Westland

week 42

Aangezien dit een uitstekende periode is om rozen te planten, is het ook belangrijk te weten dat dit de nodige nauwkeurigheid vereist. De grond, waarin de rozen komen te staan, moet vooraf worden klaargemaakt. Aangezien rozen een voedzame grond verlangen, is het raadzaam door de grond koemestkorrels te verwerken, echter nooit los onder in het plantgat. Zet ook geen rozen  waar al eerder rozen hebben gestaan, want uw rozen zullen dan last kunnen krijgen van zogenaamde ‘rozenmoeheid’. Deze aandoening wordt veroorzaakt door aaltjes -  zeer kleine voor het oog onzichtbare beestjes – die in de grond leven. Door deze aaltjes kwijnen de rozen langzaam weg en kunt u, na verloop van tijd, niets anders doen dan de rozenstruiken verwijderen. Wilt u op dezelfde plek toch weer rozen planten dan moet u de grond ter plaatse vernieuwen. Op de plaats waar de roos moet komen graaft u een gat van circa 60 cm diep uit, waar u verse tuingrond in aanbrengt. Dit hoeft niet per se nieuwe grond te zijn, maar kan ook grond uit de tuin zijn.

Voordat u de rozen plant, maakt u de wortels van de rozen goed nat door ze ruim van tevoren in een emmer met water te plaatsen. Het plantgat moet zó diep gegraven worden, dat de wortels van de struik recht naar beneden kunnen ‘hangen’ en niet krom in het plantgat komen. De plaats waar de takken uit de onderstam komen (de veredeling), dient 2-3 cm onder de grond te komen. Houdt  u bij meerdere rozenstruiken een afstand van 40 tot 50 cm aan. Na het planten de grond stevig aantrappen en goed water geven, zodat de grond goed om de wortels aansluit. In deze periode worden de meeste rozen niet in een pot, maar met naakte wortels geleverd. Kunt u ze na levering niet direct planten, legt u ze dan op een koele en vorstvrije plaats en zorgt u er vooral voor dat de wortels niet uitdrogen.

De rozen, die u in het najaar plant, maar ook de rozen, die u al in uw tuin heeft staan, moet u in de winter tegen de vorst beschermen. De beste bescherming voor uw rozen, bereikt u door vlak voor de winter uw rozen aan te aarden. Rond uw rozenstruiken brengt u dan een heuveltje van grond van zo’n 15 cm hoog aan. Tegelijkertijd kunt u ook een bemesting uitvoeren door bijvoorbeeld koemestkorrels door de grond te verwerken. Vanaf half maart, als u de rozen gaat snoeien, kunt u het heuveltje weer met de grond gelijkmaken.  Komt u in het najaar niet aan bemesten toe, dan kunt u dit in het voorjaar ook doen. Rozen, die u in het najaar heeft geplant, krijgen pas half mei weer mest. Bemest verder nooit binnen 6 weken na het planten. Als u in het voorjaar plant, moet u er op letten, dat de grond niet uitdroogt en dient u regelmatig en voldoende water te geven. Wilt u verder verzekerd zijn van goede en gezonde rozenstruiken, ga dan naar een ‘echte’ rozenkweker. Veel geur- en kleurplezier toegewenst in het komende ‘rozen’-seizoen!

Anneke

Week 41

Herinnert u zich ook de zomer nog; soms met gouden zonnestralen, dan weer met een frisse bui, maar vooral die heerlijke geuren, zoals die van rozen?

Rozen met een sterke geur, hebben meestal ook veel kleur. Rode en roze rozen hebben vaak een echte rozengeur, terwijl witte, gele en zalmkleurige rozen naar fruit ruiken. Het liefst zou ik die rozengeur het hele jaar wel willen bewaren. Dit is natuurlijk een onmogelijke wens, maar gelukkig zijn er nu rozen, die gedurende een lange periode bloeien én geuren.

Met name David Austin, een bekende rozenveredelaar uit Engeland, is er in geslaagd om rozen te ontwikkelen, waarbij de geur, vorm en kleur van oude rozen zijn gecombineerd met de herbloei en gezondheid van moderne rozen.

Bekende sterk groeiende en doorbloeiende rozen door hem ontwikkeld zijn: ‘Heritage’ en ‘Perdita’. Maar ook ‘GrahamThomas’, ‘Constance Spry’, ‘Jayne Austin’ en ‘Mary Rose’ zijn bekende David-Austinrozen.

Ik zou graag zijn rozenkwekerij in Albrighton bij Wolverhampton eens willen bezoeken, want het zien van zijn catalogus maakt me al lyrisch.

Mocht u nog meer willen weten over de roos in het algemeen of over de verschillende rozensoorten in het bijzonder, dan moet u eens op zoek gaan naar het boek van Roger Philips en Martin Rix: 'In de ban van de roos’. Dit boek is een aantal Jaren geleden uitgegeven en is geïllustreerd met meer dan 1000 kleurenfoto’s.

Het boek geeft de zoektocht weer naar de oorsprong van de roos, maar ook de zogenaamde moderne rozen zijn onderwerp van gesprek.

Mocht u in de zomer bij bezoek aan tuinen of rosaria uw favoriete roos hebben ontdekt, dan is het nu het uitgelezen moment om uw roos te planten. In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken is de periode vanaf half oktober tot half december de mooiste tijd om dit te doen. De bodem is immers  nog ‘warm’ is, waardoor de roos nog gemakkelijk nieuwe wortels kan vormen dus goed aan kan slaan. In het voorjaar zal de roos zijn energie dan direct in de eerste bloei kunnen stoppen.

Rozen kunt u ook in maart of april planten, maar dan zullen ze eerst moeten wortelen alvorens ze tot bloei kunnen komen.

Rozen in potten gekweekt kunt u het hele jaar door planten. Dit vergemakkelijkt de keuze in de zomer. Dan is namelijk goed te zien hoe de roos die je koopt, geurt en kleurt.

Anneke

Tuintips week 40

Aangezien nachtvorst in deze periode al kan voorkomen is het goed het weerbericht in de gaten te houden. Vlak voor of na de eerste nachtvorst is het namelijk van belang dahlia’s en knolbegonia’s te rooien door de knollen op te graven. Nadat de knollen zijn schoongemaakt, moeten ze in de zon drogen en kunt u ze het best in een kistje met droge turfmolm of zand op een koele tochtvrije plaats (5-10ºC) bewaren. Dahliaknollen kunnen goed worden gescheurd. Bij het scheuren van de knol  is het verstandig om er in verband met de knopvorming op te letten dat aan elke wortel een stengelstuk zit. In het voorjaar kunnen de stekken, als ze uit gaan lopen, worden opgepot en na IJsheiligen buiten worden gezet.

Terwijl Dahlia rond deze tijd wordt gerooid, kunnen leliebollen in deze periode geplant worden. Lelies (Lillium) houden van humeuze en doorlatende grond en leliebollen hebben graag een koele voet en een warm hoofd. Het is wel goed om te weten of de te planten lelies loof vóór de winter of erna maken. Lelies die loof maken voor de winter, worden in augustus / september geplant. Lelies die nà de winter loof maken, worden later in de herfst geplant of vroeg in het voorjaar. Als u de leliebollen later in de herfst plant is het noodzakelijk de leliebollen na het planten altijd tegen de vorst af te dekken.

Ook de knollen van Salvia patens, een prachtige hemelsblauwe salie kunt u het beste opgraven. Het is een niet winterharde plant, die een strenge winter niet zal overleven. In april kunnen ze weer in goed doorlatende grond worden uitgeplant. Het handigste is om ze te bewaren in een kistje met turfmolm.

In september / begin oktober kunt u gewoon doorgaan met het maaien van het grasveld. Wel is het verstandig om voor het maaien de afgevallen bladeren te verwijderen. Wacht met maaien wel tot het gras voldoende is opgedroogd, anders zou u tijdens het maaien hele plukken gras mee kunnen trekken. Verder is het raadzaam om de graskantjes nog een keer bij te werken. Hiervoor zijn gelukkig handzame elektrische apparaten te koop, waardoor het op de knieën knippen van de kantjes verleden tijd is. Het maaien gaat meestal door tot eind oktober. Dit tijdstip is echter geheel afhankelijk van het weer. Met een verticuteerhark of –machine verwijdert u het mos en als de grond erg hard is geworden prikt u er gaatjes in, die u vult met scherp zand. Het gazon bemesten is nu niet meer nodig.

Ook bollen kunt u op een mooie dag gerust gaan planten. Let wel op de goede plantdiepte (circa anderhalf tot tweemaal de hoogte van de bol) en zorgt u dat de bollen op de juiste plantafstand de grond in gaan. Ook onder bomen kunnen sommige bollen een lust voor het oog zijn. In de periode dat bomen nog zonder blad zijn, krijgen vroegbloeiende kleine bolgewassen voldoende licht om tot bloei te komen: Muscari botryoides, blauwe druifjes; Scilla non-scripta, wilde hyacint; Eranthis hyemalis, winterakoniet e.a. Ter bescherming tegen de vorst is het aan te bevelen de bolletjes af te dekken.


Anneke

Tuintips week 39

Nu de herfst steeds meer aan terrein wint, kunnen we gelukkig nog volop genieten van allerlei vruchten en zaden, maar ook van herfstbloeiers, zoals Rudbeckia fulgida ‘Goldsturm’, Cimicifuga, Aster en Sedum. Ook de diverse Hydrangea, die op allerlei manieren verkleuren, zijn prachtig om te zien.

Goed verzorgde eenjarigen, maar ook kuipplanten weten vaak ook nog niet van ophouden. Het is verstandig om kuipplanten nu echter geen mest meer te geven, zodat ze voor het komende winterseizoen goed af kunnen harden. Verder is het aan te raden uw kuipplanten regelmatig op ongedierte en aantastingen te controleren en op tijd maatregelen te nemen, zodat uw planten gezond de winterberging in kunnen.

Met het oog op de komende winter moet ook de winterberging weer in orde worden gemaakt. Het is namelijk prettig, om als er nachtvorst wordt voorspeld, de planten direct op de goede plaats weg te kunnen zetten.

Langzamerhand kunt u nu ook met het opruimen van de borders beginnen, dat niets meer  is dan het verwijderen van eenjarigen, waarvan de bloei niet veel meer voorstelt, het afknippen van bloeiwijzen die geen herfst- of winterattractie hebben en het verwijderen van het aanwezige onkruid. Ruimt u niet te rigoureus op, want dan resteert alleen nog een kale wintertuin. Op opengevallen plaatsen kunnen tweejarige planten worden gezet, die rond juni gezaaid zijn. De lege plekken kunt u ook reserveren voor voorjaarsbloeiende bollen en knollen. Deze maand worden ze namelijk weer volop te koop aangeboden. Leeggekomen vakken worden schoon gemaakt en de grond wordt zo mogelijk omgespit, fijngemaakt en aangeharkt. Een goede bodembewerking is voor het planten van bollen, knollen en wortelstokken essentieel, omdat ze van een goed afwaterende grond houden. In grond die ‘s winters erg nat blijft, zal al snel rot optreden. Als de grond erg zwaar is kunt u bij het spitten grind of scherp zand door de grond heen werken. Door lichte grond (zandgrond) zult u organisch materiaal moeten spitten om het vocht in de grond vast te kunnen houden.

De planttijd en plantdiepte zijn bij bollen en knollen nogal uiteenlopend; dit geldt ook voor de standplaats. Het is daarom raadzaam de beschrijving, die vaak bij bollen en knollen wordt gegeven goed op te volgen.

Ook bolletjes voor verwildering zijn leuk om aan te schaffen. Wat dacht u van Galanthis nivalis, sneeuwklokje; Anemoneblanda; Fritillaria meleagris, kievitseitje; Narcissus ‘Tête à Tête’ of Chionodoxa, sneeuwroem. U zult er jarenlang plezier van hebben!

Naast het opruimen van de borders kunt u tegelijkertijd ook de vijver een goede beurt geven. Hiertoe verwijdert u een groot deel van oude, afgestorven plantendelen en haalt u ook het afgevallen blad van het vijveroppervlak weg. Te veel verterend blad kan namelijk tijdens vorst giftige gassen tot gevolg hebben, waardoor zuurstofgebrek kan optreden.

Anneke

Tuintips week 38

In deze periode van het jaar kan de tweede snoei van een aantal hagen plaatsvinden. Taxus baccata, Cupressocyparis leylandii en Carpinus betulus, haagbeuk verdragen deze snoei goed. Maar ook Liguster kunt u nu nog een tweede keer aanpakken. Bij het snoeien is het belangrijk, dat de bovenkant van de haag smaller is dan de onderkant. Hierdoor kan ook de onderkant nog wat licht opvangen. Een tweede snoei is niet altijd nodig, maar heeft wel als voordeel, dat een haag door zijn compacte vorm bij zware regen- of sneeuwval niet uit zal gaan hangen. Ook uw buxushaagjes en buxusfiguren kunt u nu nog snoeien. Wacht u er echter niet te lang mee, want nieuwe scheuten zullen dan voor de winter niet meer op tijd afrijpen. Om snoeiafval snel te verwijderen is het handig om een stuk plastic onder de haagjes te leggen als u aan het snoeien bent.

In deze periode kunt u ook heel goed coniferenhagen planten. Ze kunnen dan goed geworteld de winter in. Meestal is, afhankelijk van de hoogte, voor Taxus en Thuja ongeveer 2,5 exemplaar per strekkende meter nodig. Voor u gaat planten graaft u een plantensleuf, die breed en diep genoeg is (circa 40 cm breed en 30 cm diep). Vervolgens spant u een draad, zodat alle planten netjes in een rij komen te staan. Daarna maakt u de ondergrond goed los en mengt u de ondergrond en de uitgespitte grond met voldoende compost. De planten kunnen vervolgens op de juiste onderlinge afstand neer worden gelegd en zo snel mogelijk worden geplant.

Om uitdroging te voorkomen is het daarom verstandig om planten met kale wortels nooit lang boven de grond te laten liggen en zo snel mogelijk te planten. Het planten kan het beste met twee personen worden gedaan, zeker als het struiken zonder kluit betreft. De ene persoon houdt de planten op de juiste hoogte in de sleuf en de andere brengt de grond terug en trapt de grond stevig, maar voorzichtig aan. Plant u tijdens een droogteperiode, zorgt u dan voor een goed ingewaterde grond. Inwateren gebeurt bij voorkeur op het moment dat de helft van de grond in de sleuf is teruggeschept. Het water dringt dan goed de grond in en kan niet weglopen. Voor het planten dient de gaaslap om de kluit verwijderd te worden, anders zullen nieuwe planten de grootste moeite hebben om aan te slaan. Vaak verteert het gaas wel, maar dan kan het voor uw haag al te laat zijn. Het is misschien wat meer werk, maar wat maakt dat uit als u weet dat hagen, die goed worden onderhouden, jarenlang mee kunnen. Bij droogte is het belangrijk om er voor te zorgen, dat de haag regelmatig water krijgt.

Anneke

Tuintips week 37

Begin september worden meestal de eerste tekenen van de herfst zichtbaar.

Het is  nog zomer, maar ook al een klein beetje herfst. Bomen verliezen steeds meer van hun groene zomerkleur en kleuren weg naar mooie rode en gele tinten.

Er zijn zelfs bomen, die om hun mooie herfstkleuren worden aangeplant. Vooral Acer-soorten hebben vaak prachtige herfstkleuren. Acer saccharinum, de zilver- of witte esdoorn heeft bijvoorbeeld een purperen-oranje-gele herfstkleur en Acer rubrum ‘Scanlon’ heeft een rood-oranje kleur. Niet alleen Liriondendron tulipifera, de tulpenboom heeft een prachtig geel herfstkleed,  maar ook  Liquidambar styraciflua, de amberboom heeft een mooie geel-oranje en purper herfstkleur (goede cultivar: ‘Anja’).

Wilt u zelf ook een boom met mooie herfstkleur aanschaffen, brengt u dan in deze periode eens een bezoekje aan boomkwekerij Esveld in Boskoop. Bij deze kwekerij zijn naast veel esdoorns ook nog andere mooie boomsoorten te bewonderen. Zo kunt u ter plaatse, met het kleurende blad nog aan de bomen, uw keuze bepalen.

Het is hierbij wel van belang van vooraf te bedenken op welke plaats u de boom wilt zetten. Ook hier geldt dus: de juiste boom op de juiste plaats!

Als u ervoor hebt gezorgd om bepaalde vaste planten op tijd terug te knippen, dan kunt u nu genieten van hun tweede bloei in combinatie met herfstbloeiende vaste planten. Hoewel wat bescheidener dan bij de eerste bloei zullen planten als Salvia x Superba, Achillea en Phlox nogmaals hun schoonheid tonen.

In deze weken kunt u  ook nog heel goed nieuwe vaste planten een plaatsje in de tuin geven. De grond is nog warm, zodat de planten snel aan zullen slaan. Het is nu goed te zien waar de borders in uw tuin nog wat opgefleurd kunnen worden. Herfstbloeiende planten kunt u in dat geval gerust een plekje laten opvullen.

Herfstbloeiers, zoals Aconitum, herfstbloeiende Aster en siergrassen zijn vaak hoge planten. Het is verstandig ze op tijd een steuntje te geven. Dit kan door het plaatsen van speciale plantensteunen of rijshout, zodat ze tijdens de eerste de beste herfststorm niet direct omliggen.

Verder kunnen vaste planten, die niet op de juiste plaats staan nu goed worden verplant. Ook deze planten hebben dan nog volop de gelegenheid om op de nieuwe plek goed aan te slaan.

Ook groenblijvende heesters en coniferen kunnen in deze periode goed worden verplant. Het is wel verstandig dit niet te doen als het droog en warm is. Beter is het dan te wachten op een wat koelere en vochtiger periode.

Anneke

Tuintips week 36

Van in deze periode gesnoeide buxusstruikjes (mocht u ze nog hebben) kunt u het snoeiafval gebruiken om te stekken. Takken van vijf tot zeven cm lengte, waarvan de onderste blaadjes zijn verwijderd, zijn hiervoor prima te gebruiken. Omdat Buxus vrij gemakkelijk wortelt, is het gebruik van wortelpoeder niet nodig. Wel moet de stekgrond een goede zuurgraad en een goede water- en luchthuishouding hebben. Steekt u de stekken dicht bij elkaar in de grond en sproeit u ze licht. Het duurt meestal zo’n zes tot negen weken voordat ze geworteld zijn. De stekken met wortel kunnen worden opgepot of ter plaatse worden geplant.

Ook Lavandula, Salvia, Rosmarinus, Santolina en Helianthemum kunt u goed stekken. Bij deze kruidachtigen kunt u, evenals bij coniferen, het beste een hielstekje nemen. Snijdt u het hieltje wat bij en knipt u ook het zachte topje van de stek af. Plant de stekjes in bak of pot, geef ze water en zet ze weg.

Een aantal planten in de tuin kan ook worden vermeerderd door houtstek. Houtige stekken kunt u de hele winter nemen. De kans op succes is echter het grootst als het blad net gevallen is. Stevige scheuten zijn hiervoor het meest geschikt. Deze stekken moeten minstens 15 tot 20 cm lang zijn en worden behandeld met een stekmiddel. Gebundeld worden deze stekken opgekuild op een beschut plekje in de tuin. In het voorjaar worden de stekken op ongeveer 10 cm van elkaar uitgeplant, waarbij ze circa 3 cm boven de grond uitsteken. In de herfst daarop zullen de stekken wortel hebben gemaakt en kunnen ze worden gerooid en eventueel opgepot.

Heeft u echter niet zoveel plek om te stekken, dan kunt u ook een oude vermeerderingsmethode gebruiken: het zogenaamde afleggen. Veel struiken die in de zomer bloeien zijn gemakkelijk te vermeerderen door stengels die al over de grond liggen of naar de grond zijn af te buigen, af te dekken met een laagje grond. Het stengeldeel dat wordt afgedekt met grond, moet minstens drie bladeren met ogen hebben. De stengel wordt op het gedeelte ter hoogte van de bladeren beschadigd door de bast voorzichtig los te maken met een mes. De stengel met verwondingen wordt op een laagje verse aarde gelegd en afgedekt met grond, waarna de grond licht wordt aangedrukt. Als de stengel niet uit zichzelf blijven liggen, dan kan de stengel met behulp van krammen of u-vormig gebogen ijzerdraad worden vastgezet in de bodem. De grond die wordt gebruikt om af te dekken, kan de bestaande tuinaarde zijn of er wordt potgrond voor gebruikt. De top van de scheut moet wel boven grond blijven uitsteken. Ter plaatse van een bladoog vormen zich uiteindelijk wortels. Soms kan dit lang duren. Zijn de scheuten eenmaal beworteld, dan worden ze losgeknipt van de moederplant en opgepot. Als in het begin van de zomer wordt afgelegd en aangeaard, zijn de stengels in het najaar meestal beworteld.

Kuipplanten als Fuchsia en Pelargonium kunt  u heel makkelijk in water stekken. Probeert u het maar eens…

Anneke

 

Tuintips week 35

Door planten zelf te zaaien of te stekken kunt u flink geld besparen. Augustus is bij uitstek, een maand om te stekken. In augustus heeft een aantal heesters en halfheesters (kruidachtigen) inmiddels mooie twijgen en uitlopers gemaakt, die naar de winter toe zullen gaan verhouten. Deze halfverhoute twijgen zijn uitermate geschikt. Ook zachte planten, zoals Pelargonium, tuingeranium kunt u nu zo vermeerderen.

Voordat u met stekken begint, maakt u eerst de (liefst plastic) potten of bakken klaar. Ook koffiebekertjes, yoghurtbekertjes of andere kunststof kuipjes kunt u hiervoor gebruiken. Maakt u deze goed schoon en zorgt vooral voor afvoergaatjes. U kunt ook turfpotjes gebruiken. Turfpotjes zijn van samengeperste turf. De wortels van de stek kunnen door de potwand kunnen groeien en u kunt ze met pot en al planten. De grond, waarin u stekt moet fijn gezeefd en vochtig zijn en verder moet er wat scherp zand aan worden toegevoegd. U kunt hiervoor ook speciale zaaigrond gebruiken. De grootte van de stek hangt af van de grootte van de plant waarvan u stekt. De stek (meestal zo’n 10 cm) snijdt u met een scherp mes of knipt u met een snoeischaar schuin onder een bladknoop af. Bij voorjaarsbloeiende heesters is het stekken van de toppen van de in dit jaar gegroeide twijgen, de kopstek, ideaal. De onderste bladeren van de stek worden verwijderd, maar ook grote bladeren, die voor een grote verdamping zorgen. Het is van belang de stekken niet te dicht bij elkaar te zetten. U kunt voor een goede verdeling zorgen door met een stokje gaatjes op de bestemde plaatsen in de grond te prikken. De stekken worden vervolgens voor een derde in de grond gestoken. Hierna goed aandrukken en sproeien. Ter bevordering van de groei kunt u stekken in een bak afdekken met doorzichtig plastic of een glasplaatje. Bij potten kan het door een lunch- of pedaalemmerzakje over de pot te doen. Om de vorming van schimmels te voorkomen is het belangrijk dat het plastic de stek niet raakt. Bij een grote stek in een pot kan dat door in de pot vier stokjes te plaatsen waarover het plastic wordt gespannen. Bescherm de stekken in de winter tegen de kou en vorst door ze bijvoorbeeld naar binnen te halen.  Aan het einde van de winter kan men de stekken oppotten.

Om coniferen te vermeerderen heeft u een stek met een hieltje nodig. Hiervoor trekt u een jonge zijscheut los. Een stukje van de bast en het hout van de oudere stengel wordt meegenomen. Stekken met een hieltje zijn beter bestand tegen rot, maar ook stengelstekken die moeilijk wortelen, zullen zo meer kans maken. Snijdt het hieltje wat bij en verwijdert u de onderste ‘bladeren’. Ook groenblijvende heesters kunnen het beste met een hieltje worden gestekt.

Hoewel sommige tuiniers gek zijn op stekpoeder is het niet altijd noodzakelijk dit te gebruiken. Weest u er dus zuinig mee; te veel stekpoeder verhindert namelijk juist de wortelvorming!

Anneke

Tuintips week 34

In de nazomer, heeft het gazon wederom een onderhoudsbeurt nodig. Ook kunt u, als er veel mos in het gras zit, voor een tweede keer verticuteren. Wacht in deze maand verder met maaien tot het gras droog is, omdat anders de zoden open worden getrokken. Meestal betekent dit, dat het maaien tot de middag moet worden uitgesteld.

Bent u van plan uw gazon opnieuw in te zaaien, dan zijn augustus en september uitermate geschikt, omdat de temperatuur gunstig is en er ook voldoende neerslag valt. In het voorjaar kunt u ook zaaien, maar dan zijn deze gunstige omstandigheden minder vaak aanwezig. Bent u dus niet tevreden met de huidige grasmat, neemt u dan nu het gazon op de schop, zodat u volgend jaar kunt genieten van een verse groene mat.

Is een mol de oorzaak van het vernieuwen van uw gazon, dan is het misschien verstandig om onder het gras fijnmazig gaas aan te brengen. Het gaas zorgt, dat uw gazon een onneembare barrière voor mollen wordt. Ook schijnen mollen op de vlucht te gaan voor z.g. ‘flessenwind’. Voor het veroorzaken van ‘flessenwind’ moet u een fles zó diep in de grond graven, dat hij nog nét met zijn hals boven de oppervlakte komt. Het geluid dat door de wind in de fles wordt gemaakt, zou mogelijk helpen mollen op de vlucht te laten slaan. Wie weet!

Nu even terug naar het zaaien. Voordat u gaat zaaien, spit u de bestaande grasmat goed diep onder. Hierna trapt u de losgespitte grond stevig aan met een eventueel onder de schoen of laars gebonden plank. Vervolgens wordt de grond aangeharkt. Nadat u de grond goed heeft bewerkt, kiest u het voor uw gazon juiste grasmengsel uit (volle zon, halfschaduw e.d.). Voor een grasmat van circa 100 m² heeft u ongeveer 3 tot 3,5 kg graszaad nodig. Hoe groter de grasmat, hoe minder u nodig heeft. Aanwijzingen om te zaaien staan altijd op kleinverpakkingen.

Bij grote gazons doet u het volgende: u verdeelt het gazon in stukken en maakt per deel een hoeveelheid graszaad klaar. Het is het beste bij windstil weer te zaaien en op vochtige grond. Voegt u aan het zaad wat zand toe om tot een betere verspreiding te komen. Harkt u het graszaad vervolgens licht in en rolt of trapt u het daarna nog even goed aan.

Als het gras ongeveer 6 cm hoog is, kunt u het gras voor de eerste keer maaien, maar wel met de messen van de maaimachine op de hoogste stand. Wacht ook nu tot het gras goed droog is.

Het leggen van graszoden kan, met uitzondering van vorstperiodes, nagenoeg het hele jaar door gebeuren. Maar ook verdient het  de voorkeur om de zoden in het najaar te leggen. Bij aanhoudende droogte zult u  de pas gelegde graszoden voortdurend vochtig houden moeten houden om verbranden of krimpen van de zoden te voorkomen. Heeft u juist voor een vorstperiode gras gelegd, dan is het verstandig om na de vorstperiode het opgevroren gras weer gelijk te rollen. Succes!


Anneke

Tuintips week 33

Tweejarige planten, die zichzelf in uw tuin hebben uitgezaaid kunt u nu verplaatsen, maar u kunt in deze periode ook nieuwe tweejarigen zaaien. Ze zijn namelijk goede vervangers van bollen die na hun bloei gerooid worden. Tweejarigen worden in het ene jaar gezaaid en verspeend, overwinteren als bladrozet en komen, na in het volgende voorjaar te zijn uitgeplant, in de zomer tot bloei. Na de bloei vormen ze zaad en sterven ze vervolgens af. Soms, met name bij Alcea, komt het voor dat een tweejarige plant, zich als een meerjarige plant gaat gedragen. Dat is dan een prettige bijkomstigheid.

Nadat u tweejarigen gezaaid heeft, zet u de zaaibakjes in een bak onder glas en in het donker: de meeste zaden kiemen het best op een donker plekje. Houdt het zaad vochtig. Als de jonge plantjes groot genoeg zijn kunt u ze verspenen en in de koude bak laten overwinteren. Bij strenge vorst is het verstandig de koude bak met rietmatten of iets dergelijks te beschermen. De zaailingen kunnen in het voorjaar op de voor hen bestemde plek worden uitgeplant.

Enkele tweejarige soorten zijn: Alcea rosea , Bellis perennis, Campanula medium, Cheirantus cheiri, Dianthus barbatus, Dipsacus fullonum, Salvia sclarea, Verbascum densiflorum, Viola Wittrockiana-hybriden en natuurlijk Digitalis purpurea, het bekende vingerhoedskruid.

Plaats in of op elk zaaibakje een etiket met daarop de naam van het zaaigoed en het zaaitijdstip.

Vroegbloeiende planten, zoals rotsplanten, kunnen nu ook op een andere plaats worden gezet.

Maar ook is het begin van de maand augustus geschikt om herfstbloeiende bloembolletjes, zoals Colchicum autumnale, herfsttijloos; Cyclamen hederifolium en herfstbloeiende krokussoorten te planten. Doe dit op tijd, want als de bolletjes uitgelopen zijn, is het moeilijk ze zonder schade te planten. De herfsttijloos, die op ongeveer 10 cm diepte wordt gepoot, gedijt het best op vrij zware kleiachtige grond. Het blad en de vruchtdozen verschijnen in het voorjaar, terwijl in september, de naakte bloemen te bewonderen zijn. Laat ze na de bloei rustig staan, waardoor ze zich rijkelijk kunnen vermeerderen. In de natuur is de herfsttijloos te vinden in vochtige graslanden (uiterwaarden) en in vochtige bossen op voedselrijke grond. Herfstbloeiende krokussen groeien het best in humusrijke zandgrond.

Omdat de nachten in augustus al weer vochtig worden, steken in deze periode schimmels de kop weer op. Vooral rozen zijn hier vaak het slachtoffer van. Het is goed hierop bedacht te zijn en de schimmelaantasting zo snel mogelijk met een antichimmelmiddel te bestrijden. Sommige middelen bestrijden vaak meerdere schimmelaantastingen (zowel meeldauw als roest). Hierna moet u goed op blijven letten, omdat deze schimmels gemakkelijk en snel weer terugkomen.

Ook bladluis blijft een steeds terugkerend probleem. Op tijd constateren en aanpakken is ook hier de beste manier.

Anneke

Tuintips week 32

Om ook in de winter nog te kunnen genieten van de kleuren van de zomer is het  slim in augustus bloemen die geschikt  zijn om te drogen op het juiste tijdstip te oogsten. De bloemen van Helichrysum mogen bijvoorbeeld niet helemaal geopend zijn, terwijl Statice en Gypsophila juist moeten worden gesneden als ze volop in bloei staan. Droogbloemen kunnen het beste ‘s morgens vroeg worden geplukt. Na het plukken verwijdert u de blaadjes en maakt u van de geplukte bloemen niet te dikke bossen. Gebruikt u een elastiekje om de bossen te bundelen, zodat tijdens het droogproces de stelen niet uit de bos zullen vallen. Een elastiekje krimpt namelijk mee, terwijl een touwtje dat niet doet. De bossen moeten omgekeerd in een goed geventileerde ruimte worden opgehangen.

Ook kruiden als Origanum majorana en Origanum vulgare kunnen worden geplukt en gedroogd. Bepaalde kruiden schijnen, volgens oude kruidenboeken, zelfs op “magische” momenten te moeten worden geplukt, bijvoorbeeld bij volle maan. Dit klinkt u misschien raar in de oren, maar omdat de gehaltes aan werkzame stoffen van dag tot dag en van uur tot uur verschillen zijn er, per plant, optimale momenten om te oogsten. De meeste soorten bevatten echter vlak vóór de bloei de hoogste concentraties aan werkzame stoffen, bij sommige in de wortels, bij andere weer in de toppen van de plant.

De methode van drogen kan per soort verschillen, maar voor de meeste kruiden geldt het volgende: droogt de kruiden zo snel mogelijk, maar vermijdt felle zon en hangt u de kruiden, net zoals de droogbloemen, in een goed geventileerde ruimte, zodat schimmels geen kans kunnen krijgen. Na ongeveer een week zijn de kruiden droog en kunnen ze worden verwerkt. Meestal blijven gedroogde kruiden ongeveer een jaar lekker. Sommige kruiden zijn echter slecht te drogen en kunnen na de oogst  beter in de diepvries worden bewaard zoals bijvoorbeeld Ocimum basilicum, basilicum.

Naast dit oogsten en drogen, is er in de border inmiddels al het een en ander uitgebloeid. Om te voorkomen, dat er een rommelig beeld ontstaat, kunt u een flink aantal uitgebloeide bloemen verwijderen. Sommige vaste planten reageren hierop met een tweede bloei. Toch moet u om de vorming van zaad mogelijk te maken niet alle uitgebloeide bloemen verwijderen.

Veel zaden rijpen in augustus en de gemakkelijkste manier om ze te verzamelen, is het afknippen van het hele zaadhoofdje of doosje. Het zaad is rijp als het vanzelf los komt. Is het zaad voldoende gedroogd, dan maakt u het zaad schoon en kunt u  het bijvoorbeeld in de plastic hulsjes van fotorolletjes bewaren.

Sommige planten, zoals Digitalis en Verbascum-soorten zaaien zich ongevraagd zelf uit. Deze vaak tweejarige planten kunt u nu opnemen, op een goede plaats zetten of in een pot voor een andere tuinliefhebber bewaren.

Anneke

Tuintips week 31

Als u tijdens deze weken van betrekkelijke rust lekker op uw tuinbankje zit, is het goed eens met een kritische blik naar uw borders te kijken. Soms valt de combinatie van twee ‘buur’-planten niet helemaal mee of blijken planten toch hoger en groter te zijn, dan dat u had gedacht. Ook staan planten soms toch niet op de goede plaats en krijgen ze of te veel of te weinig zon. Deze ‘foutjes’ zijn gelukkig weer goed te maken, want niets is zo flexibel als de tuin.

Toch is het maken van een beplantingsplan niet iets dat u alleen uit boeken en tijdschriften kunt leren. Het ontstaan van een mooie border is niet alleen afhankelijk van een stukje theorie, maar ook het gevolg van kijken en uitproberen. In elke tuin zijn de omstandigheden namelijk anders en spelen weer andere elementen een hoofdrol. 

Een aantal uitgangspunten bij het samenstellen van een border is er natuurlijk wel. U kunt bijvoorbeeld kiezen voor een border in een bepaalde kleur, maar ook planten kiezen om hun bladvorm of structuur. Ook contrast in bladvorm (kleinbladig en grootbladig), kleur en bloeiwijzen (aarvormig, bolvormig, schotelvormig) kunnen uitgangspunten zijn. Verder moet u er rekening mee houden, dat sommige planten misschien qua kleur wel bij elkaar passen, maar niet qua vorm. Ook vraagt iedere plant zijn eigen groeiomstandigheden (zon / schaduw, droog / vochtig). Na deze ‘studie’ is het slim mogelijke veranderingen op te schrijven, zodat u dit in het komende na- of voorjaar kan veranderen.

Heeft uw border na de zomerse uitspatting van kleuren en geuren haar aantrekkelijkheid verloren en is er in de herft verder weinig meer te verwachten, bekijkt u dan eens waarmee u uw border ook in de herfst aantrekkelijk kunt  maken.

Denkt u eens aan herfstanemonen, die tot de mooiste laatbloeiers in de tuin behoren. Maar ook Salvia uliginosa met zijn prachtige lichtblauwe kleur is een sierraad in de herfsttuin. Verder zullen Rudbeckia, Sedum-soorten, Aconitum, herfst bloeiende Aster en de fraaie Cimicifuga een positieve bijdrage aan uw herfsttuin kunnen leveren.

Vergeet ook de grassen niet. Met name voor de herfstperiode zijn grassen belangrijk. Naast de Calamagrostis- en Molinia-soorten verdienen ook de prachtige Miscanthus-cultivars zoals: Miscanthus sinensis ‘Kleine Silberspinne’, Miscanthussinensis ‘Kleine Fontäne’ door hun bloei vanaf eind juli tot november een plaatsje in de border. Vooral bij vijvers doen grassen en riet het erg goed. Heeft u geen vijver, dan geen nood, want voor iedere tuin en iedere situatie is er wel een geschikte grassoort te vinden.

Door af en toe te verplanten blijft een tuin, zeker een tuin met vaste planten, constant aan verandering onderhevig. Niet alleen verander je eens wat, of koop je eens wat, maar ook kunnen planten soms ineens wegvallen. Als u het tuinieren echter blijft zien als één groot avontuur, zult u nooit teleurgesteld zijn!


Anneke

Tuintips week 30

In deze periode van het jaar is het eigenlijk alleen maar genieten. De werkzaamheden in de tuin beperken zich tot het verwijderen van dode bloeiwijzen, het hier en daar aanbinden van een klimmer en het geven van water aan kuipplanten en ‘hanging baskets’.

Ook  Fuchsia is een dorstige plant, zelfs als het regent. Ik vraag me wel eens af wat mensen denken als ik tijdens een regenperiode met een gieter in de hand langs deze planten marcheer. Door het dichte bladerdek van Fuchsia valt regen echter vaak langs bladeren en pot en drogen ze toch uit. Soms is het op een warme dag, door de grote verdamping nodig zelfs twee keer te gieten. Zelf zet ik onder de potten van Fuchsia, in warme perioden, meestal een plantenschotel. Als u dan giet en de kluit is droog, loopt het water niet direct weg, maar blijft op de plantenschotel achter. Zo kan de plant in zijn eigen tempo het water opnemen. Let er echter wel op, dat het water ook werkelijk opgenomen wordt, want de wortels van planten die constant in het water staan, kunnen gaan rotten. Hierdoor kan de plant geen water en voedsel opnemen en sterft af.

Omdat Fuchsia in een vrij korte periode veel moet presteren heeft hij ook regelmatig mest nodig. Vooral organische mest geeft goede resultaten. Deze mest heeft verder als voordeel, dat door het grote stofgehalte de potgrond humusrijk blijft. Aangezien de planten de gelegenheid moeten krijgen om te verhouten/af te rijpen is het verstandig om eind augustus minder mest te geven en na september helemaal te stoppen. Let er bij het bemesten wel op, dat u nooit mest geeft op een droge potkluit; dus eerst water en dan mest. Tijdens de bloei worden uitgebloeide bloemen en verwelkte blaadjes verwijderd en bessen afgeplukt.

In feite geldt het bovenstaande voor alle waterminnende kuipplanten. Met kuipplanten, die weinig tot geen water nodig hebben, moet u echter weer op andere zaken letten. Juist water kan voor deze, vaak warmteminnende planten, funest zijn. Wortelrot en schimmels zullen gemakkelijk toe kunnen slaan. Bij Pelargonium kan Botrytis optreden; dit is een schimmel, die kan optreden in natte zomers. Het is verstandig aangetaste bloemen in dit geval te verwijderen en als het mogelijk is de planten ‘s nachts uit de regen te houden. Zet u ook andere warmteminnende planten bij langdurige regenval onder een afdakje.

Ook het gazon vraagt nog steeds aandacht. In perioden dat het gras snel groeit, kunnen de messen van de grasmaaier wat lager worden afgesteld. Soms is het zelfs nodig meer dan eens per week te maaien. Bij warme dagen is het verstandig niet in de ochtend te maaien maar dit klusje uit te stellen tot de avonduren. Hiermee voorkomt u dat de grasplantjes verbranden. Heerlijk die geur van pas gemaaid gras in de avond!


Anneke

Tuintips week 29

Ook al heeft u tijdens uw vakantie een goede tuinoppas, het is beter niet de illusie te hebben, dat uw tuin er bij thuiskomst nog hetzelfde uitziet. De planten in uw tuin groeien namelijk door en zullen afhankelijk van zon of regen, bij uw terugkeer al dan niet uitgebloeid zijn. Gaat u altijd in de periode juni/juli op vakantie dan is het zinvol om bij de aanschaf van planten hier eens stil bij te staan. U zult ontdekken dat er ook vaste planten zijn, waarbij de bloei pas in augustus valt. Het is sowieso verstandig voor een gespreide bloei het hele jaar rond te kiezen, zodat er elke week weer iets nieuws te ontdekken valt. U kunt de hoofdbloei desnoods eerder of later laten vallen.

Denkt u in de zomer ook aan de vogels? Ook vogels kunnen het bij warm weer ‘benauwd’ hebben. Zet daarom op een veilige plek een vogeldrinkschaal of bak, waarin vogels naar hartelust kunnen ‘badderen’.

Een aantal werkzaamheden blijven steeds opnieuw terugkomen. Uitgebloeide bloemen moeten worden verwijderd, gras worden gemaaid en onkruid gewied. Vooral in de zomermaanden bloeien er naast vaste planten ook veel onkruiden d.w.z. niet gewenste planten. Soms kan onkruid ook erg mooi zijn. Maar kruid, dat niet gewenst is, dient u, met wortel en al, te verwijderen, zodat het niet tot bloei kan komen. Als de wortel van het onkruid namelijk achter blijft, is het wieden voor niets geweest en zal de plant met dezelfde vaart als voorheen opkomen en verder groeien. Het uittrekken van onkruid, vooral tussen tegels of bestrating, lukt het beste als de grond tussen de bestrating vochtig is. Na een fikse regenbui lukt dit het gemakkelijkst.

Naast het genieten van de eigen tuin, is het ook leuk om eens bij een ander ‘over de heg’ te kijken. Bezoekt u eens een botanische tuin in de buurt of een arboretum of rosarium. Hier kunnen vaak nieuwe ideeën op worden gedaan. Maar ook een bezoek aan een modeltuin of een kwekerij, ergens in het land, kan inspirerend werken. Vaak kom je hier ook andere planten tegen dan die je in je eigen omgeving kan vinden.

Houdt er wel rekening mee, dat planten, die u uit het buitenland meebrengt en die daar de winter met gemak overleven, hier na een strenge winter, wel eens verdwenen kunnen zijn. Langs de Engelse zuidkust bijvoorbeeld, waar het klimaat vaak subtropisch is, overleven dergelijke planten de winter wel. Dit komt omdat het daar nauwelijks vriest. Vaste planten, zoals Lavatera groeien daar metershoog, maar ook kunt u er enorme grote vaste Fuchsia’s  (Fuchsia magellanica) aantreffen. In Devon heb ik zelf een exemplaar van Fuchsia magellanica aangetroffen, die wel vier meter hoog was. Zet ook eens winterharde Fuchsia in uw tuin. Met hun langdurige bloei zullen ze u zeker bekoren en na een milde winter zullen ze zeker  langs de kust ook bijna  1.50 tot 2.00 meter hoog groeien.

Anneke

Tuintips week 28

Nu de vakantieperiode weer is aangebroken zou u zich, als tuinier in hart en nieren, wel eens kunnen afvragen, waarom u juist in deze periode op vakantie gaat. Vaak is de tuin op zijn mooist, terwijl het ook nog eens de warmste periode van het jaar is (of zou moeten zijn). Menig hittegolfje teisterde mijn tuin, terwijl ik in verre oorden vertoefde (arme tuinoppas!). Met een schuin oog hield ik dan het weerbericht in Nederland in de gaten en keek ik in de krant of het thuis misschien toch niet zou gaan regenen.

Toch kan de tuin er na de vakantie nog redelijk uitzien en wel door uw tuin in de week voordat u vertrekt een flinke onderhoudsbeurt te geven. Uitgebloeide bloemen haalt u zoveel mogelijk weg, maar ook bloeiende planten knipt u terug. Zo kan een plant geen zaad maken en steekt hij zijn energie in het vormen van nieuwe bloemknoppen. Verzet ook geen planten meer, omdat deze tijdens een warme periode als eerste gedoemd zijn te verdrogen. Hoge planten kunt u een steuntje geven, zodat ze bij een zware regenbui niet omvallen en uitlopers van klimmers kunt u aanbinden. Het is ook verstandig om het gras vlak voor uw vertrek niet te maaien. De maaimachine kan het best bij de laatste beurt op een iets hogere stand staan. Bij thuiskomst kan het gras beter wat langer zijn, dan kort en verdroogd. Maait u de eerste keer na de vakantie ook op deze stand. Ook het geven van mest kunt u beter kort van tevoren achterwege laten. Tijdens droge weken zal de mest het gazon eerder kwaad dan goed doen. Bij extreme droogte trekken de zouten in de mest het vocht als het ware uit het gras en zal een bruine grasmat het resultaat zijn. Verder moet  u om uitzaaien te voorkomen, aanwezig onkruid verwijderen en grasrandjes netjes bijwerken.

Zet kuipplanten bij elkaar in de buurt van een waterpunt of legt u een tuinslang in de buurt (fijn voor de tuinoppas!). Planten, die snel verdrogen zet u het liefst op een koele plaats uit de zon. Hanging baskets kunnen op een emmer met een laagje water worden gezet en eveneens bij de kuipplanten worden geplaatst.

Uit doorbloeiende rozen knipt u de uitgebloeide bloemen en brengt u bloemstengels terug tot het eerste naar buiten gekeerde vijfblad. Dit is trouwens een steeds terugkerend werkje, waarvoor u wordt beloond met steeds weer nieuwe bloemknoppen. Kijkt ook uw rozen en andere schimmelgevoelige planten nog even na op schimmels. Het is slim ze preventief te behandelen.

Het allerbelangrijkste voor vertrek is echter het regelen van een goede tuinoppas, het liefst een die met evenveel liefde en plezier als u zelf, zijn of haar tuin verzorgt. Maar voor iets minder doen wij het natuurlijk ook! Mocht een tuinoppas niet te vinden zijn, dan zijn er tegenwoordig gelukkig allerlei druppel- en bevloeiingssystemen. Prettige vakantie!


Anneke

Tuintips week 27

Eind juni, begin juli zal lavendel weer volop in bloei staan. Bij lavendel denken we meestal aan de meest toegepaste soort, namelijk Lavandula angustifolia. Toch zijn er nog heel veel andere soorten lavendel. Deze soorten zijn echter niet allemaal winterhard, maar kunnen vaak wel als kuipplant dienst doen en op een vorstvrije plaats overwinteren. Vooral de Lavandula dentata, tandlavendel met zijn variëteiten is hier een goed voorbeeld van.

Ook Lavandula stoechas,  kuiflavendel is een prachtige lavendelsoort en wordt tegenwoordig wat vaker in de tuin toegepast. Deze lavendel is sterker dan de tandlavendel en kan tijdens zachte winters in de volle grond redelijk overleven. Bij langdurige vorstperiodes zal deze lavendel echter in de problemen komen.

Om de geur van lavendel zo lang mogelijk te bewaren, kunt u, als de eerste bloemetjes opengaan, wat bosjes lavendel knippen en deze drogen door na het knippen een elastiekje om de bosjes te doen en ze ondersteboven op te hangen.

Kunt u soms slecht in slaap komen, hangt u dan een zakje met gedroogde lavendel naast uw bed of maakt u een kussentje van stof, dat u met lavendel vult. Door bij slapeloosheid zachtjes in het kussentje of zakje te knijpen, komt de geur en aroma van lavendel vrij en kan de kalmerende werking zorgen voor een goede nachtrust.

Als lavendel is uitgebloeid, knipt u de uitgebloeide stengels af. In het voorjaar kunt u het struikje verder in vorm snoeien (ca. 1/3 van de toppen af snoeien). Wilt u weten wat u nog meer met lavendel kunt doen, leest u dan het boekje ‘Lavendel – de geur van bloemen’ van Joanna Sheen.

Lavendel is echter niet alleen blauw. Er zijn ook roze en witte lavendelsoorten, die evenals blauwe lavendel voor mooie combinaties met andere planten kunnen zorgen. Mocht u zelfs ‘lavendelgek’ zijn, dan is een bezoek aan de kruidenkwekerij van Roger en Linda Bastin in Aalbeek (Hulsberg) de moeite waard.

Naast een bijzondere collectie Salvia, Santolina, Thymus en Rosmarinus kunt u er bijna honderd verschillende lavendelsoorten vinden.
Naast de heerlijke geuren van lavendel zijn er natuurlijk nog veel meer geurende planten. Probeert u er  bij aanschaf van planten op te letten of ze geuren. Cultivars van sommige planten ruiken vaak sterker dan de oorspronkelijke plant.

Plaats geurende planten dicht bij het terras of langs paadjes. Door er langs te lopen zullen deze planten u belonen met hun geuren. Enkele geurende planten zijn:  Brugmansia, Cheiranthus cheiri  (synoniem voor Erysimum), Hesperis matronalis, Heliotropium, LathyrusNicotiana, Pelargonium, Oenothera, Phlox  en Matthióla incana, violier.

Vergeet u echter ook geurende struiken, zoals Cytisus, Deutzia, Lonicera, Philadelphus en Viburnum niet.

Anneke

Tuintips week 26

Na een prachtige bloeiexplosie zal de grootbloemige Rhododendron nu wel uitgebloeid zijn. Denkt u er vooral bij hele jonge struiken aan om de oude bloeiwijzen, net boven de knoppen van de jonge scheuten, weg te breken. De jonge scheuten, die voor de bloei van het volgende jaar zorgen, zullen hierdoor beter groeien. Bij de kleinbloemige soorten is dit ‘onthoofden’ niet nodig.

Bij sommige vaste planten die uitgebloeid zijn, kunt u om de bloei te verlengen de uitgebloeide bloemen en bloeiwijzen eruit knippen. De planten zullen hun energie dan niet steken in het vormen van zaad, maar in nieuwe bloemknoppen. Vooral Campanula-soorten, maar ook Achillea en margrieten zijn hier een goed voorbeeld van. Ook Delphinium, ridderspoor moet direct na de bloei worden teruggeknipt tot op 5 cm. Met wat mest, water en voldoende licht is een tweede bloei zeker mogelijk.

Als het warm weer is zult u extra zorg moeten besteden aan ‘hanging baskets’ en kuipplanten. Hoe meer blad een plant heeft, des te meer water zal er verdampen. Maar ook een plant op een zonnige locatie zal meer water verbruiken dan een zelfde plant op een koelere plaats. Soms is het zelfs nodig om kuipplanten en planten in potten tweemaal per dag water te geven.

Hebt u een grote verzameling kuipplanten dan is het handiger om dit met een tuinslang te doen. Dit bespaart u veel gesjouw met gieters. Bij een wat grotere tuin is het ook handig om meerdere regentonnen te plaatsen. Een overloopje aan een regenpijp is snel aangebracht en kost niet zoveel. Zet uw planten dan in de buurt van de regenton, zodat u er – bij voldoende neerslag – makkelijk water uit kan halen. Hebt u al een regenton dan vindt een hanging basket het heerlijk daar eens voorzichtig in ondergedompeld te worden. Vergeet verder niet om élke dag water te geven, want de grond raakt door wind en zon snel uitgedroogd. Denkt u eraan de gieter niet in één keer leeg te schenken om zo de grond in de mand de tijd  te geven het water op te nemen. Doet u dit niet, dan komt het water er aan de onderkant, net zo snel uit als dat het er boven in gaat. Naast water heeft een kuipplant of hanging basket ook voeding nodig. Een handje koemestkorrels doet soms wonderen. Ongewenste ‘beestjes’ moet u ook hier op tijd aanpakken.
Het is verstandig om kuipplanten direct als u ze buiten zet te beschermen tegen omwaaien. Een mogelijkheid is om planten, die op de grond komen te staan, vast te zetten met een betonijzer van circa 1 meter lengte en een dikte van 6 mm. Deze staaf slaat u door de pot in de grond, zodat er nog 30 tot 50 cm boven de grond uitsteekt. Het uitstekende gedeelte wordt met binddraad aan de stam vastgezet. Een andere manier is om drie stukken ijzerdraad aan de bovenkant van de potten om de rand te buigen en de onderkant van de draad een stuk in de grond te duwen.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 25

Rond half juni is de tuin meestal op zijn mooist. Vaste planten, omlijst door het jonge groen van struiken en bomen, geuren en kleuren. Planten, zoals Sedum, Chelone en Aster, die de gewoonte hebben gemakkelijk om te vallen, kunt u nu het beste terugknippen. De plant gaat zich dan vertakken, bloeit later, maar ook rijker. Ook Phlox kunt u om en om terugknippen.

Kruiden zoals rozemarijn en salie worden na de bloei tot ongeveer de helft of tweederde teruggeknipt. Bieslook kunt u na de bloei ook terugknippen, zodat de plant weer mooie verse sprietjes zal laten zien. Heerlijk in een salade!

Vergeet ook planten als Alchemilla mollis, vrouwenmantel en Geranium, ooievaarsbek niet. Na de bloei teruggeknipt, komen deze planten met wat mest en water weer met prachtig groen terug.

In tuinen die pas zijn aangelegd, kunt u om het geheel een wat meer volwassen indruk te geven, tussen de vaste planten een- of tweejarige planten plaatsen. Het verschil tussen een- en tweejarigen is, dat eenjarigen in het eerste jaar bloeien en afsterven en dat tweejarigen in het eerste jaar meestal een bladrozet vormen, in het tweede jaar bloeien en daarna afsterven.

Niet alle eenjarigen zijn echt eenjarig, maar sterven af, omdat ze uit warmere gebieden komen en niet tegen vorst bestand zijn. Het zijn eigenlijk vaste planten, die in een vorstvrij kasje gemakkelijk kunnen overwinteren. Pelargonium, tuingeranium is daar een goed voorbeeld van. Deze plant die zijn oorsprong in Zuid-Afrika vindt kunt u op de juiste temperatuur prima overhouden.

Tweejarigen kunnen van mei tot augustus worden gezaaid en zijn goede invalkrachten als vaste planten even niet in beeld zijn. Dankbare tweejarigen zijn Alcea rosea (soms ook vast), Digitalis, Salvia sclarea, Lunaria annua, Verbascum-soorten, Hesperis matronalis en Campanula medium.

Leuk is het om te weten, dat als sommige tweejarigen eenmaal een plaatsje in uw tuin hebben veroverd, ze steeds van zelf weer terugkomen. Wilt u elk jaar van zelf terugkerende tweejarigen genieten, dan moet u de plant wel twee jaar achter elkaar aanplanten.

Ook rozen zijn in deze maand meer dan prachtig. Let wel op ‘wilde’ uitlopers, die soms aan de basis van een rozenstruik groeien (ook bij stamrozen). Deze uitlopers zijn te herkennen aan hun stekelige uiterlijk, maar ook het afwijkende blad en zijn afkomstig van de onderstam waarop de meeste tuinrozen geënt zijn. Snijdt ze aan de basis onder de grond weg, omdat ze anders de achteruitgang van de roos tot gevolg hebben. Niet doorbloeiende klimrozen kunnen na de bloei worden gesnoeid. Als u nog niet bemest heeft, kunt u dat nu het beste doen, omdat rozen in deze tijd van het jaar veel energie gebruiken.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 24

Struiken die in mei / juni bloeien zijn al weer op hun retour en kunnen na de bloei worden gesnoeid. Zo hebben ze voldoende tijd om nieuwe scheuten te maken voor het volgende jaar.

Dit geldt vooral voor struiken, die op éénjarig hout bloeien, zoals Deutzia, Philadelphus, Ribes, Spiraea x arguta, Spiraea xvanhouttei en voorjaarsbloeiende Viburnum. Het beste is om jaarlijks een aantal oude takken vlak bij de grond te verwijderen en de overige takken af te knippen tot vlak boven nieuwe jonge scheuten. Op deze manier wordt de struik niet te groot én zal hij  jaarlijks bloeien. Zorgt u er tevens voor, dat er voldoende licht in het hart kan doordringen en er geen taksterfte plaatsvindt.

Wist u  dat struiken, zoals Ribes en Spiraea ook goed als losse haag kunnen worden toegepast? Ook Potentilla fruticosa is voor dit doel geschikt, maar dan wel op een plaatsje in de volle zon. In tegenstelling tot de strak geschoren hagen van bijvoorbeeld Liguster en Taxus worden bij losse hagen, na de bloei, alleen de uitstekende takken afgeknipt.

Naast Spiraea die in het voorjaar bloeit, zijn er ook soorten die later in het jaar, een sierraad voor uw tuin kunnen zijn. Deze meest lagere struikjes zijn prima geschikt voor wat kleinere tuinen. Denkt u eens aan Spiraea japonica ‘Little Princess’, Spiraea japonica ‘Shirobana’ en Spiraea x bumalda ‘Anthony Waterer’. (60 – 100 cm). Deze soorten kunnen ook als haagjes worden toegepast, maar hebben wel behoefte aan een zonnige standplaats.

Kerria japonica, ranonkelstruik kan eveneens flink worden gesnoeid. De bloei van deze struik valt in april / mei met soms een nabloei in de herfst. Deze struik heeft een sterke en snelle groei en is niet aan te raden voor kleinere tuinen.

Ook is het nu tijd om de sering te snoeien. Seringen, die nooit gesnoeid worden, verliezen hun vorm en bloeien minder. Direct na de bloei kunnen oude takken en oude bloeiwijzen worden verwijderd. Het verwijderen van de uitgebloeide bloemtrossen (vooral bij jonge struiken gewenst) moet  voorzichtig gebeuren, omdat direct onder de uitgebloeide tros, de nieuwe knop voor het volgende seizoen ligt. Net als bij rozen komt er bij de sering nogal eens wortelopslag voor, die regelmatig moet worden verwijderd. Wortelopslag komt vooral voor bij seringen, die zijn veredeld op een onderstam van Syringa vulgaris. Geeft u de sering verder regelmatig mest en plant hem op een zonnige plaats. Een variëteit voor een kleine tuin is Syringa microphylla ‘Superba’, minisering (ca. 1.50 m).

Wanneer andere wat oudere struiken, door achterstallig onderhoud, te groot of te wild zijn en weinig bloei geven, kunt u door verjongingssnoei goede resultaten bereiken. Door gedurende een periode van drie jaar steeds een derde van de oude takken weg te nemen, ontstaat na drie jaar een geheel verjongde struik, die weer een rijke bloei zal geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Week 23

 

In deze periode, waarin de natuur zich in volle glorie presenteert, moet u bedacht zijn op schimmels en plagen, zoals  bladluizen. Er bestaan vele soorten bladluizen, die zich voeden met sappen van bladeren en jonge scheuten. Omdat ze zich razendsnel vermeerderen, kunnen ze  ernstige schade aanbrengen aan knoppen en gewas. Hier komt ook nog bij, dat luizen het teveel aan plantensappen, in de vorm van honingdauw uitscheiden, waarop roetdauwschimmels kunnen gaan groeien. Vruchten worden hierdoor vervuild en de groei van de plant stagneert. Op tijd bestrijden is daarom aan te bevelen. Wat in eerste instantie prima helpt is een koude waterstraal, daar kunt u luizen heel goed mee weg spuiten. U kunt een biologisch middel als Plantschoon of Spruzit (Ecostyle – ook tegen rupsen, witte vlieg en kevers) gebruiken. Zijn de luizen hardnekkig, dan kunt u  In een vroeg stadium  ook het bekende zeep-spiritusmengsel te proberen (20 gram groene zeep en 10 gram spiritus op één liter water, met tussenpozen van 10 dagen herhalen). Zijn er planten met dop-, schild- of wolluisaantastingen dan kan Promenal (Ecostyle) goed dienst doen. Maar ook dop- en schildluizen zijn met de hand weg te vangen. Een bespuiting met lavameel in het voorjaar doet trouwens ook wonderen. Lavameel verstevigt planten en helpt tegen aanvallen van buitenaf.

Verder kan het leliehaantje veel schade aanrichten en komt voor bij lelies en lelieachtigen. Fritillaria imperialis, keizerskroon, die in april / mei bloeit, kan eveneens door deze lastige kever worden bezocht. De larven vreten gaten in het blad en als u er niet op tijd bij bent, worden zelfs knoppen in aanleg weggevreten. U kunt leliehaantjes met de hand vangen en dient tegelijkertijd de uitwerpselen van de larven te verwijderen, omdat zich hieronder de larven bevinden. Een goed biologisch bestrijdingsmiddel is er nog niet (Pyrethrum vloeibaar: chemisch?).

Bij rozen moet u, vooral bij vochtig weer en weinig wind, bedacht zijn op schimmels, zoals meeldauw, sterroetdauw (blackspot) en roest. Meeldauw, dat niet alleen bij rozen voorkomt, veroorzaakt een witte schimmel op planten, die vaak ontstaat als ze te lang in de schaduw staan of te lang nat blijven. Sterroetdauw veroorzaakt zwarte vlekken op het blad, waarna het blad afvalt. Bij roest verschijnen oranje vlekjes op de bladeren, waarna ze eveneens afvallen. Om schimmelziektes te voorkomen kunt u rozen en andere planten preventief behandelen met een plantversterkend middel, zoals Vital. Een ander biologisch middel is Sulphon (Ecostyle). Aangetaste bladeren moet u verwijderen.

Een beestje dat meer afbreuk doet aan de sierwaarde, dan schade aanricht, is de cicade. In het witte schuim zitten de larven van de cicade verstopt. Met een straal water kunt u de spuugbeestjes gemakkelijk verwijderen. Vooral in lavendel komen ze nogal eens voor. Ook emelten kunnen nogal wat schade aanrichten. De larven van de langpootmug vreten aan wortels, maar ook aan de onderste bladeren van planten. Ook in het gazon kunt u ze aantreffen. Giet wat Spruzitoplossing langs de aangetaste plekken, soms helpt dit wel eens. Biologisch zijn deze larven helaas moeilijk aan te pakken.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Week 22

Eind mei / begin juni kunt u Buxus knippen. Wat eerder is natuurlijk ook geen probleem De weersomstandigheden spelen hierbij ook een rol.  Eerder snoeien vereenvoudigt wel het signaleren en de aanpak van de buxusmotrups.

Bij hagen die hoger zijn dan 15 - 20 cm is het van belang dat de zijkanten van de haag licht schuin aflopen. Zo kan het zonlicht de onderkant van de haag bereiken en blijft de haag onderin ook groen.

Om de haagjes mooi op één hoogte te knippen, kunt u een draadje spannen. Knipt u niet tijdens warme perioden en in de volle zon (geldt ook voor andere hagen) en maakt u Buxus voor het knippen nat. Zo voorkomt u snoeischade, zoals zonnebrand en bruine randjes. Bij warme dagen is het belangrijk om Buxus ook na het snoeien nat te maken. Vergeet ook niet om Buxus regelmatig te bemesten.

Buxus ondervindt nauwelijks schade van insecten of andere belagers. Een insect, dat het soms op Buxus heeft voorzien is de palmbladvlo. Deze vlo, die niet veel kwaad doet, legt eitjes in nestjes in de blaadjes van Buxus. De verpoppende larven zien eruit als witachtige kronkeltjes en korreltjes, die u zo uit de struik kunt schudden. Topmijt, daarentegen, zuigt aan de bovenste bladeren, die hierdoor omkrullen en afsterven. Bij aantasting kunt u deze toppen beter verwijderen.

Ook kersen-, perziken- en pruimenbomen kunt u nu snoeien. Deze bomen worden, om loodglans te voorkomen, altijd na de bloei gesnoeid. Loodglans is een schimmel, waardoor de bladeren een grijze tot zilverachtige kleur krijgen en de boom op den duur dood gaat. Deze ziekte kan ook optreden bij peren, wilgen, populieren en elzen. Gebruikt u na het snoeien een wondafdekmiddel.

Ook andere hagen kunt u nu aanpakken. Bladverliezende hagen, zoals haagbeuk en, beukhaag kunnen twee maal per jaar worden gesnoeid. De eerste beurt vindt meestal in juni - voor de langste dag – plaats; de tweede meestal in augustus. Bloeiende bladverliezende hagen snoeit men na de bloei. Bij groenblijvende hagen, zoals Prunus laurocerasus en Ilex, hulst (met snoeischaar) vindt de hoofdsnoei meestal ook voor de langste dag plaats. Een oudere kalende Prunushaag kunt u in april met behulp van een boomzaagje heel diep terug snoeien, als er maar wel wat blad aan blijft zitten.

Jonge hagen moeten aan de onderkant altijd eerst goed dichtgroeien. Daarom is het verstandig om hagen ter bevordering van een goede vertakking direct na het planten te snoeien (toppen). Ieder jaar kunt u de haag dan wat hoger te laten groeien tot de gewenste hoogte is bereikt. Knipt u de haag ook aan beide zijden.

Taxus-, Chamaecyparis- en Thujahagen worden meestal eenmaal per jaar gesnoeid in juli / augustus, maar de hoofdsnoei kan ook rond de langste dag plaatsvinden. Bij coniferen, maar ook bij snelgroeiende hagen, moet u de top er pas verwijderen als de gewenste hoogte bereikt is.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Week 21

Ook het gazon verdient deze maand de nodige aandacht. Om verzekerd te zijn van een mooie en stevige grasmat is het verstandig het gras regelmatig te maaien. Ook dient u de grasmaaier op de juiste hoogte af te stellen en zo vaak te maaien als nodig is, maar tenminste één keer per week. Door regelmatig te maaien wordt de vorming van zijscheuten en de groei bevorderd. Maait u echter niet te kort; dit verzwakt het gazon en verhoogt de kans op onkruid en mos.

Normaliter ligt de juiste maaihoogte van het gras tussen de 3,5 en 5 cm. Bij langdurige droogte is het verstandig het gazon niet korter dan 4 cm te maaien en het maaien uit te stellen tot de avonduren. Als het gras in de morgen wordt gemaaid en de zon er daarna de hele dag op staat, is de kans op verbranding, veel groter. Verder is het raadzaam om gras, dat in de schaduw ligt, door lichtgebrek ook niet korter dan 4 cm te maaien. De maaier daarentegen te hoog afstellen heeft ook geen zin, aangezien de vorming van zijscheuten dan achterwege blijft. Het gras verliest zijn stevigheid en er vallen gaten in het gazon.

Gebrek aan voedingsstoffen kan ook voor gaten in uw grasmat zorgen. Het eerste teken van voedselgebrek is het vergelen van het gras. Op den duur zullen mos en onkruid zich op de ontstane open plekken ongehinderd kunnen vestigen en uitbreiden. Na een eerste bemesting in maart / april is het verstandig in juni / juli een tweede uit te voeren. Door droogte en sterke zonnestralen wordt het gras dan namelijk sterk op de proef gesteld. De laatste mestgift vindt meestal in september / oktober plaats en zorgt ervoor dat uw gazon goed voorbereid en bestand tegen ziektes de winter in kan gaan. Het beste is een bemesting met extra kalium. Kalium verhoogt niet alleen de weerstand, maar versterkt ook het weefsel van gras en bemoeilijkt het binnendringen van schimmels in de cellen, zoals sneeuwschimmel. Sneeuwschimmel, een ziekte, die niets met sneeuw te maken heeft, kan het hele jaar door voorkomen. Het gras vergeelt en sterft, nadat het bruin en papperig is geworden, af. Gras onder bomen of op schaduwplekken kan wat vaker worden bemest, omdat de bomen een gedeelte van de voedingsstoffen aan het gras zullen onttrekken.

Inzaaien van een gazon of het vernieuwen van de oude grasmat kunt u het beste in deze periode doen. Voor eind april is de bodem meestal nog niet genoeg opgewarmd om het gestrooide zaad optimaal te kunnen laten ontkiemen. Opnieuw ingezaaid gras mag u nooit laten uitdrogen. In droge periodes zal het gazon een aantal malen per dag moeten worden besproeid. Een bestaand gazon zult u in droge periodes minstens één à twee keer per week gedurende een half uur moeten besproeien. Door te vaak of elke dag te sproeien blijft de beworteling oppervlakkig en dringen onkruid en mos gemakkelijk de grasmat binnen.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 20

IJsheiligen ligt weer achter ons. Zeker in het binnenland was er nog vorst aan de grond. Maar nu is het tijd om kwetsbare planten buiten te zetten. Houd wel het weerbericht in de gaten en stel planten die onder glas hebben gestaan voorzichtig bloot aan de zon. Het is nu ook de tijd om ‘hanging baskets’ te vullen en buiten te hangen. Deze manden die tegenwoordig erg populair zijn, hingen vroeger alleen bij Engelse huizen en pubs, maar zijn nu overal te vinden. Veel planten, zowel vaste, als eenjarige groeien er uitstekend in, vooral omdat de wortels meer zuurstof krijgen. Wel hebben de manden dagelijks water nodig, omdat vocht aan alle kanten kan verdampen. Als de mand bekleed is met mos of kokosvezel is het verstandig om onder in de beklede mand een schotel of een stukje plastic in de vorm van een kommetje te plaatsen. Hierdoor zal het water niet direct uit de mand weglopen (gebruik i.p.v. potaarde eens cocopeat). De wanden en de bovenkant van de mand kunt u vervolgens beplantenen. Bij het planten is het handig om de mand op een emmer te zetten. De beste plaats voor een mand is in de volle zon of halfschaduw. Geschikte planten zijn: Begonia, Brachycomeiberidifolia, Erigeron, Felicia, Fuchsia, Hedera helix, Helichrysum, Impatiens, Lobelia, Pelargonium, Petunia, Sanvitalia, Scaevola, Thymus en Verbena.

Als u de mand in de herfst opruimt, kunt u het mos, waarmee de mand is bekleed, bewaren. Het mos kan gemakkelijk een tweede seizoen dienst doen. Bewaart u  het mos wel op een koele, vochtige plaats. Hangmanden waarin ook vaste planten zitten, kunnen na het verwijderen van de eenjarigen in een koude kas worden overgehouden. Het is verstandig om bij strenge vorst de manden met wat noppenfolie te beschermen en ze in de winter zonodig wat water te geven. Als u in het voorjaar de vaste planten terugknipt, zullen ze met wat mest, weer in volle glorie, terugkomen.

In de winter is het ook leuk om eens een mand op te hangen met wintergroene heesters, coniferen en groenblijvende vaste planten. Vaak blijven deze met een beetje zorg meerdere jaren aantrekkelijk. De wintergroene struikjes kunt u in het voorjaar in de tuin planten. Ook in het voorjaar kan een hanging basket worden gebruikt. Bollen, die het goed in potten doen, kunnen ook hierin gebruikt worden. Tulpen, narcissen en andere voorjaarsbloeiers, maar ook krokussen zijn een sieraad voor de mand.

Rozen worden in deze periode (ook in maart) bemest met kunstmest of een organische rozenmeststof, belangrijk is dat er magnesium of kieseriet in zit. Bloed- en beendermeel, organische meststoffen, werken wel iets trager maar ook langer door. In het najaar bemesten we alleen nog met een organische meststof zodat de voedingsstoffen voor de plant gedurende de winter langzaam in de grond zakken.

In deze periode kunt u ook Prunus triloba snoeien. Na de bloei dient u deze Prunus op stam terug te knippen tot op 1 à 2 cm van de kroon (knotten), anders zal de struik uit elkaar gaan hangen en zal bloei achterwege blijven. De wortelopslag, die soms onder aan de stam verschijnt, moet eveneens worden weggeknipt.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 19

Half mei (na IJsheiligen) kunnen kuipplanten,  op een bewolkte dag, naar buiten. Om ze aan de buitenlucht te laten wennen, is het verstandig om ze de eerste dagen op een beschutte plaats te zetten (niet in te felle zon). Sommige soorten kunnen in het voorjaar zelfs vroeger naar buiten, zoals laurier (Laurus), olijf (Olea) granaatappel (Punica) en Yucca. Deze planten zijn goed bestand tegen enkele graden vorst en harden beter af als u ze in het najaar zo lang mogelijk buiten laat staan. Als u grotere planten op verrijdbare plateaus plaatst, kunt u ze bij strenge vorst, zo weer naar binnen rijden. Ook kleinere exemplaren van deze soorten kunt u al wat eerder buiten zetten (bij nachtvorst wel even naar binnen).

In het begin van het seizoen is het goed de bladvorming van de kuipplanten te stimuleren met een stikstofrijke mest zoals koemestkorrels. Later in het seizoen is het verstandiger een meststof geven met een relatief laag stikstofgehalte. Ook handig is het gebruik van bemestingstabletten, die hun meststoffen geleidelijk aan de grond afgeven.

Afhankelijk van de soort en standplaats, hebben kuipplanten water nodig. Op een warme, zonnige plaats zal een kuipplant meer water gebruiken dan in de schaduw. Ook een plant in de wind verdampt veel water. Maar de hoeveelheid en de grootte van het blad zijn eveneens  van invloed op de waterbehoefte: hoe groter het blad, hoe meer verdamping!  Zelfs de soort pot heeft hier invloed op. Potten van aardewerk hebben het voordeel dat ze door de zijwanden zuurstof doorlaten, maar er vindt ook meer verdamping plaats. Plastic potten laten daarentegen geen zuurstof door, maar er vindt géén verdamping plaats. Hierdoor groeien de meeste planten in plastic potten vaak beter dan in stenen potten. Zorgt u er bij plastic potten wel voor, dat de potgrond luchtig en niet te nat is. U kunt ook wat kleikorrels door de aarde mengen. Gebruikt u toch liever aardewerken potten dan kunt u om het effect van een plastic pot te krijgen, de potten met plastic of noppenfolie bekleden. Voor potten die ‘s winters buiten staan is het bekleden met noppenfolie eigenlijk een ‘must’. Bij aanschaf van aardewerken potten is het verder verstandig altijd even te vragen of de pot vorstbestendig is.

Let u er verder op, dat sommige planten bij regenachtig weer toch droog kunnen staan. Dit kan komen door de bladstand of de hoeveelheid blad van de plant, waardoor het water naast de pot terechtkomt. Hetzelfde geldt voor potten tegen muren en onder afdakjes. Bedenkt u echter wel, dat overmaat schaadt. Een plant gaat eerder dood door te veel dan te weinig water. Zorgt u daarom ook voor afwateringsgaatjes in uw potten. Zijn die er niet, dan is dit met  een boormachine op te lossen, vooral bij zinken voorwerpen. Bij geglazuurde potten ligt dit moeilijker, omdat bij het boren van gaten, snel beschadigingen kunnen optreden. Ook een gietrand is handig; dit is een beetje ruimte tussen de bovenkant van de pot en de aarde. Deze gietrand voorkomt morsen van aarde en water bij het water geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 18

Omdat ter plaatse gezaaide eenjarigen vaak de plaats van bollen innemen, is het nu tijd om die uitgebloeide bollen uit de grond te halen. Als u er een plekje voor heeft, kunt u de bollen opkuilen en af laten sterven. Wanneer het blad is afgestorven (dor en bruin) worden de bollen gepeld, zodat een gaaf en bruin schilletje overblijft. De bollen kunt u eventueel bewaren in eierdozen met hierop de naam van het bolgewas. Kleinere bolgewassen, zoals Scilla en winterakonietjes kunnen blijven staan om af te sterven. Ook botanische tulpen kunnen in de grond blijven. Na de laatste nachtvorst kunnen ook dahliaknollen de grond in; een minimale plantafstand van 60 cm is gewenst. Het is handig om, voordat u de dahliaknollen plant, stokken in de grond te slaan om de dahlia’s later aan op te kunnen binden. Dahlia houdt van een ietwat vochtige grond.

Ook een aantal vaste planten hebben een steuntje nodig; vooral hoge soorten die in de wind staan. Het zou zonde zijn om na de eerste zware voorjaarsbui te moeten constateren, dat uw hogere vaste planten omliggen. Voor het opbinden kunt u snoeihout gebruiken of bamboestokken, maar ook halve of hele cirkels van ijzer of kunststof. In april kunt u ook net boven de planten een raster zetten. De stengels groeien hier doorheen en als de stengels langer worden, schuift u  het raster omhoog.

Planten, die bijna altijd steun nodig hebben zijn: Achillea, Aster, Alstroemeria, Campanula lactiflora, Chrysanthemum (Leucanthemum, o.a. margriet), Delphinium, hogere Geraniumsoorten, Helenium, Heliopsis, Paeonia, pioenrozen en Rudbeckia.

Om stevigere, kortere en vollere vaste planten te krijgen kunt u een aantal soorten ‘koppen’. Dit is het terugknippen van de uiteinden van stengels, wanneer deze ongeveer 15 à 20 cm hoog zijn (rond half mei). Deze methode wordt vooral gebruikt bij een gedeelte van een groep van dezelfde vaste planten. Door hier en daar de stengels van de planten van een zelfde soort in te korten, krijgt u een langere, meer gespreide bloei. Bij de volgende soorten geeft dit goede resultaten: Achillea, Aster, Chrysanthemum maximum, Campanula lactiflora, Coreopsis verticillata, Delphinium, Echinops, Erigeron, Gaillardia, Helenium, Lysimachia punctata, Phlox, Rudbeckia, Salvia en Solidago.

Bij de hogere Miscanthus sinensis-soorten (prachtriet) is het verstandig om de buitenste delen weg te knippen. Hierdoor blijft het hart van de plant jong en de stengels stevig. Vaak wordt de plant namelijk te vol en te zwaar, gaan de stengels in het midden van de plant zakken, waardoor de rest mee gaat.

Er is ook een aantal vaste planten, die U na de bloei terug kunt snoeien. Naast een opgeruimde tuin levert dit ook een tweede bloei op. Planten, die hier geschikt voor zijn: Achillea millefolium, Alchemilla mollis, Centaurea montana, Delphinium, Echinops, Euphorbia polychroma, Geranium, Lupinus, Nepeta, Salvia, Stachys en Symphytum.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 17

Als u in uw kasje naast jonge zaailingen overjarige planten heeft staan, controleert u dan regelmatig op luis en andere plagen. Het zou jammer van al uw inspanningen zijn, als de nieuwelingen aan de vraatzucht van ongedierte ten prooi zouden vallen. Denkt u er bij het gebruik van bloempotten of bakken altijd aan, dat er voor een goede afwatering gaten in aanwezig moeten zijn. Ook bij teilen en emmers van zink dient u door het boren van gaatjes voor een goede afwatering zorgen. De wortels van de planten zullen anders verrotten en afsterven.

In de laatste weken van april kunt u voorzichtig beginnen met het direct ter plaatse zaaien van zomerbloemen. Een aantal soorten kan zowel in februari in kas, bak of venster worden gezaaid, als later in het voorjaar buiten. Het voordeel van plantjes die in februari gezaaid zijn, is echter dat deze in mei, al veel verder ontwikkeld zullen zijn dan ter plaatse gezaaide.

Er zijn ook eenjarigen die niet voorgezaaid kunnen worden; het betreft hier de meeste leden van de Papaver-familie. Zij beschikken over een penwortel, waardoor bij het verspenen kans op beschadiging bestaat. Ook het slaapmutsje kan niet worden verspeend.  Andere planten, die ook direct buiten gezaaid kunnen worden, zijn: Agrostemma,  Centaurea cyanus, Tropaeolum majus),  Calendula officinalis en Cosmea.

Om direct buiten te zaaien is een goede voorbereiding van de bodem noodzakelijk. Dit gaat zo: spit de aarde, maak de aarde fijn met een hark, verwijder onregelmatigheden en voeg eventueel wat compost toe. Hark hierna het zaad voorzichtig in. Bij fijn zaad is het moeilijk om dun te zaaien. Gemengd met wat scherp zand, gaat dit een stuk beter. Grotere zaden, zoals zonnepitten kunt u op ruime afstand van elkaar in de grond drukken, de ideale zaaidiepte is drie tot vijf cm.  Als de plantjes opkomen kunt u ze uitdunnen.

Eenjarigen verdragen nijpen of toppen vaak heel goed. Om bredere, bossige planten te krijgen, nijpt u met de vinger uit iedere hoofdscheut het bovenste gedeelte. Hoewel zelf zaaien een leuke en lonende bezigheid is, is er natuurlijk niets op tegen om eenjarigen te kopen. Veel mensen zullen daar uit ruimtegebrek zelfs toe genoodzaakt zijn. Reeds vroeg in het seizoen zijn eenjarigen al volop te koop. Plant ze echter niet te vroeg, want de meeste eenjarigen verdragen geen vorst en dat zou zonde van het geld zijn. Wacht u liever tot de kans op nachtvorst is verdwenen. Meestal wordt IJsheiligen als peildatum aangehouden; dit is de periode van 13,14 en 15 mei. Wat later uitgeplant zullen eenjarigen, niet gehinderd door de kou, probleemloos groter worden.

Plant eenjarigen nooit uit bij zonnig weer. Zowel planten als wortels zullen dan snel uitdrogen en dit kan tot grote schade leiden. Verder is het raadzaam om na het uitplanten ruim water te geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 16

Week 16

In maart en april kunt u vaste planten verplaatsen en scheuren. De naam ‘vast’ hebben ze te danken aan het gedeelte dat zich in de grond bevindt. Bij de meeste vaste planten verdwijnt het gedeelte boven de grond na de bloei of de eerste zware nachtvorst, terwijl de wortels levend blijven om het volgende voorjaar weer opnieuw uit te lopen. Na verloop van drie, vier of 5 jaar zijn vaste planten vaak zover uitgegroeid, dat u ze ter verjonging moet opnemen en scheuren. Na het opgraven van de planten, worden de beste delen (aan de buitenkant) eraf gehaald en opnieuw geplant; de oude kern wordt opgeruimd.

Niet alle planten hoeven te worden verjongd en vormen dan ook een uitzondering op deze regel. Het betreft alle planten met min of meer vlezige wortels, zoals pioenrozen, Japanse anemoon en Alstroemeria. Deze plantensoorten kunt u jarenlang op dezelfde plaats laten staan.

Vaste planten, die niet op de juiste plaats staan kunt u nu ook verplaatsen. Ook in mei kan dit nog, mits de grond rondom de plant goed natgehouden wordt. Bij het verplanten moet u de wortelkluit zoveel mogelijk intact laten en is het raadzaam om fijne aarde tussen de wortels te strooien en de planten stevig aan te drukken. Ook moet u er bij het verplanten en scheuren voor zorgen dat uitgegraven plantdelen niet te lang boven de grond liggen.

Naast scheuren en verplanten kunt u natuurlijk ook nieuwe planten in de tuin zetten; planten in potten kunnen, als het weer het toelaat, bijna het hele jaar door worden geplant.

Om te weten hoeveel planten u ongeveer per m²  moet aanschaffen is het goed kennis te nemen van het volgende. Vaste planten worden in drie hoogten verdeeld: hoogte I: hoger dan 60 cm (bij deze hoogte plant men 50-60 cm uit elkaar: 2-4 stuks per m²); hoogte II: 30–60 cm (bij deze hoogte plant men circa 30 cm uit elkaar: 4–7 stuks per m²) en hoogte III: tot 30 cm (bij deze hoogte plant men 10–30 cm uit elkaar: 7–12 stuks per m²). Een precies aantal per hoogte is moeilijk te geven, omdat dit afhankelijk is van groeiwijze, concurrentiekracht en hoogte.

Bij zogenaamde bodembedekkers, moet een vak minimaal 50 x 50 cm zijn om enig effect te kunnen sorteren. Een uitzondering hierop zijn rotstuinen, waarin vaak veel verschillende en kleine (rots)planten worden toegepast. Het is handig om bij de aanleg van een rotstuin(tje) een beplantingsplan te maken, waarbij u globaal aangeeft waar u bepaalde planten wilt hebben. Ook hierbij gaat weer de regel op van de juiste plant op de juiste plaats.

Bij ‘gewone’ tuinen zijn de grootte en vorm van de plantvakken meer een kwestie van gevoel dan van vastgestelde regels. Hoedt u echter voor zogenaamde ‘postzegelverzamelingen’, waarbij op een klein stukje grond een te groot aantal soorten vaste planten aanwezig is.

 

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl