Westland

Week 21

Ook het gazon verdient deze maand de nodige aandacht. Om verzekerd te zijn van een mooie en stevige grasmat is het verstandig het gras regelmatig te maaien. Ook dient u de grasmaaier op de juiste hoogte af te stellen en zo vaak te maaien als nodig is, maar tenminste één keer per week. Door regelmatig te maaien wordt de vorming van zijscheuten en de groei bevorderd. Maait u echter niet te kort; dit verzwakt het gazon en verhoogt de kans op onkruid en mos.

Normaliter ligt de juiste maaihoogte van het gras tussen de 3,5 en 5 cm. Bij langdurige droogte is het verstandig het gazon niet korter dan 4 cm te maaien en het maaien uit te stellen tot de avonduren. Als het gras in de morgen wordt gemaaid en de zon er daarna de hele dag op staat, is de kans op verbranding, veel groter. Verder is het raadzaam om gras, dat in de schaduw ligt, door lichtgebrek ook niet korter dan 4 cm te maaien. De maaier daarentegen te hoog afstellen heeft ook geen zin, aangezien de vorming van zijscheuten dan achterwege blijft. Het gras verliest zijn stevigheid en er vallen gaten in het gazon.

Gebrek aan voedingsstoffen kan ook voor gaten in uw grasmat zorgen. Het eerste teken van voedselgebrek is het vergelen van het gras. Op den duur zullen mos en onkruid zich op de ontstane open plekken ongehinderd kunnen vestigen en uitbreiden. Na een eerste bemesting in maart / april is het verstandig in juni / juli een tweede uit te voeren. Door droogte en sterke zonnestralen wordt het gras dan namelijk sterk op de proef gesteld. De laatste mestgift vindt meestal in september / oktober plaats en zorgt ervoor dat uw gazon goed voorbereid en bestand tegen ziektes de winter in kan gaan. Het beste is een bemesting met extra kalium. Kalium verhoogt niet alleen de weerstand, maar versterkt ook het weefsel van gras en bemoeilijkt het binnendringen van schimmels in de cellen, zoals sneeuwschimmel. Sneeuwschimmel, een ziekte, die niets met sneeuw te maken heeft, kan het hele jaar door voorkomen. Het gras vergeelt en sterft, nadat het bruin en papperig is geworden, af. Gras onder bomen of op schaduwplekken kan wat vaker worden bemest, omdat de bomen een gedeelte van de voedingsstoffen aan het gras zullen onttrekken.

Inzaaien van een gazon of het vernieuwen van de oude grasmat kunt u het beste in deze periode doen. Voor eind april is de bodem meestal nog niet genoeg opgewarmd om het gestrooide zaad optimaal te kunnen laten ontkiemen. Opnieuw ingezaaid gras mag u nooit laten uitdrogen. In droge periodes zal het gazon een aantal malen per dag moeten worden besproeid. Een bestaand gazon zult u in droge periodes minstens één à twee keer per week gedurende een half uur moeten besproeien. Door te vaak of elke dag te sproeien blijft de beworteling oppervlakkig en dringen onkruid en mos gemakkelijk de grasmat binnen.

 

Tuintips week 20

IJsheiligen ligt weer achter ons. Zeker in het binnenland was er nog vorst aan de grond. Maar nu is het tijd om kwetsbare planten buiten te zetten. Houd wel het weerbericht in de gaten en stel planten die onder glas hebben gestaan voorzichtig bloot aan de zon. Het is nu ook de tijd om ‘hanging baskets’ te vullen en buiten te hangen. Deze manden die tegenwoordig erg populair zijn, hingen vroeger alleen bij Engelse huizen en pubs, maar zijn nu overal te vinden. Veel planten, zowel vaste, als eenjarige groeien er uitstekend in, vooral omdat de wortels meer zuurstof krijgen. Wel hebben de manden dagelijks water nodig, omdat vocht aan alle kanten kan verdampen. Als de mand bekleed is met mos of kokosvezel is het verstandig om onder in de beklede mand een schotel of een stukje plastic in de vorm van een kommetje te plaatsen. Hierdoor zal het water niet direct uit de mand weglopen (gebruik i.p.v. potaarde eens cocopeat). De wanden en de bovenkant van de mand kunt u vervolgens beplantenen. Bij het planten is het handig om de mand op een emmer te zetten. De beste plaats voor een mand is in de volle zon of halfschaduw. Geschikte planten zijn: Begonia, Brachycomeiberidifolia, Erigeron, Felicia, Fuchsia, Hedera helix, Helichrysum, Impatiens, Lobelia, Pelargonium, Petunia, Sanvitalia, Scaevola, Thymus en Verbena.

Als u de mand in de herfst opruimt, kunt u het mos, waarmee de mand is bekleed, bewaren. Het mos kan gemakkelijk een tweede seizoen dienst doen. Bewaart u  het mos wel op een koele, vochtige plaats. Hangmanden waarin ook vaste planten zitten, kunnen na het verwijderen van de eenjarigen in een koude kas worden overgehouden. Het is verstandig om bij strenge vorst de manden met wat noppenfolie te beschermen en ze in de winter zonodig wat water te geven. Als u in het voorjaar de vaste planten terugknipt, zullen ze met wat mest, weer in volle glorie, terugkomen.

In de winter is het ook leuk om eens een mand op te hangen met wintergroene heesters, coniferen en groenblijvende vaste planten. Vaak blijven deze met een beetje zorg meerdere jaren aantrekkelijk. De wintergroene struikjes kunt u in het voorjaar in de tuin planten. Ook in het voorjaar kan een hanging basket worden gebruikt. Bollen, die het goed in potten doen, kunnen ook hierin gebruikt worden. Tulpen, narcissen en andere voorjaarsbloeiers, maar ook krokussen zijn een sieraad voor de mand.

Rozen worden in deze periode (ook in maart) bemest met kunstmest of een organische rozenmeststof, belangrijk is dat er magnesium of kieseriet in zit. Bloed- en beendermeel, organische meststoffen, werken wel iets trager maar ook langer door. In het najaar bemesten we alleen nog met een organische meststof zodat de voedingsstoffen voor de plant gedurende de winter langzaam in de grond zakken.

In deze periode kunt u ook Prunus triloba snoeien. Na de bloei dient u deze Prunus op stam terug te knippen tot op 1 à 2 cm van de kroon (knotten), anders zal de struik uit elkaar gaan hangen en zal bloei achterwege blijven. De wortelopslag, die soms onder aan de stam verschijnt, moet eveneens worden weggeknipt.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 19

Half mei (na IJsheiligen) kunnen kuipplanten,  op een bewolkte dag, naar buiten. Om ze aan de buitenlucht te laten wennen, is het verstandig om ze de eerste dagen op een beschutte plaats te zetten (niet in te felle zon). Sommige soorten kunnen in het voorjaar zelfs vroeger naar buiten, zoals laurier (Laurus), olijf (Olea) granaatappel (Punica) en Yucca. Deze planten zijn goed bestand tegen enkele graden vorst en harden beter af als u ze in het najaar zo lang mogelijk buiten laat staan. Als u grotere planten op verrijdbare plateaus plaatst, kunt u ze bij strenge vorst, zo weer naar binnen rijden. Ook kleinere exemplaren van deze soorten kunt u al wat eerder buiten zetten (bij nachtvorst wel even naar binnen).

In het begin van het seizoen is het goed de bladvorming van de kuipplanten te stimuleren met een stikstofrijke mest zoals koemestkorrels. Later in het seizoen is het verstandiger een meststof geven met een relatief laag stikstofgehalte. Ook handig is het gebruik van bemestingstabletten, die hun meststoffen geleidelijk aan de grond afgeven.

Afhankelijk van de soort en standplaats, hebben kuipplanten water nodig. Op een warme, zonnige plaats zal een kuipplant meer water gebruiken dan in de schaduw. Ook een plant in de wind verdampt veel water. Maar de hoeveelheid en de grootte van het blad zijn eveneens  van invloed op de waterbehoefte: hoe groter het blad, hoe meer verdamping!  Zelfs de soort pot heeft hier invloed op. Potten van aardewerk hebben het voordeel dat ze door de zijwanden zuurstof doorlaten, maar er vindt ook meer verdamping plaats. Plastic potten laten daarentegen geen zuurstof door, maar er vindt géén verdamping plaats. Hierdoor groeien de meeste planten in plastic potten vaak beter dan in stenen potten. Zorgt u er bij plastic potten wel voor, dat de potgrond luchtig en niet te nat is. U kunt ook wat kleikorrels door de aarde mengen. Gebruikt u toch liever aardewerken potten dan kunt u om het effect van een plastic pot te krijgen, de potten met plastic of noppenfolie bekleden. Voor potten die ‘s winters buiten staan is het bekleden met noppenfolie eigenlijk een ‘must’. Bij aanschaf van aardewerken potten is het verder verstandig altijd even te vragen of de pot vorstbestendig is.

Let u er verder op, dat sommige planten bij regenachtig weer toch droog kunnen staan. Dit kan komen door de bladstand of de hoeveelheid blad van de plant, waardoor het water naast de pot terechtkomt. Hetzelfde geldt voor potten tegen muren en onder afdakjes. Bedenkt u echter wel, dat overmaat schaadt. Een plant gaat eerder dood door te veel dan te weinig water. Zorgt u daarom ook voor afwateringsgaatjes in uw potten. Zijn die er niet, dan is dit met  een boormachine op te lossen, vooral bij zinken voorwerpen. Bij geglazuurde potten ligt dit moeilijker, omdat bij het boren van gaten, snel beschadigingen kunnen optreden. Ook een gietrand is handig; dit is een beetje ruimte tussen de bovenkant van de pot en de aarde. Deze gietrand voorkomt morsen van aarde en water bij het water geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 18

Omdat ter plaatse gezaaide eenjarigen vaak de plaats van bollen innemen, is het nu tijd om die uitgebloeide bollen uit de grond te halen. Als u er een plekje voor heeft, kunt u de bollen opkuilen en af laten sterven. Wanneer het blad is afgestorven (dor en bruin) worden de bollen gepeld, zodat een gaaf en bruin schilletje overblijft. De bollen kunt u eventueel bewaren in eierdozen met hierop de naam van het bolgewas. Kleinere bolgewassen, zoals Scilla en winterakonietjes kunnen blijven staan om af te sterven. Ook botanische tulpen kunnen in de grond blijven. Na de laatste nachtvorst kunnen ook dahliaknollen de grond in; een minimale plantafstand van 60 cm is gewenst. Het is handig om, voordat u de dahliaknollen plant, stokken in de grond te slaan om de dahlia’s later aan op te kunnen binden. Dahlia houdt van een ietwat vochtige grond.

Ook een aantal vaste planten hebben een steuntje nodig; vooral hoge soorten die in de wind staan. Het zou zonde zijn om na de eerste zware voorjaarsbui te moeten constateren, dat uw hogere vaste planten omliggen. Voor het opbinden kunt u snoeihout gebruiken of bamboestokken, maar ook halve of hele cirkels van ijzer of kunststof. In april kunt u ook net boven de planten een raster zetten. De stengels groeien hier doorheen en als de stengels langer worden, schuift u  het raster omhoog.

Planten, die bijna altijd steun nodig hebben zijn: Achillea, Aster, Alstroemeria, Campanula lactiflora, Chrysanthemum (Leucanthemum, o.a. margriet), Delphinium, hogere Geraniumsoorten, Helenium, Heliopsis, Paeonia, pioenrozen en Rudbeckia.

Om stevigere, kortere en vollere vaste planten te krijgen kunt u een aantal soorten ‘koppen’. Dit is het terugknippen van de uiteinden van stengels, wanneer deze ongeveer 15 à 20 cm hoog zijn (rond half mei). Deze methode wordt vooral gebruikt bij een gedeelte van een groep van dezelfde vaste planten. Door hier en daar de stengels van de planten van een zelfde soort in te korten, krijgt u een langere, meer gespreide bloei. Bij de volgende soorten geeft dit goede resultaten: Achillea, Aster, Chrysanthemum maximum, Campanula lactiflora, Coreopsis verticillata, Delphinium, Echinops, Erigeron, Gaillardia, Helenium, Lysimachia punctata, Phlox, Rudbeckia, Salvia en Solidago.

Bij de hogere Miscanthus sinensis-soorten (prachtriet) is het verstandig om de buitenste delen weg te knippen. Hierdoor blijft het hart van de plant jong en de stengels stevig. Vaak wordt de plant namelijk te vol en te zwaar, gaan de stengels in het midden van de plant zakken, waardoor de rest mee gaat.

Er is ook een aantal vaste planten, die U na de bloei terug kunt snoeien. Naast een opgeruimde tuin levert dit ook een tweede bloei op. Planten, die hier geschikt voor zijn: Achillea millefolium, Alchemilla mollis, Centaurea montana, Delphinium, Echinops, Euphorbia polychroma, Geranium, Lupinus, Nepeta, Salvia, Stachys en Symphytum.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 17

Als u in uw kasje naast jonge zaailingen overjarige planten heeft staan, controleert u dan regelmatig op luis en andere plagen. Het zou jammer van al uw inspanningen zijn, als de nieuwelingen aan de vraatzucht van ongedierte ten prooi zouden vallen. Denkt u er bij het gebruik van bloempotten of bakken altijd aan, dat er voor een goede afwatering gaten in aanwezig moeten zijn. Ook bij teilen en emmers van zink dient u door het boren van gaatjes voor een goede afwatering zorgen. De wortels van de planten zullen anders verrotten en afsterven.

In de laatste weken van april kunt u voorzichtig beginnen met het direct ter plaatse zaaien van zomerbloemen. Een aantal soorten kan zowel in februari in kas, bak of venster worden gezaaid, als later in het voorjaar buiten. Het voordeel van plantjes die in februari gezaaid zijn, is echter dat deze in mei, al veel verder ontwikkeld zullen zijn dan ter plaatse gezaaide.

Er zijn ook eenjarigen die niet voorgezaaid kunnen worden; het betreft hier de meeste leden van de Papaver-familie. Zij beschikken over een penwortel, waardoor bij het verspenen kans op beschadiging bestaat. Ook het slaapmutsje kan niet worden verspeend.  Andere planten, die ook direct buiten gezaaid kunnen worden, zijn: Agrostemma,  Centaurea cyanus, Tropaeolum majus),  Calendula officinalis en Cosmea.

Om direct buiten te zaaien is een goede voorbereiding van de bodem noodzakelijk. Dit gaat zo: spit de aarde, maak de aarde fijn met een hark, verwijder onregelmatigheden en voeg eventueel wat compost toe. Hark hierna het zaad voorzichtig in. Bij fijn zaad is het moeilijk om dun te zaaien. Gemengd met wat scherp zand, gaat dit een stuk beter. Grotere zaden, zoals zonnepitten kunt u op ruime afstand van elkaar in de grond drukken, de ideale zaaidiepte is drie tot vijf cm.  Als de plantjes opkomen kunt u ze uitdunnen.

Eenjarigen verdragen nijpen of toppen vaak heel goed. Om bredere, bossige planten te krijgen, nijpt u met de vinger uit iedere hoofdscheut het bovenste gedeelte. Hoewel zelf zaaien een leuke en lonende bezigheid is, is er natuurlijk niets op tegen om eenjarigen te kopen. Veel mensen zullen daar uit ruimtegebrek zelfs toe genoodzaakt zijn. Reeds vroeg in het seizoen zijn eenjarigen al volop te koop. Plant ze echter niet te vroeg, want de meeste eenjarigen verdragen geen vorst en dat zou zonde van het geld zijn. Wacht u liever tot de kans op nachtvorst is verdwenen. Meestal wordt IJsheiligen als peildatum aangehouden; dit is de periode van 13,14 en 15 mei. Wat later uitgeplant zullen eenjarigen, niet gehinderd door de kou, probleemloos groter worden.

Plant eenjarigen nooit uit bij zonnig weer. Zowel planten als wortels zullen dan snel uitdrogen en dit kan tot grote schade leiden. Verder is het raadzaam om na het uitplanten ruim water te geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 16

Week 16

In maart en april kunt u vaste planten verplaatsen en scheuren. De naam ‘vast’ hebben ze te danken aan het gedeelte dat zich in de grond bevindt. Bij de meeste vaste planten verdwijnt het gedeelte boven de grond na de bloei of de eerste zware nachtvorst, terwijl de wortels levend blijven om het volgende voorjaar weer opnieuw uit te lopen. Na verloop van drie, vier of 5 jaar zijn vaste planten vaak zover uitgegroeid, dat u ze ter verjonging moet opnemen en scheuren. Na het opgraven van de planten, worden de beste delen (aan de buitenkant) eraf gehaald en opnieuw geplant; de oude kern wordt opgeruimd.

Niet alle planten hoeven te worden verjongd en vormen dan ook een uitzondering op deze regel. Het betreft alle planten met min of meer vlezige wortels, zoals pioenrozen, Japanse anemoon en Alstroemeria. Deze plantensoorten kunt u jarenlang op dezelfde plaats laten staan.

Vaste planten, die niet op de juiste plaats staan kunt u nu ook verplaatsen. Ook in mei kan dit nog, mits de grond rondom de plant goed natgehouden wordt. Bij het verplanten moet u de wortelkluit zoveel mogelijk intact laten en is het raadzaam om fijne aarde tussen de wortels te strooien en de planten stevig aan te drukken. Ook moet u er bij het verplanten en scheuren voor zorgen dat uitgegraven plantdelen niet te lang boven de grond liggen.

Naast scheuren en verplanten kunt u natuurlijk ook nieuwe planten in de tuin zetten; planten in potten kunnen, als het weer het toelaat, bijna het hele jaar door worden geplant.

Om te weten hoeveel planten u ongeveer per m²  moet aanschaffen is het goed kennis te nemen van het volgende. Vaste planten worden in drie hoogten verdeeld: hoogte I: hoger dan 60 cm (bij deze hoogte plant men 50-60 cm uit elkaar: 2-4 stuks per m²); hoogte II: 30–60 cm (bij deze hoogte plant men circa 30 cm uit elkaar: 4–7 stuks per m²) en hoogte III: tot 30 cm (bij deze hoogte plant men 10–30 cm uit elkaar: 7–12 stuks per m²). Een precies aantal per hoogte is moeilijk te geven, omdat dit afhankelijk is van groeiwijze, concurrentiekracht en hoogte.

Bij zogenaamde bodembedekkers, moet een vak minimaal 50 x 50 cm zijn om enig effect te kunnen sorteren. Een uitzondering hierop zijn rotstuinen, waarin vaak veel verschillende en kleine (rots)planten worden toegepast. Het is handig om bij de aanleg van een rotstuin(tje) een beplantingsplan te maken, waarbij u globaal aangeeft waar u bepaalde planten wilt hebben. Ook hierbij gaat weer de regel op van de juiste plant op de juiste plaats.

Bij ‘gewone’ tuinen zijn de grootte en vorm van de plantvakken meer een kwestie van gevoel dan van vastgestelde regels. Hoedt u echter voor zogenaamde ‘postzegelverzamelingen’, waarbij op een klein stukje grond een te groot aantal soorten vaste planten aanwezig is.

 

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl