier alles gaan overwoekeren. Het is dus belangrijk om te zorgen dat het vijverwater zo arm mogelijk is en dat het zo min mogelijk fosfaten bevat. Draadwier is een van de bekendste wieren. Een te veel aan wier kan men het beste verwijderen met een stok, een netje of wc-borstel. Het weghalen (draaien) van dit wier kunt u het beste in het (vroege) voorjaar doen.

Bruin water

Grondwater voor het vullen van een vijver mag alleen worden gebruikt als er geen oer (ijzer) in zit. IJzer in het water zorgt voor de bruine kleur. Verder is het zo, dat zuur water door de aanwezigheid van algen niet groen kleurt, maar bruin.

Planten in en om de vijver

Naast de ondergedoken zuurstofplanten kunnen er in en om de vijver ook nog andere planten worden geplant. In hogere gedeeltes van de vijver en langs de oever zijn diverse plantensoorten mogelijk. Het is wel belangrijk om de juiste plantdiepte per plantsoort in acht te houden. Iedere plant kent zijn eigen plek in de vijver.

Enkele moeras- en oeverplanten

Dotterbloem

De gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris) is een vaste plant uit de ranonkelfamilie, die als eerste bloeit. Het is een echte oever- en moerasplant, die in moerasland, in nat grasland en langs waterkanten groeit. De bloeitijd van de dotterbloem valt samen met de paartijd van de bruine kikker.

Lythrum salicaria, kattenstaart

Dit is een vaste moeras- en oeverplant, die eind juli bloeit. Het is een makkelijke plant die ook zonder water goed gedijt. De hoogte van de plant is afhankelijk van de vochtigheidsgraad van de grond. De plant kan tot 1 meter hoog worden.

Butomus umbellatus, zwanenbloem

Deze moerasplant die trouwens beschermd is, heeft roze bloemen en doet het eigenlijk alleen maar goed in de klei. Alleen vijvergrond volstaat niet, omdat de plant dan onvoldoende voedsel tot zich kan nemen. Als de grond niet kleiig genoeg is, zal de bloei steeds meer teruglopen. U kunt de plant of ieder jaar opnieuw oppotten of extra klei aan de vijvergrond toevoegen.

Pontederia cordata, snoekkruid

Snoekkruid is een plant voor een moerasachtige situatie. Langs kleine vijvers wordt deze plant vaak gauw te groot. De plant bloei vanaf juli met diepblauwe bloemen.

Waterlelies 

Wie waterlelies in de vijver wil hebben, moet een zorgvuldige keuze maken. Goedkopere soorten hebben vaak niet alleen grote bladeren, maar ook een grote hoeveelheid blad. Beter is het te kiezen voor kleine soorten die speciaal op hun grootte geselecteerd zijn. Deze soorten zijn vaak wel wat duurder. Zo zijn er kleinere soorten, die genoeg hebben aan een waterdiepte van 20 cm. Belangrijk is echter wel om goed het plantetiket te lezen en de juiste waterdiepte aan te houden, want waterlelies maar ook andere planten die te diep geplant zijn, kunnen als het ware verdrinken en zullen weinig presteren. Het is dus belangrijk om de juiste waterlelie op de juiste plaats te zetten. De standplaats voor waterlelies is veelal zonnig en deze plant houdt vooral niet van spetterend water.

Onderhoud

Waterlelies moeten tussen de een en drie jaar worden opgenomen en gescheurd. U kunt nieuwe groeipunten terugplanten in een mandje. Een groeipunt zit aan het einde van de wortelstok. Dit kan in het vroege voorjaar gebeuren. Het schoonmaken van de hele vijver(bodem) kunt u het beste in het najaar doen. Als u het groeipunt in de hoek van het mandje zet, heeft de wortelstok langer nodig om uit de mand te groeien. Laat u de waterlelies te lang in het mandje zitten dan komen ze na 5 tot 6 jaar boven drijven. Door de hoeveelheid aan lucht in de aangemaakte wortels stijgt de opwaartse druk en gaat de plant drijven. Als waterlelies klein blijven of slecht groeien, dan kan er sprake zijn van voedselgebrek of de plant kan te diep staan.

Dieren in en om de vijver

In en om de vijver kunt u veel dieren aantreffen, zoals reptielen, amfibieën, vissen, insecten, vogels en zoogdieren.

Amfibieën

Als er sprake is van een goed biologisch evenwicht zullen kikkers en salamanders meestal van zelf komen. Wilt u geen kikkers of salamanders dan dient de vijverrand minstens 60 cm boven grondniveau te liggen. Verder hebben kikkers en salamanders een hekel aan teveel vis in de vijver.

De bruine kikker verschijnt al vroeg in het jaar. Het is een tamme kikker die je zelfs kan aaien. De groene kikker verschijnt anderhalve maand later, omdat hij langer in winterslaap blijft. Het is een schuwe kikker die in juni paart. Hij heeft een grotere snuit en grotere kieuwen dan de bruine kikker en hij heeft een groene streep over zijn lijf. Padden paren in dezelfde tijd als de bruine kikker.

Watersalamanders komen vanzelf als er niet te veel vis in de vijver zit. Ze leven op het land, maar in de winter schuilen ze in het water en paren er ook.

Vissen 

Het aantal vissen in de vijver is afhankelijk van de grootte van de vijver, maar ook de diepte en de grootte van de vissen. Het is verstandig om rustig te beginnen. Goudvissen zijn alleseters, die zowel insecten, wormen als plantaardige voeding. Het zijn sterke vissen. Goudwindes zijn oppervlaktezwemmers en houden van snelstromend water vooral bij de paring. Ze kunnen hoog springen en eten hun eigen jongen, als er niet genoeg schuilplaatsen in de vijver zijn. De goudelrits is een vijvervis die zich gemakkelijk voortplant. Hij zoekt zijn eten aan het wateroppervlak en blijft ongeveer 10 cm. Het is een geschikte vis om in wat grotere aantallen uit te zetten in de vijver of om mee te beginnen in een nieuwe vijver. Volgens Frans van der Graaf beleef je aan de zonnebaars weinig plezier. Mensen willen deze vis in de vijver hebben omdat hij, naar zeggen, de larven van de geelgerande watertor eet. Hij eet echter ook salamanders en kikkervisjes.

Insecten

In en boven het water leven veel insecten. Enkele soorten zijn: de libelle, de waterjuffer, maar ook de waterluis. Verder zult u er Poelslakken, kevertjes in diverse maten en soorten en schaatsenrijders aantreffen. Ook muggen zijn graag in de buurt van de vijver omdat ze hierin hun eitjes leggen en de muggenlarven erin opgroeien. Uit de in het water gelegde eitjes komen zwarte of bruine muggenlarven tevoorschijn. Muggenlarven filteren kleine eencellige algen en diertjes uit het water en vormen zelf een belangrijke bron van voedsel voor andere diertjes en vissen. De meesten bevinden zich direct onder het wateroppervlak omdat hier het meeste zonlicht en de grootste concentratie zuurstof aanwezig is.

Vogels

Dat reigers vaak een probleem zijn, bleek wel uit de reactie van de aanwezigen. Suggesties om reigers te weren zijn het spannen van draadjes met belletjes om de 60 cm, het plaatsen van nepreigers of het gebruik van elektronische waterspuwers. Of deze middelen helpen is echter de grote hamvraag.

Een probleem dat reigers, naast het vangen van vissen, veroorzaken is het lek prikken van de vijverfolie. Hebt u een lek, dat door een reiger is gemaakt, let u er dan op dat er eigenlijk altijd twee gaatjes dicht bij elkaar zitten.

Een merel wast zich graag en als het kan in de vijver. Hij laat bij het wassen niet alleen plantenresten in het water achter, maar hij eet ook graag kikkervisjes.

Zoogdieren

Het komt nogal eens voor dat egels, bij het drinken, in het water vallen. De zogenaamde egeltrapjes zijn echter flauwekul, omdat een egel die in het water valt niet weet dat er ergens een egeltrapje is.

Aangevreten vis in de vijver is niet altijd het werk van een reiger. Ook een kat kan voor ellende in de vijver zorgen.

Reptielen

Er bevindt zich ook nog wel eens een addertje onder het gras in de vorm van een ringslang. Vooral tussen wilde oeverbegroeiing kunt u de ringslang aantreffen (rond de afsluitdijk). In onze omgeving (westen van het land) komt de ringslang niet voor. Hij is niet giftig of gevaarlijk.

Aan het einde van deze interessante lezing gaf Frans van der Graaf nog wat tips over het bezoeken van vijvertuinen.

De botanische vijvertuin ‘Waterflora Ada Hofman’ is een bezoek meer dan waard. Het hieraan verbonden vijverplantencentrum Natalie Hofman is gespecialiseerd in zuurstofplanten (http://www.vijverplantencentrum-nataliehofman.com). Ook interessant zijn de vijvertuinen in de Tuinen van Appeltern en Stapely Water gardens in Nantwich/South Cheshire, Engeland. (http://www.stapeleywg.com)

Anneke Duyvesteijn

Verslag naar de Weledatuinen in Zoetermeer op 1 mei 2010

 

De excursie

Om als mens in harmonie met de natuur te leven is het belangrijk om te weten welke schatten de natuur ons biedt en hoe die toegepast kunnen worden. Deze kennis is er altijd al geweest, maar door allerlei oorzaken zijn veel mensen niet meer bekend met het gegeven dat veel planten niet alleen een mooie sierwaarde hebben, maar ook nog eens een geneeskrachtige werking. Om als mens in deze hectische tijden daarom weer wat dichter bij de natuur te komen, was het interessant om een excursie naar de Weledatuinen in Zoetermeer te maken.

 

In harmonie met mens en natuur

Op zaterdagmorgen 1 mei was het zover en tot een ieders verbazing lagen de Weledatuinen midden in een industriegebied in Zoetermeer. Na een hartelijk welkom door de hoofdtuinman in eigen persoon, Jan Graafland, vertelde hij eerst het een en ander over de geschiedenis en de filosofie achter de Weledatuinen. De Weledatuinen Nederland zijn een 100 % dochter van het Zwitserse Weleda, dat vestigingen over heel de wereld heeft. Dit bedrijf vindt zijn eigenlijke wortels in Den Haag, waar Ita Wegman, een Nederlands antroposofisch arts, vandaan komt. Zij zette in Arlesheim in Zwitserland een laboratorium op dat er op was gericht om geneesmiddelen vanuit de antroposofische beginselen te ontwikkelen. Het daaruit ontstane bedrijf ging in 1923 Weleda heten. Weleda, de naam van een Keltisch-Germaanse priesteres, was bedacht door de grondlegger van de antroposofische leer, Rudolf Steiner, die ook aan dit bedrijf verbonden was. De filosofie van Weleda is: in harmonie met mens en natuur. Door het produceren en verhandelen van natuurzuivere, mens- en diervriendelijke middelen wil Weleda bijdragen aan de gezondheid van de mens en aan een gezonde aarde. De ingrediënten die in de lichaamsverzorgingsproducten en (zelfzorg)geneesmiddelen zijn verwerkt, zijn daarom 100 % natuurlijk en zoveel mogelijk biologisch of biologisch dynamisch geteeld.

   

Biologisch dynamisch

Biologisch dynamisch telen betekent dat de aarde zorgvuldig wordt gevoed en verzorgd, waarbij een kringloop van dier, mens en plant wordt nagestreefd. Kunstmest en bestrijdingsmiddelen zijn hierbij ongewenst. Bij de biologisch dynamisch teelt houdt men voor en tijdens het verbouwen van de gewassen in alle opzichten rekening met de invloeden vanuit de natuur en de kosmos. Zo wordt rekening gehouden met het stijgen en het dalen van de maan en de zon. Met het oog hierop is het bijvoorbeeld niet verstandig om vanwege de sapstroom te snoeien bij stijgende maan, wel kiemen zaden dan goed. Zaaien doet u bij dalende maan als de krachten naar de aarde zijn gericht. Het stijgen en dalen van de zon heeft door de seizoenen heen weer effect op de groeicyclus van planten: het kiemen, de groei van stengel en bladeren, de bloei en uiteindelijk het vormen van zaad.

Soms helpt de natuur ook een handje bij het wieden en wel in de vorm van de in de tuin aanwezige fazanten en konijnen die bepaalde gewassen tot bijna aan de grond afvreten.

In de tuinen geeft Jan Graafland alleen water als het echt noodzakelijk is, maar laat ook dit liever aan de natuur over. Verder maken Jan en zijn medewerkers ook hun eigen potgrond en natuurlijk zijn er ook een aantal composthopen, want in een tuin op deze basis is de humus in de compost onontbeerlijk voor het voeden van de bodem. De basis voor deze composthopen is natuurlijk het tuin- en productierestmateriaal. Hiermee is de cirkel dan weer rond.

 

De tuinen in Zoetermeer

De Weledatuinen in Zoetermeer zijn 15 jaar geleden vanuit de van de Spiegelstraat in Den Haag verhuisd naar de locatie in Zoetermeer, midden op een industrieterrein; een plaats waar u een dergelijke tuin niet zou verwachten. Financiële middelen en logistiek lagen ten grondslag aan de keuze voor het terrein, dat voorheen boerenland (oude zeeklei) was. Nadat met kapmessen ongewenst kruid zoals distels, kruiskruid en zuring van het land was verwijderd, ontstond er een kruidentuin voor de teelt van geneeskrachtige kruiden. Deze tuin die rondom het gebouw ligt, bestaat uit drie delen. Naast de assortimentstuin, is er de productietuin, waar Jan met zijn medewerkers plantensoorten teelt die bestemd zijn voor de productie van de diverse Weledaproducten. Deze tuin heeft bedden met standaardafmetingen met daar tussen in paden van gras. In deze bedden, maar ook in de rest van de tuin groeien planten, waarvan de meeste inheems zijn, zoals: het driekleurige viooltje (Viola tricolor); Roomse kamille (Anthemis nobilis); de goudsbloem (Calendula officinalis) en echte valeriaan (Valeriana officinalis). In totaal gaat het om ongeveer 50 soorten.

Al deze planten hebben hun eigen specifieke aanpak nodig, maar hebben ook een eigen verhaal. Zo is Roomse kamille een tredplant d.w.z. dat het een plant is die het beste gedijt op betreden plaatsen. Als dit plantje wordt gekweekt wordt de bodem gewalst om dit betreden gebied te simuleren.

In de Wilde weide staan moerasachtige wilde planten (o.a. smeerwortel (Symphythum officinale) en grote engelwortel (Angelica archangelica)). Ook is er een kleine verwarmde kas voor het opkweken van het plantmateriaal en de verzorging van enkele tropische geneeskrachtige planten en een grotere koude kas voor het afharden van plantmateriaal en overwintering van niet winterharde planten.

 

De oogst en verwerking

Relatief gezien zijn er maar weinig bedrijven bezig met het maken van producten op basis van kruiden. Naast Weleda heb je in Nederland bijvoorbeeld nog de tuinen van Dr. Vogel in Harderwijk en de tuinen van VSM bij Alkmaar. Dit komt omdat sinds de opkomst van de chemie de industrie is begonnen met het nabootsen van de werkzame stoffen van planten. Toch is de industrie niet in staat om alle stoffen na te bootsen. Een goed voorbeeld hiervan is Digitalis, vingerhoedskruid dat heilzaam is bij hartkwalen. Ook geurstoffen die vaak uit heel veel componenten bestaan zijn nog niet 100% na te bootsen.

Voor het maken van de producten is veel plantmateriaal nodig. Dit kunnen naast blad ook zaden en wortels zijn. Dit is per soort verschillend. In Zoetermeer staat voor 2010 bijvoorbeeld een oogst van 140 kilo Calendula op het programma en van Viola tricolor wordt ongeveer 500 gram geoogst. Als uitgangspunt wordt gebruik gemaakt van de plant in zijn totaal. De plant maakt met zijn heilzame stoffen als het ware een gebaar en daar moet met respect mee om worden gegaan. Door de gebaren van planten te herkennen halen we, aldus Jan Graafland, de natuur naar ons toe. Eigenlijk zijn de Tuinen in Zoetermeer daar, door de locatie in een industriële omgeving, het levende voorbeeld van.

 

De wandeling

Na de interessante inleiding van Jan Graafland die ook nog allerlei vragen opriep, gingen de deelnemers onder leiding van Jan de tuinen in. Hoewel de ochtend regenachtig was begonnen, werd het geleidelijk droog en was er zelfs op het laatst nog wat ruimte voor een waterig zonnetje. Die regen was misschien jammer, maar voor de planten in de tuin was het een weldaad na de ruim drie weken van droogte. Enthousiast leidde Jan Graafland de deelnemers langs de vele planten, waarvan er veel, door de lange winter, nog niet in bloei stonden. Dat was echter niet belangrijk gezien de interessante informatie die Jan met de groep deelde. Bij elke plant had hij wel een grappig of informatief verhaal. Zoals het verhaal bij Datura, de doornappel, een plant die bekend staat als een heksenkruid. De vraag die Jan hierbij stelde was: waarom heksen kunnen vliegen?! Volgens overleveringen zou de doornappel door heksen gebruikt zijn in hun vliegzalf. Een betere verklaring is volgens Jan dat door het insmeren van hun onderlijf met deze zalf, het leek alsof hun bovenlijf los van de grond kwam. De stoffen in Datura hebben namelijk een verlammende werking.

Een ander grappig fenomeen waren de ‘overjarige’’ klapstoelen die op hoge palen bij de composthoop de aanwezige hopplanten als het ware uitdaagden er een plaatsje in de hoogte te zoeken. Over composteren kon Jan ook veel vertellen. De beste composthoop is ongeveer 1 kubieke meter groot en zou moeten bestaan uit 50 % dood (bv. biologische koffieresten, riet) en 50% levend materiaal (gras e.d.).

 

Aan het einde van de wandeling ging Jan Graafland nog in op de manier waarop een plant zich ontwikkelt: stengel – blad - bloem en de verschillende fases daartussen. Aan de hand van een afgesneden pioenroos legde Jan de ontwikkeling uit die door de dichter Goethe, die ook veel natuurwetenschappelijk onderzoek heeft verricht, bestudeerd en beschreven is. De ontwikkeling van planten is een chronologisch proces, waarbij elke vorm verschilt van de andere, maar toch een onderlinge verwantschap vertoont.

Geestelijk gelaafd en ontspannen door de frisse wandeling gingen de deelnemers vervolgens naar huis, nadat ze ook nog eens verwend waren met een pakketje met weldadige proefmonstertjes van wat Weledaproducten. Bent u nieuwsgierig geworden en wilt u ook eens een kijkje nemen in de Weledatuinen surft u dan naar www.weleda.nl en kijkt u dan onder de kopjes ‘over Weleda’ en ‘meer beleven’.

 

Anneke Duyvesteijn

Winterharde exoten

Verslag van de lezing van Gert Jan Jansen over winterharde exoten voor tuin en terras

Een eigen stukje paradijs

Terug uit warme en verre landen, met een hoofd vol botanische ontdekkingen, wenst iedere tuinbezitter wel eens dat zijn tuin zou veranderen in een stukje paradijs vol tropische gewassen en heerlijke vruchten. Je eigen bananen en citroenen plukken wie wil dat nu niet?! Met de juiste kennis is die wens toch niet zover weg als u denkt, mits u zich maar aan de regels houdt. Gert Jan Jansen, die 20 jaar leiding heeft gegeven aan Xotus in Den Haag, weet daar, met zijn daar opgebouwde ervaring, alles van. Niet voor niets was hij dan ook te gast bij Groei & Bloei afdeling Westland om een tipje van de sluier op te lichten.

Over Gert Jan Jansen

Momenteel is hij eigenaar van Hof van Twello (www.hofvantwello.nl), een unieke boerderij in het oosten van het land. Dit bedrijf met een missie en een visie maakt zich o.a. sterk voor het ontwikkelen van lokale economie (Denk globaal, eet lokaal! (waar het kan)). In het Hof van Twello werken bedrijven en organisaties samen op het gebied van recreatie, natuurontwikkeling, voedsel en energie. Er worden niet alleen cursussen, maar ook excursies, proeverijen en activiteiten voor kinderen georganiseerd. Gert Jan Jansen heeft Tropische Landbouw in Wageningen gestudeerd (aangevuld met tuinbouw), maar kwam na 2 jaar in Mexico tot de conclusie dat hij in de tropen niets te zoeken had. Wel gebruikte hij zijn kennis om het voormalige werkgelegenheidsproject Xotus uit te bouwen tot één van de grootste teeltbedrijven van exotische groenten in Europa. Nu terug in Twello is Gert Jan, zoals hij zelf zegt, aan een fantastisch tweede leven begonnen, waarin hij zich vooral bezig houdt met exoten en eetbare wilde planten. Door hem werd in dit kader het boek van Laurette van Slobbe ‘Eten en drinken met wilde planten’ aanbevolen. Trots is hij ook op de prijs die hij uit handen van Minister Verburg van Landbouw mocht ontvangen m.b.t. het versterken van de biodiversiteit. Het aan deze prijs verbonden bedrag van € 50.000, - is gebruikt voor het werken aan nieuwe gewassen voor kleinschalige toepassingen. In dit kader worden o.a. bedreigde wilde plantensoorten geteeld, zodat ze minder bedreigd zijn en de biodiversiteit als het ware wordt vermarkt.

Winterharde exoten

Na deze introductie nam Gert Jan Jansen de aanwezigen mee op reis door een tropische wereld vol planten die ook in ons koude kikkerland met succes in de tuin of op het terras gehouden kunnen worden. Denkt u hierbij aan planten als waaierpalmen, bananenbomen, bamboe en boomvarens, die zelfs het meest kleine lapje grond tot een waar tropisch en altijd groen paradijs kunnen omtoveren. Toch heeft een wintergroene tuin zijn beperkingen, want de wisseling van de seizoenen ontbreekt en hoewel een dergelijke tuin altijd zijn ideaal was heeft Gert Jan Jansen er naarmate hij ouder werd toch enige aversie tegen gekregen. Terecht merkte hij verder op, dat terwijl wij deze gewassen aanplanten omdat we ze mooi vinden, het in de gebieden waar ze van oorsprong groeien nuttige gewassen zijn, waar de lokale bevolking van moet leven.

Een waaierpalm die redelijk veel vorst verdraagt is Trachycarpus. Deze palm kan een behoorlijke kruin ontwikkelen, waarin zelfs vogels kunnen nestelen. Bij deze plant geldt als regel dat hoe korter de bladschijven zijn, hoe meer winterhard de soort is. Sterke waaierpalmen zijn Trachycarpus fortunei en T. wagnerianus. Verstandig is het om een dergelijke palm in een iets verhoogd bed te planten en in goed doorlatende grond. Denkt u er ook aan om voldoende ruimte aan de wortelkluit te geven. Mocht u bij strenge vorst toch uw bedenkingen hebben, pakt u de palm dan in met doorlatende stof (bijvoorbeeld vliesdoek), waarmee de plant zichzelf warm houdt.

Goed winterhard is ook de vezelbanaan, Musa basjoo, waarvan de vruchten niet eetbaar zijn. Soms kan het bij strenge en langdurige vorst gebeuren dat deze plant boven de grond afsterft, maar meestal loopt hij vanuit het groeipunt onderaan weer prima uit. Deze banaan maakt ook veel jonge scheuten, die goed te stekken zijn. Om invriezen te voorkomen kunt u de stam (eigenlijk schijnstam) inpakken. Eveneens wintergroen en winterhard is de vingerplant, Fatsia japonica die een aardig stootje kan hebben.

Mooi maar niet altijd even winterhard zijn yucca-achtige planten. Een mooi voorbeeld is Yucca rostrata met grijsgroene bladeren en witte bloemen in trossen. Het is verstandig om deze planten in te pakken.

De palmvaren, Cycas revoluta, die in Japan vaak bij tempels te vinden is, is ook niet winterhard en overwintert graag binnen. In de zomer houdt deze palmvaren van een plaats in de halfschaduw.

Dicksonia antartica, boomvaren, kan de Hollandse winter meestal goed doorstaan. Wel is het verstandig om bij strenge vorst de kop van de plant met vliesdoek in te pakken. In heel strenge winters, zoals die van 1996 kan het jammer genoeg wel eens fout gaan.

De Chileense Blechnum chilensis, een groenblijvende varen met donkergroen leerachtig blad die

een tot twee meter hoog kan worden, kunt u het beste als kuipplant behandelen.

Een andere opvallende wintergroene exoot is Eucalyptus. Eucalyptus gunnii die redelijk winterhard is heeft in de strenge winter van 1995 – 1996 echter op tal van plaatsen het loodje gelegd. Een goed alternatief is E. niphophila die bestand is tegen - 20 graden. Het is niet de snelst groeiende van de Eucalyptusbomen, maar op den duur kan de boom toch een behoorlijke lengte krijgen Nog winterharder zijn selecties van Eucalyptus debeuzevillei. Eucalyptusbomen die het hier goed doen, komen uit de bergen van Australië, waar de winters zeker net zo koud zijn als hier.

 

Populair is ook de vijg, waarvan Ficus ‘Brown Turkey’ toch wel het beste ras is. Deze vijg geeft ondanks ons Hollandse klimaat veel vruchten.

De olijfboom blijft riskant, hoewel deze in het westen van het land minder risico loopt dan in het oosten. Een olijf rijpt hier echter niet af.

 

Echte oranjerieplanten zijn laurier en de sinaasappel. Laurier is als een van de oudste oranjerieplanten absoluut winterhard. Gert Jan Jansen heeft de plant zelf al tientallen jaren zonder probleem in zijn tuin staan. Planten als laurier zet u liever niet in de volle zon maar op een plaatsje in de halfschaduw. In de volle zon zouden ze in de winter te veel verdampen en daardoor het onderspit moeten delven.

Hoewel de sinaasappel een van de oudste oranjerieplanten is doet de citroen het als kuipplant beter. Citrus meyeri is een mooie terrasplant die ook nog eens heerlijk ruikt. Overwinteren kunt u Citrus het beste op een koele plek, dus niet in de kamer (5ºC, kan wel wat vorst verdragen). Mooi is ook Citrus ‘Quatre Saisons’ met gestreepte vruchten. De citroen is vrij makkelijk in bloei te krijgen. Er kunnen zelfs echte citroenen aan komen.

Een andere vruchtdragende plant is de papaya: Carica papaya. De smaak van verse papaya is heerlijk en omdat papaya eigenlijk moet afrijpen aan de stam is de malse maak van de verse vrucht niet te evenaren. Carica papaya en C. pentagona (babaco) kunt u het beste als kuipplant behandelen. Bloei en vruchten zijn in ons land alleen te verwachten als u papaja kweekt in een warme serre of kas. De planten kunnen in de zomer eventueel naar buiten.

Een smaakmaker van allure is de peperplant, piper nigrum. Zwarte peperkorrels zijn de bessen van deze tropische plant. Witte peperkorrels zijn de witte zaden die in de zwarte bessen opgesloten zitten. Spaanse peper of rode peper behoort tot het geslacht Capsicum van de nachtschadefamilie (Solanaceae). Deze plant heeft dus niets te maken met peper d.w.z. piper nigrum. Vanwege de smaak is deze plant door de Spanjaarden in Mexico 'pimento' genoemd, wat peper betekent.

Sommige mensen zijn gek op de vruchten van de Duitse mispel, Mespilus germanica. Deze vruchten zijn het lekkerst als ze zacht en bruin zijn (rot). De loquat of Japanse mispel is een verwante soort die ook wel als "mispel" wordt verkocht. Deze mispel kunt u in tegenstelling tot de Duitse het beste in een vorstvrije serre houden.

Punicum granatum, granaatappel draagt ook vrucht en doet het eveneens goed in de tuin. Wel dient u de voet van de plant in de winter goed af te dekken. Leuk is ook Punicum granatum ‘Nana’ met kleine bloemetjes.

De vruchten van cactussen, zoals die van de schijfcactus zijn ook eetbaar. De cactusvijg wordt ook wel woestijnvijg genoemd. Cactussen passen ook prima in een wintergroene tuin en een aantal soorten zijn goed winterhard.

Van de passiebloemen is Passiflora caerulea, de enige echt winterharde soort. Deze klimmer sterft soms tot de grond toe af, maar loopt op de wortels weer uit. Eetbaar is de vrucht van Passiflora edulis. Dit kleine wondertje van bewaarkunst heeft een van de meest geconcentreerde smaaksappen. Deze passiebloem is bij ons niet winterhard.

 

In een wintergroene tuin met tropische planten passen ook bloeiende exoten. Hiertoe behoort ook Canna. Canna’s blijven tegenwoordig steeds vaker tijdens de winterperiode in de volle grond staan. Er zijn tegenwoordig ook meer echt winterharde soorten te krijgen. Met deze planten is het mogelijk om met weinig moeite tropische sferen te creëren. Ook Agapanthus kunt u afgedekt buiten laten overwinteren, vooral de kleinbloemige soorten. Op een beschutte plaats is in de zomer Callistemon, lampenpoetser een aanrader. Deze plant bloeit makkelijk en lang.

Mooi, maar moeilijk teelbaar zijn Geranium madeirense en Geranium canariensis. Deze geraniumsoorten kunt u het beste als kuipplant houden.

Strelitzia kunt u in de zomer buiten zetten en in de winter als kuipplant behandelen. Deze plant kan zelfs de kamer in.

Een van de laatste exoten die aan de orde kwam,  was de Arbutus unedo, de aardbeiboom, die groenblijvend is en winterhard en in tegenstelling tot andere exoten wel in de zon kan.

Bij de overige exoten is het advies om te zorgen voor voldoende zonlicht maar volle zon te mijden. Ook is een goede gronddrainage van planten die in de volle grond overwinteren onontbeerlijk. Ook beschutting tegen de noordoostenwind is belangrijk.

Voldoet u aan al deze voorwaarden dan liggen ook de tropen voor u in de achtertuin binnen handbereik!

 

Anneke Duyvesteijn

Zaaien

Lezing: Tuinieren uit een zakje van 10 februari 2005

 

Op donderdag 10 februari 2005 heeft de heer Ton Vreeken van Vreeken’s zaden uit Dordrecht een lezing gehouden onder de titel:  ‘Tuinieren uit een zakje’.

Door de heer Vreeken werd allereerst in het kort ingegaan op de historie van deze bekende zaadhandel, die al vanaf 1926 te vinden is in de Voorstraat 448 in Dordrecht. Na zijn opa en vader is de heer Vreeken de derde generatie die zich in de handel van zaden heeft gestort.  Opa Vreeken, die een passie voor groentezaden had, is een van de eerste geweest die de wetten van Mendel toepaste.

De Oostenrijkse Augustijner monnik GEORGE MENDEL, geboren in 1823 bestudeerde het probleem van de overerving van enkelvoudige kenmerken bij kruisingen (voornamelijk bij erwten en bloemen) en formuleerde zijn besluiten van zijn kruisingsproeven in  wetten die heden ten dage nog van belang zijn voor de erfelijkheidsleer. In de praktijk houdt dit in dat er door kruisingen sneller nakomelingen kunnen worden ontwikkeld, die extra goede eigenschappen hebben, dan door het selecteren van zaden.

Sinds 1983 heeft Ton Vreeken het bedrijf overgenomen en heeft sinds die tijd het assortiment danig weten te vergroten. Door de introductie van fax en later het internet staan inmiddels de poorten naar de wereld wijd op en heeft Vreeken’s zaden contact met veel beroemde zaadhuizen over de hele wereld.

In zijn lezing is de heer Vreeken allereerst ingegaan op de verschillende soorten zaden.

T.a.v. de eenjarige bloemzaden merkte de heer Vreeken op dat het eenjarigen planten zijn die botanisch gezien in één jaar groeien, bloeien en afsterven. Het kunnen echter ook planten zijn, die overblijven, maar waarvan men elk seizoen eigenlijk liever nieuwe jonge planten wenst. Eenjarigen komen vaak uit een sub-tropisch tot tropisch klimaat en zijn meestal kruidachtig (zonder houtig skelet). Verder hebben eenjarige bloemzaden warmte en vocht  (en zuurstof) nodig om te ontkiemen en de kiemrust van de zaden weer te doorbreken. Deze kiemrust van zaden maakt het trouwens mogelijk dat zaden na droging kunnen worden verhandeld.

Een aantal eenjarige bloemzaden hebben minder warmte voor de ontkieming nodig en kunnen direct in de volle grond worden gezaaid. Deze informatie is meestal  op het zakje te vinden. Ook wordt aangegeven, dat de zaden dienen te worden voorgezaaid. Staat er niets vermeld, dan betekent dit dat er in de volle grond kan worden gezaaid. In potten kan men echter altijd zaaien.

Voor het zaaien in de volle grond is april meestal de goede maand. Wanneer in april is toch enigszins afhankelijk van de weersomstandigheden: hoe nat is de grond, valt er veel regen e.d. Natte grond is namelijk ook koude grond en het is dan beter te wachten tot er wat drogere dagen komen. Als men ter plaatse zaait is het verstandig om op de plaats van het nieuwe zaaibed een zakje  goede grond door de bovenlaag te mengen. Grote grove zaden dienen wat dieper in de grond te worden gestopt dan wat fijner zaad.  Heel fijn zaad kan men het beste mengen met wat zilverzand, dat in zakjes bij bouwmarkten e.d. te verkrijgen is. In ieder geval is het belangrijk dat de zaden goed contact met de aarde maken. Na het zaaien dient de grond te worden aangedrukt. Het is ook belangrijk om niet te veel zaad te gebruiken, omdat de zaailingen na opkomst met elkaar moeten gaan concurreren. Bij grote zaden is het verstandig ca. 5 cm per zaadje te gebruiken. Na het zaaien wordt er een lap over het zaaibed gelegd (kan jute zak, acryldoek, oude theedoek o.i.d. zijn) om te voorkomen dat de grond uitdroogt door de zon en slagregens het zaad wegspoelen. Deze lap geeft tevens de plaats van het zaaibed aan. Door in de volle grond te zaaien is er direct vanaf het begin sprake van optimale lichtomstandigheden. Als er te veel zaad is opgekomen zal men moeten dunnen d.w.z. zaailingen er tussenuit moeten halen. Als het zaad opkomt kan de doek worden verwijderd. In het zaaibed kan men vooral bij hogere soorten wat snoeihout steken.

Voorzaaien van zaad wordt gedaan om de bloeitijd van planten naar voren te halen. Het gaat hierbij om zaad dat extra warmte nodig heeft om te ontkiemen (warmtekiemers). In de volle grond zouden deze planten pas laat in het seizoen te bloei komen. Om voor te zaaien heeft men een plekje nodig waar het warm is. Het hoeft niet persé licht te zijn. Licht is niet altijd nodig, behalve als het aangegeven wordt. Er is hier dan sprake van lichtkiemers. Het hoeft ook niet dag en nacht warm te zijn, maar te veel temperatuurverschil is schadelijk. Gewenste temperatuur overdag: 20 - 25º C en ‘s nachts 10 – 12º C. Het makkelijkst zaait men in een z.g. zaaibak met of zonder verwarming. Het gebruik van een bakje met glasplaatje of folie is ook mogelijk, maar dan moet men veel meer rekening houden met condensvorming. Bij een zaaibak kan men schuifjes openzetten, waardoor het vocht weg kan. Men zal in het geval van een glasplaatje dit regelmatig moeten keren. Het is belangrijk om regelmatig te controleren of het zaad al opkomt. Als het zaad opkomt kan het zaaibakje op een wat koelere plaats van ongeveer 15º C worden gezet; in ieder geval niet koeler anders kan het zaaisel gestresst raken en duurt verdere kieming veel langer. Omdat licht groeiremmend werkt zal er op de koelere plaats ook voldoende licht moeten zijn; men kan in een koelere kamer ook gebruik maken van T.L.-balken. De schuifjes van de zaaibak  kunnen dan worden geopend en na een paar dagen kan het dekseltje worden verwijderd. Ook dit proces dient met beleid te gebeuren, omdat het zaaisel langzaam aan de wat drogere lucht in de ruimte kan wennen. Zet u het zaaisel niet direct in de zon; het kan namelijk heel makkelijk verbranden. De optimale kiemtemperatuur voor eenjarigen ligt tussen de 18 - 25º C. Is het warmer dan stopt de kieming.

 

Om met succes te zaaien is het belangrijk om een goed grondmengsel te gebruiken, omdat zaden er soms lang in kunnen zitten. Het is verstandig om een luchtig mengsel te gebruiken (potgrond is meestal te vast van structuur) van bijvoorbeeld 3 delen cocopeat of gezeefde turfmolm gemengd met één deel rivier- of zilverzand.  Liever gebruikt de heer Vreeken tegenwoordig cocopeat dan turfmolm. Turfmolm is niet alleen wat zuur, maar het afsteken van turf heeft ook een grote impact  op de natuur. Veel turfgebieden zijn gesloten en er moet nu zelfs turf uit Rusland komen. Cocopeat is gecomposteerde kokosvezel  en is als zodanig een uitstekend natuurvriendelijk alternatief. Cocopeat is in geperste blokken bij Vreeken’s zaadhandel te verkrijgen en is onder warmte samengeperst en steriel. Het toevoegen van zand is nodig om het mengsel wat steviger te maken.

Super fijn zaad kan men ook met twee theelepeltjes talgpoeder mengen, waarna het zaad alleen maar behoeft te worden aangedrukt. Voor grof zaad maakt u een rijtje door bijvoorbeeld een deel van een duimstok in de grond te drukken. Grof zaad dient wel te worden afgedekt en wel zodanig dat volledig omgeven wordt door grond. Na het zaaien is het belangrijk om de grond vochtig te maken door te nevelen met lauw tot warm water (stoppen als er een plasje ontstaat).

Als het zaad niet snel ontkiemt (door bijvoorbeeld lange kiemtijd) bestaat er na ongeveer een maand grote kans dat er schimmelvorming zal optreden, ondanks dat de samengeperste cocopeat bijvoorbeeld steriel is. In de lucht en in het zand kunnen namelijk ook schimmelsporen zitten. Het witte pluis dat de aanwezigheid van de schimmel kenmerkt kunt u met een lepeltje verwijderen. Ook kunt u wat in het grondmengsel ‘rommelen’. Om schimmelvorming te voorkomen kunt u preventief bij de eerste verneveling een tabletje SUPEROL in het water oplossen.

Het ontstaan van schimmelvorming bij snelle zaaisels zal bij het gebruik van een goed zaaimedium echter niet voorkomen.

 

Koelkiemers ook wel koude kiemers zijn vooral meerjarige planten. De zaden van deze planten hebben eerst een periode van kou nodig om tot ontkieming te komen en de kiemrust te doorbreken. Een en ander heeft te maken met de plaats waar de planten oorspronkelijk vandaan komen. Aconitum is bijvoorbeeld zo’n koude kiemer. Dit zaad kan het beste in september in pot of zaaibak te worden gezaaid  en moet na eerst op een warme vochtige plaats te hebben vertoefd vervolgens in een onverwarmde schuur of onder een afdak te worden gezet, zodat het in het voorjaar kan ontkiemen. Gaat u het zaad pas in april/mei zaaien dan is het verstandig om het zaad na vier weken warmte te hebben gegeven, 6 weken in de koelkast op ca. 4º C te bewaren. Heel veel vaste planten worden op deze manier gezaaid. Soms blijven zaden zo hardnekkig in hun kiemrust dat deze werkwijze soms wel 2 keer moet worden herhaald. Bij Helleborus- en Cyclamenzaad kan dit nog wel eens voorkomen.

Als bepaalde zaden na vier weken warmte niet ontkiemen en u niet zeker weet of het koelkiemers zijn dan kunt u ze alsnog 6 weken een koudebehandeling geven. Baat het niet dan schaadt het niet!

Het komt soms voor dat er koelkiemers al in de eerste vier (warme) weken wat ontkieming plaatsvindt; dit zijn de z.g. pioniers. De opgekomen plantjes moeten dan eerst doorgroeien en worden verspeend. Het overige zaad kan dan na de warme periode van minimaal drie weken in de koelkast voor 3 – 6 weken. Na deze periode is het verstandig het zaad rustig op te warmen (niet in de zon) en kan er na enkele weken kieming volgen.

 

Tropische zaden hebben soms speciale hulpmiddelen nodig om te ontkiemen. Vele zaadsoorten kiemen namelijk beter wanneer de zaadhuid beschadigd wordt, om vocht door te laten, want alleen als de zaden met vocht en warmte (of koude, hangt van zaad af) in aanraking komen kunnen ze ook kiemen. Voorzichtig schuren tussen twee schuurpapiertjes of met een vijltje beschadigen zijn twee mogelijkheden. Soms moet zelfs de bankschroef er aan te pas komen om de harde buitenhuid van het zaad te beschadigen

Sommige tropische soorten komen uit de bergen en kiemen alleen als de nachten koeler zijn. In dat geval moet het zaaibakje ’s avonds in de koelkast of buiten worden gezet.

Het zaad van de banaan kunt u het beste eerst twee nachten in warm water weken en daarna twee dagen in de koelkast bewaren. Het zaad wordt vervolgens in een pot met voldoende grond gezaaid, waarna u er een zak overheen dient te plaatsen.

De beste zaaitijd van tropische zaden is mei/juni (binnen).

 

Tijdens het tweede gedeelte van de avond werden door de heer Vreeken nog een aantal dia’s getoond en passeerden een doorsnede van het assortiment de revue.

Anneke Duyvesteijn

Ziekten en plagen

Verslag van de lezing van donderdag 14 mei 2009 met als titel ‘Ziekten en plagen in de 'groene’ ruimte

 

Ziekten en plagen in de ‘groene ruimte’ was het thema van de lezing van donderdag 14 mei 2009. Om een inzicht te krijgen in alle belagers van het groen in tuin en natuur was de heer Dirk van Ommeren van de Stichting Boomkwekersgilde 'Groen Escorte' uitgenodigd. Deze stichting bestaat uit een onafhankelijk gezelschap vakmensen uit de boomkwekerijsector dat zich sinds 1996 bezighoudt met het geven van voorlichting en het houden van ambachtelijke demonstraties enten, stekken en vormsnoei van Buxus, evenals het verrichten van grondonderzoek ten behoeve van consumenten.

 

Aan de hand van beelden en levend materiaal werd uitgebreid op dit thema ingegaan. Ook werd aandacht besteed aan aangetast materiaal dat door bezoekers van de lezing was meegebracht.  Allereerst werd echter ingegaan op het herkennen en waarnemen.

De belagers van het groen in tuin en natuur zijn onder te verdelen in twee groepen: ziekten en plagen. Deze belagers veroorzaken o.a. achterblijvende groei, wegvallen van planten, misvormingen en vraat, vormverandering, tumorvorming en woekeringen. Als eerste kwam de categorie ‘ziekten’ aan de orde.

 

Ziekten

Als er sprake is van een ziekte bij een plant dan wijkt het levensproces af van het normale verloop en wordt dus verstoord. Onder deze groep vallen schimmels, bacteriën, fytoplasma’s, virussen, viroïden en aaltjes. Al deze ziekten hebben dus invloed op de ontwikkeling van planten.

 

  • Veel ziektes bij planten worden veroorzaakt door schimmels. Dradenschimmels komen het meest voor. Ze bestaan uit draden die zich vertakken en uitgroeien. Schimmels hebben vaak een vruchtlichaam in de vorm van een zwam. Op hun beurt zijn deze zwammen weer onder te verdelen in steeltjeszwammen (Basidiomycota) en zakjeszwammen (Ascomycota).
  • De steeltjeszwammen (Basidiomycota) omvatten de meeste paddenstoelen, waaronder de bekende eetbare champignon en de Vliegenzwam, maar ook de honingzwam. De honingzwam parasiteert op een groot aantal naald- en loofbomen. Eenmaal aangetast door de honingzwam kan de conditie van een boom snel verslechteren. De boom kan vlak boven de grond geheel afbreken. Vaak is de grondwaterstand bij dergelijke bomen te hoog. De rhizomorfen van de honingzwam zijn lange zwarte strengen van schimmel, die wel 25 jaar in de grond kunnen overleven en hebben het vermogen om vanuit een aangetaste boom naar een volgende te kruipen. Zo kan een heel bos aangetast worden.
  • Tot de steeltjeszwammen horen ook een aantal onopvallende plantenparasieten zoals roest. Een bekende roest is de perenroest. Voordat deze roest tot ontwikkeling komt zijn er twee plantenfamilies nodig: peren en coniferen (meervoudige roest). Op de peer kan de schimmel niet het hele jaar in leven blijven. In de winterperiode heeft de roest Juniperus of wel de jeneverbes, nodig. De roest die op rozen voorkomt is enkelvoudig.
  • Een schimmelziekte die tot de zakjeszwammen (Ascomycota) hoort is Monilia fructignea. Deze schimmel komt voor bij vruchtbomen, zoals appel, peer, pruim en kers en veroorzaakt, indien aanwezig, vooral bij kersen veel tak- en bloesemsterfte.
  • Ook schurft behoort tot de zakjeszwammen. Vooral de appel kan veel last van blad- en takschurft hebben. Hierdoor treedt vervroegde bladval op of verruwing van de vrucht. Tegenwoordig zijn er gelukkig rassen die minder gevoelig voor schurft zijn.
  • Echte meeldauw behoort ook tot de Ascomycota. Deze schimmel is moeilijk te bestrijden, slaat snel over op andere planten en kan veel verschillende plantensoorten aantasten. Eerst verschijnen er witte poederachtige vlekken op de bladeren en in een later stadium kunnen ook de stengels worden aangetast. Tegenwoordig probeert men door allerlei kruisingsprogramma’s planten te kweken die immuun voor meeldauw zijn. Bij valse meeldauw zit de schimmelpluis aan de onderkant van het blad en komt o.a. bij Prunus voor. Aanpakken met een systemisch middel.
  • Een vrij nieuwe ziekte bij platanen is de Massariaziekte. In de zomer van 2007 werd in de gemeente Sittard Geleen de eerste Nederlandse plataan aangetroffen die was aangetast. De Massariaziekte wordt veroorzaakt door een schimmel die eveneens behoort tot de zakjeszwammen. Ook in andere steden in ons land is deze ziekte inmiddels waargenomen, zoals in Den Haag. De ziekte tast zowel jonge scheuten als gesteltakken aan waarna deze afsterven en spontaan af kunnen breken. Platanen zijn trouwen ook gevoelig voor de bladvlekkenziekte, waarbij ook takbreuk optreedt.
  • Iepziekte is een schimmelziekte, die zich vermenigvuldigt in de houtvaten. Deze ziekte begint meestal in een tak boven in de kroon, verspreidt zich zeer snel en leidt altijd tot een dodelijke afloop. De schimmel wordt verspreidt door de iepenspintkever.
  • Loodglans is een schimmelziekte die vooral bij pruimen voorkomt, maar ook bij peer, els, wilg en populier. De ziekte is te herkennen aan de bladeren die bros aanvoelen en een
    loodachtige glans krijgen. De schimmel dringt binnen door wonden aan de boom. Verstandig is het daarom om pruimen pas na de pluk te snoeien, omdat dan de wonden snel dichtgroeien. Vooral ‘Reine Claude’ is er erg gevoelig voor.
  • Phytophthora, wortelrot is een zogenaamde waterschimmel en geeft bruinverkleuring en afsterving van de jonge worteltjes. De plant krijgt een vale, doffe kleur, verwelkt en sterft langzaam af. Bij aansnijden van de wortelhals is een bruinverkleuring te zien, met een scherpe grens tussen ziek en gezond. Deze schimmel komt vaak voor bij coniferen die te nat staan zoals Taxus. Zorgt u daarom bij de aanplant van coniferen voor een goede drainage zodat overtollig water goed weg kan lopen. Deze schimmel komt ook vaak voor bij Chamaecyparis obtusa ‘Nana gracilis’.
  • Een andere waterschimmel is Phytophthora ramorum. Dit is een vrij nieuwe en hardnekkige schimmelziekte bij bomen en struiken, die is aangetroffen bij rododendrons, Amerikaanse eiken en beuken. 400 soorten waardplanten kunnen door deze ziekte aangetast worden. Viburnum bodnantense ‘Dawn’ is een van de struiken die hier het meest gevoelig voor is.

 

  • Ook zijn er vele soorten bacterieziekten die op hun beurt allerlei vormen van beschadigingen veroorzaken. Een bekende bacterieziekte is de kastanjeziekte, een ziekte die de laatste jaren een slachting onder kastanjebomen heeft aangericht. Een bacterie uit de groep van Pseudomonas syringae is definitief aangewezen als oorzaak van deze ziekte. Op de stam van kastanjebomen verschijnen, bij aantasting met deze bacterie roestbruine vlekken, die zich snel over de hele bast verspreiden. Uit de vlekken komt een vloeistof, waardoor de boom als het ware lijkt te bloeden. Onder de vlekken gaat de bast rotten en bij een ernstige aantasting sterft de boom uiteindelijk af. Inmiddels wordt een mogelijk verband verondersteld tussen een andere belager en deze ziekte namelijk de paardekastanjemineermot. Dit motje is in staat om een kastanjeboom zo af te zwakken dat hij gevoelig voor de ziek makende bacteriën wordt.
  • Perenvuur ook wel bacterievuur is even als de Pseudomonas syringae een slijmvormige bacterie. Door deze bacterieziekte verwelken jonge scheuten en bloesems. De scheuten verkleuren naar bruin tot zelfs zwart. Deze ziekte wordt ook wel het ‘zwart’ genoemd. Gevoelig hiervoor zijn meidoorn, peer, appel en lijsterbes. Aangetaste bomen en struiken dienen zo snel mogelijk te worden vernietigd. Soms is het mogelijk aangetaste delen te verwijderen, die ook direct moeten worden vernietigd.

 

  • Fytoplasma’s zijn speciale bacteriën die onder andere worden overgebracht door de perenbladvlo.

 

  • Virussen hebben in tegenstelling tot bacteriën een gastheer nodig om zich te vermenigvuldigen. Een bekend virus bij pruimen is het sharkavirus, dat door de groene kortstaartluis wordt verspreid. Viroïden zijn nog kleiner dan virussen en hebben geen DNA maar alleen RNA. Viroïden zijn ziekteverwekkers bij planten, zoals aardappel, tomaat, komkommer en hop.

 

  • Ook onder de categorie ziekten vallen de aaltjes. Vooral de zogenaamde mondstekelige aaltjes richten de meeste schade aan. Aaltjes ook wel nematoden genoemd komen zowel in de bodem, maar ook in planten, mensen, dieren en water voor. Ze zijn niet groter dan 1-2 millimeter en met het blote oog niet waarneembaar. Aantasting door aaltjes verzwakt de plant of doet die zelfs afsterven.

 

 

 

 

Plagen

 

Een plaag is een massale aanval door dieren op planten. Onder plagen vallen o.a.: luizen, wantsen, kevers, rupsen en mijten.

 

  • Luizen zijn er in allerlei soorten en maten. Een bekende luis is de bladluis. Deze onttrekt plantensappen aan de plant en scheiden hierbij ook nog eens honingdauw uit, wat weer belangrijke oorzaak van schimmelvorming is. Een andere bekende luis is de bloedluis die o.a. verdikkingen aan scheuten veroorzaakt. De bloedluis is een rode luis die bedekt is met een wollige witte laag.

 

  • Een bekende wants is de groene appelwants. Zijn kleur: exact gelijk aan die van de Granny Smith. Ze richten vooral veel zuigschade aan. In de zomer komen ze ook regelmatig voor in gewassen die onder glas worden geteeld. Zeer schadelijk is ook de netwants ook wel Japanse vlieg genoemd. Deze wants heeft het vooral op Pyrus (‘Forest Flame’) en Rhododendron gemunt. Tegen deze wants is geen kruid opgewassen. Wantsen zijn herkenbaar aan hun driehoekige voorkant.

 

  • Een van de bekendste rupsen is de eikenbladprocessierups.  Het is de rups van een nachtvlinder die in Nederland sinds 2004 vooral in Noord-Brabant en Limburg, en soms in Gelderland voorkomt. Deze rups heeft zeer lange brandharen, die zwellingen, rode ogen en huidirritaties kunnen veroorzaken.  Een andere schadelijke rups is de wilgenhoutrups. Deze komt vooral voor bij bomen die op een slechte standplaats staan. Bij de aanpak van dergelijke belagers is het belangrijk om te weten in welk gedeelte van de levenscyclus men bij deze insecten het beste kan aanpakken, maar ook of er sprake is van een onvolledige of volledige gedaanteverwisseling (eitje – larve – pop – volwassen). In dit geval is de cyclus 2,5 jaar.

 

  • Bekende kevers zijn de gegroefde lapsnuitkever ook wel taxuskever genoemd, de aardbeilapsnuitkever en de coloradokever. Deze laatste kever behoort tot de familie van de bladhaantjes en is zwart met geel gestreept en oorspronkelijk afkomstig uit het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika. De larve van deze kevers vreten aan de wortels, waardoor de plant afsterft. Een goede indicatieplant met het oog op de aanwezigheid van taxuskevers is de Euonymus. Aanpak is o.a. mogelijk door de bestrijding met aaltjes (temperatuur moet dan wel hoog genoeg zijn). Ook kan men een plank neerleggen en vroeg in de morgen de kevers wegrapen. Ook erg schadelijk is de perenprachtkever die het vooral gemunt heeft op peren en Prunus, maar ook meidoorn. De perenprachtkever heeft prachtige kleuren, maar de larve vreet zigzaggend gangen onder de bast van zijn slachtoffers. Hierdoor wordt de sapstroom onderbroken, waardoor takken afsterven.

 

  • Mijten zijn geen insecten en zijn een aparte groep belagers. Het zijn spinachtige diertjes die eveneens plantensappen uit planten zuigen. Ze zijn met het blote oog nauwelijks waarneembaar. Een bekende mijt is de schurftmijt, maar ook galmijt bij druiven is een voorkomend verschijnsel. Ook spint valt onder de mijten. Spint veroorzaakt gevlekte bladeren die vergelen en verdorren.

 

 

Oorzaken

 

Ziekten en plagen treden op als de situatie niet stabiel c.q. niet in evenwicht is. In de natuur komen ziekten en plagen veel minder voor dan in de tuin die vol met cultuurgewassen staat. In de natuur zijn deze belagers nagenoeg geen probleem omdat er sprake is van een gezond ecosysteem waarbij alle organismen onderling betrekkingen met elkaar hebben. Door die betrekkingen controleren ze elkaar in aantal.

 

In een ecosysteem worden die betrekkingen - de invloed die organismen op elkaar hebben - biotische factoren genoemd. Biotische factoren zijn o.a.: symbiose (samenwerken, samen leven: bacterie haalt stikstof uit grond voor plant); predatie (v.b. lieveheersbeestje eet luis); amensalisme (de ene soort wordt negatief door de andere beïnvloedt); commensalisme (de ene soort heeft voordeel; de andere soort voor- noch nadeel); parasitisme (de ene soort heeft voordeel van het andere, de andere nadeel); mutualisme (organismen hebben elkaar nodig om te overleven) en parasitoïsme (organismen leggen eitjes op gastheer).

Bij het ecosysteem horen ook abiotische factoren. Dit zijn externe milieufactoren die geen biologische oorsprong hebben. Voorbeelden zijn grondsoort, zuurgraad, vochtigheid, temperatuur, daglengte, wind en het zoutgehalte van het water.

Zolang die biotische en abiotische factoren met elkaar in evenwicht zijn, zoals in de natuur, spreken we van een gezond ecosysteem.

 

Aanpak

 

Om een dergelijke situatie in een tuin vol met cultuurgewassen te creëren, moeten we zorgen dat de omstandigheden dus optimaal zijn. Dit betekent dat we voor gewassen (lees: planten) moeten kiezen die bij een bepaalde grondsoort horen. Rhododendron die van een zurige bosgrond houdt moeten we dus niet in de volle klei willen zetten. Ook is het verstandig om voor een grote diversiteit aan planten te zorgen, waarbij de bodem zoveel mogelijk bedekt moet zijn. Gezond en resistent materiaal en voldoende ruimte per plant zijn eveneens vereisten voor een gezonde tuin. Natuurlijk kan er bij het optreden van een probleem naar een middel worden gegrepen dat het probleem aanpakt, maar het is beter te voorkomen dan te genezen. In een grond met de juiste structuur en zuurgraad, maar ook met voldoende water en voeding zal een plant zich optimaal kunnen ontwikkelen: de juiste plant op de juiste plaats!

T.a.v. bestrijdingsmiddelen is het verder nog zo dat voor de particulier door strengere milieueisen steeds minder middelen beschikbaar zijn.

 

Aan de hand van levend materiaal met diverse aantastingen kon men na het theoriegedeelte zijn of haar eigen kennis testen. Op een aantal tafels lag namelijk een verzameling ziektes en plagen met de meest vreselijke namen waaronder:

 

  • Krulziekte (bij perzik en Prunus) - Taphrina deformans: opgezwollen en misvormde bladeren (schimmel).
  • Bladvlekkenziekte bij Rhododendron – Pestalotia guepinii: onregelmatige, door bladaders begrensde bruine vlekken met een gele rand. De bladeren sterven af. Aan de onderzijde van de vlekken olijfgroene tot bruine schimmelpluis.
  • Hagelschotziekte (schimmel + bacterie) – Stigmina carpophila (bij Prunus laurocerasus): Op de bladeren ontstaan eerst blaren die loslaten, zodat er gaatjes in het blad ontstaan. Deze gaatjes zijn vaak omringd met een bruine rand. Ook kunnen er bruine afgestorven plekken ontstaan.
  • Oortjesziekte bij Japanse azalea - Exobasidium rhododendri (schimmel): de toppen van de planten verkleuren en zwellen op.
  • Sterroetdauw bij roos - Diplocarpon rosae:  zwarte vlekjes aan de bovenzijde van de bladeren. Naast de vlekjes verkleurt het blad naar geel, of zelfs het gehele blad wordt geel en valt na verloop van tijd af.
  • Kleine bramenluis - Aphis ruborum: luizen zuigen aan bladeren en/of jonge scheuten. De luis scheidt een kleverige stof af en veroorzaakt honingdauw, later gevolgd door roetdauw. Krullen van het blad.
  • Zwarte bonenluis - Aphis fabae: veroorzaken dikwijls omgekrulde bladeren aan de scheuttoppen. Ze leven in dichte kolonies op de scheuttoppen en op de onderkant van de bladeren. Ze scheiden honingdauw af, waarop later zwarte schimmels groeien (roetdauw).
  • Beukenbladluis veroorzaakt verschillende soorten schade. Als eerste zuigt de bladluis aan het blad. Hierdoor ontstaan geelbruine vlekken aan de bovenzijde van het blad. Ook krullen de bladeren langs de hoofdnerf naar beneden toe op. Komt alleen op beuk voor.
  • Hulstvlieg bij Ilex – Phytomiza ilicis (mineervliegje) eind april begin mei aangetast blad verwijderen of begin juni spuiten. Vreet bladmoes weg tussen de beide opperhuidlagen.
  • Buxus bladvlo: veroorzaakt misvormde scheuten met dicht opeen groeiende blaadjes. De insecten scheiden een wit wasachtige laagje af.
  • Sneeuwbalhaantje Pyrrhalta viburni: Dit is een kevertje, waarvan vooral de larve zich letterlijk dood eten aan de jonge bladeren. Meestal valt de schade mee maar bij ernstige aantasting is er soms sprake van een ware ravage, zowel aan het blad maar ook aan de jonge stengels.
  • Gladiolus fusarium en Lilium fusarium geslacht van parasiterende schimmels die in de bodem voorkomen en planten en dieren aan kunnen tasten.(Fusarium oxysporum of bolrot)
  • Lilium penicillium (schimmel die ontstaat bij bewaring van bollen)
  • Narcismijt bij Hippeastrum - Steneotarsonemus laticeps: roodverkleuring, schade aan het blad.
  • Rondknopmijt bij hazelaar - Cecidophyopsis ribis: aangetaste knoppen: deformatie.
  • Dahlia knobbelziekte (bacterie) Agrobacterium tumefaciens: veroorzaakt wortelknobbels.
  • Dahlia rozetgal – Rhodococus fascians: op de kraag en het stengeldeel vlak daarboven komen bloemkoolachtige woekeringen voor.
  • Gladiolusbacterie – Pseudomonas gladioli (bij bewaring)
  • Botrytis (schimmel) bij Mirabilis: grijze schimmel
  • Wortellesieaal bij Hemerocallis – Pratylenchus sp. (bol - en stengelwortels worden aangetast).
  • Wortelknobbelaal – Meloidogyne sp. bij Ligularia ‘Desdemona’ (bodemziekte waardoor aantasting aan wortelgestel ontstaat)
  • Bladaaltjes bij pioen - Aphelendroides fragariae: misvorming groeipunten of bloemknoppen.

 

Aan het einde van de avond gingen alle aanwezigen met veel nieuwe kennis weer naar huis. Helaas was het niet mogelijk om tijdtechnisch de aanpak van al deze ziekten en plagen te behandelen.  Maar door het herkennen van deze belagers is het gelukkig mogelijk om thuis op het internet een oplossing te zoeken. Natuurlijk blijft een juiste verzorging een vereiste om de planten in tuin en huis tegen al hun vijanden te beschermen.

Anneke Duyvesteijn

 

 

 

meer

 

 

 

14
Oct
ZOMERTEMPERATUUR in HERFST
14
Oct
ZOMERTEMPERATUUR in HERFST