Westland

Tuintips week 33

Tweejarige planten, die zichzelf in uw tuin hebben uitgezaaid kunt u nu verplaatsen, maar u kunt in deze periode ook nieuwe tweejarigen zaaien. Ze zijn namelijk goede vervangers van bollen die na hun bloei gerooid worden. Tweejarigen worden in het ene jaar gezaaid en verspeend, overwinteren als bladrozet en komen, na in het volgende voorjaar te zijn uitgeplant, in de zomer tot bloei. Na de bloei vormen ze zaad en sterven ze vervolgens af. Soms, met name bij Alcea, komt het voor dat een tweejarige plant, zich als een meerjarige plant gaat gedragen. Dat is dan een prettige bijkomstigheid.

Nadat u tweejarigen gezaaid heeft, zet u de zaaibakjes in een bak onder glas en in het donker: de meeste zaden kiemen het best op een donker plekje. Houdt het zaad vochtig. Als de jonge plantjes groot genoeg zijn kunt u ze verspenen en in de koude bak laten overwinteren. Bij strenge vorst is het verstandig de koude bak met rietmatten of iets dergelijks te beschermen. De zaailingen kunnen in het voorjaar op de voor hen bestemde plek worden uitgeplant.

Enkele tweejarige soorten zijn: Alcea rosea , Bellis perennis, Campanula medium, Cheirantus cheiri, Dianthus barbatus, Dipsacus fullonum, Salvia sclarea, Verbascum densiflorum, Viola Wittrockiana-hybriden en natuurlijk Digitalis purpurea, het bekende vingerhoedskruid.

Plaats in of op elk zaaibakje een etiket met daarop de naam van het zaaigoed en het zaaitijdstip.

Vroegbloeiende planten, zoals rotsplanten, kunnen nu ook op een andere plaats worden gezet.

Maar ook is het begin van de maand augustus geschikt om herfstbloeiende bloembolletjes, zoals Colchicum autumnale, herfsttijloos; Cyclamen hederifolium en herfstbloeiende krokussoorten te planten. Doe dit op tijd, want als de bolletjes uitgelopen zijn, is het moeilijk ze zonder schade te planten. De herfsttijloos, die op ongeveer 10 cm diepte wordt gepoot, gedijt het best op vrij zware kleiachtige grond. Het blad en de vruchtdozen verschijnen in het voorjaar, terwijl in september, de naakte bloemen te bewonderen zijn. Laat ze na de bloei rustig staan, waardoor ze zich rijkelijk kunnen vermeerderen. In de natuur is de herfsttijloos te vinden in vochtige graslanden (uiterwaarden) en in vochtige bossen op voedselrijke grond. Herfstbloeiende krokussen groeien het best in humusrijke zandgrond.

Omdat de nachten in augustus al weer vochtig worden, steken in deze periode schimmels de kop weer op. Vooral rozen zijn hier vaak het slachtoffer van. Het is goed hierop bedacht te zijn en de schimmelaantasting zo snel mogelijk met een antichimmelmiddel te bestrijden. Sommige middelen bestrijden vaak meerdere schimmelaantastingen (zowel meeldauw als roest). Hierna moet u goed op blijven letten, omdat deze schimmels gemakkelijk en snel weer terugkomen.

Ook bladluis blijft een steeds terugkerend probleem. Op tijd constateren en aanpakken is ook hier de beste manier.

Anneke

Tuintips week 32

Om ook in de winter nog te kunnen genieten van de kleuren van de zomer is het  slim in augustus bloemen die geschikt  zijn om te drogen op het juiste tijdstip te oogsten. De bloemen van Helichrysum mogen bijvoorbeeld niet helemaal geopend zijn, terwijl Statice en Gypsophila juist moeten worden gesneden als ze volop in bloei staan. Droogbloemen kunnen het beste ‘s morgens vroeg worden geplukt. Na het plukken verwijdert u de blaadjes en maakt u van de geplukte bloemen niet te dikke bossen. Gebruikt u een elastiekje om de bossen te bundelen, zodat tijdens het droogproces de stelen niet uit de bos zullen vallen. Een elastiekje krimpt namelijk mee, terwijl een touwtje dat niet doet. De bossen moeten omgekeerd in een goed geventileerde ruimte worden opgehangen.

Ook kruiden als Origanum majorana en Origanum vulgare kunnen worden geplukt en gedroogd. Bepaalde kruiden schijnen, volgens oude kruidenboeken, zelfs op “magische” momenten te moeten worden geplukt, bijvoorbeeld bij volle maan. Dit klinkt u misschien raar in de oren, maar omdat de gehaltes aan werkzame stoffen van dag tot dag en van uur tot uur verschillen zijn er, per plant, optimale momenten om te oogsten. De meeste soorten bevatten echter vlak vóór de bloei de hoogste concentraties aan werkzame stoffen, bij sommige in de wortels, bij andere weer in de toppen van de plant.

De methode van drogen kan per soort verschillen, maar voor de meeste kruiden geldt het volgende: droogt de kruiden zo snel mogelijk, maar vermijdt felle zon en hangt u de kruiden, net zoals de droogbloemen, in een goed geventileerde ruimte, zodat schimmels geen kans kunnen krijgen. Na ongeveer een week zijn de kruiden droog en kunnen ze worden verwerkt. Meestal blijven gedroogde kruiden ongeveer een jaar lekker. Sommige kruiden zijn echter slecht te drogen en kunnen na de oogst  beter in de diepvries worden bewaard zoals bijvoorbeeld Ocimum basilicum, basilicum.

Naast dit oogsten en drogen, is er in de border inmiddels al het een en ander uitgebloeid. Om te voorkomen, dat er een rommelig beeld ontstaat, kunt u een flink aantal uitgebloeide bloemen verwijderen. Sommige vaste planten reageren hierop met een tweede bloei. Toch moet u om de vorming van zaad mogelijk te maken niet alle uitgebloeide bloemen verwijderen.

Veel zaden rijpen in augustus en de gemakkelijkste manier om ze te verzamelen, is het afknippen van het hele zaadhoofdje of doosje. Het zaad is rijp als het vanzelf los komt. Is het zaad voldoende gedroogd, dan maakt u het zaad schoon en kunt u  het bijvoorbeeld in de plastic hulsjes van fotorolletjes bewaren.

Sommige planten, zoals Digitalis en Verbascum-soorten zaaien zich ongevraagd zelf uit. Deze vaak tweejarige planten kunt u nu opnemen, op een goede plaats zetten of in een pot voor een andere tuinliefhebber bewaren.

Anneke

Tuintips week 31

Als u tijdens deze weken van betrekkelijke rust lekker op uw tuinbankje zit, is het goed eens met een kritische blik naar uw borders te kijken. Soms valt de combinatie van twee ‘buur’-planten niet helemaal mee of blijken planten toch hoger en groter te zijn, dan dat u had gedacht. Ook staan planten soms toch niet op de goede plaats en krijgen ze of te veel of te weinig zon. Deze ‘foutjes’ zijn gelukkig weer goed te maken, want niets is zo flexibel als de tuin.

Toch is het maken van een beplantingsplan niet iets dat u alleen uit boeken en tijdschriften kunt leren. Het ontstaan van een mooie border is niet alleen afhankelijk van een stukje theorie, maar ook het gevolg van kijken en uitproberen. In elke tuin zijn de omstandigheden namelijk anders en spelen weer andere elementen een hoofdrol. 

Een aantal uitgangspunten bij het samenstellen van een border is er natuurlijk wel. U kunt bijvoorbeeld kiezen voor een border in een bepaalde kleur, maar ook planten kiezen om hun bladvorm of structuur. Ook contrast in bladvorm (kleinbladig en grootbladig), kleur en bloeiwijzen (aarvormig, bolvormig, schotelvormig) kunnen uitgangspunten zijn. Verder moet u er rekening mee houden, dat sommige planten misschien qua kleur wel bij elkaar passen, maar niet qua vorm. Ook vraagt iedere plant zijn eigen groeiomstandigheden (zon / schaduw, droog / vochtig). Na deze ‘studie’ is het slim mogelijke veranderingen op te schrijven, zodat u dit in het komende na- of voorjaar kan veranderen.

Heeft uw border na de zomerse uitspatting van kleuren en geuren haar aantrekkelijkheid verloren en is er in de herft verder weinig meer te verwachten, bekijkt u dan eens waarmee u uw border ook in de herfst aantrekkelijk kunt  maken.

Denkt u eens aan herfstanemonen, die tot de mooiste laatbloeiers in de tuin behoren. Maar ook Salvia uliginosa met zijn prachtige lichtblauwe kleur is een sierraad in de herfsttuin. Verder zullen Rudbeckia, Sedum-soorten, Aconitum, herfst bloeiende Aster en de fraaie Cimicifuga een positieve bijdrage aan uw herfsttuin kunnen leveren.

Vergeet ook de grassen niet. Met name voor de herfstperiode zijn grassen belangrijk. Naast de Calamagrostis- en Molinia-soorten verdienen ook de prachtige Miscanthus-cultivars zoals: Miscanthus sinensis ‘Kleine Silberspinne’, Miscanthussinensis ‘Kleine Fontäne’ door hun bloei vanaf eind juli tot november een plaatsje in de border. Vooral bij vijvers doen grassen en riet het erg goed. Heeft u geen vijver, dan geen nood, want voor iedere tuin en iedere situatie is er wel een geschikte grassoort te vinden.

Door af en toe te verplanten blijft een tuin, zeker een tuin met vaste planten, constant aan verandering onderhevig. Niet alleen verander je eens wat, of koop je eens wat, maar ook kunnen planten soms ineens wegvallen. Als u het tuinieren echter blijft zien als één groot avontuur, zult u nooit teleurgesteld zijn!


Anneke

Tuintips week 30

In deze periode van het jaar is het eigenlijk alleen maar genieten. De werkzaamheden in de tuin beperken zich tot het verwijderen van dode bloeiwijzen, het hier en daar aanbinden van een klimmer en het geven van water aan kuipplanten en ‘hanging baskets’.

Ook  Fuchsia is een dorstige plant, zelfs als het regent. Ik vraag me wel eens af wat mensen denken als ik tijdens een regenperiode met een gieter in de hand langs deze planten marcheer. Door het dichte bladerdek van Fuchsia valt regen echter vaak langs bladeren en pot en drogen ze toch uit. Soms is het op een warme dag, door de grote verdamping nodig zelfs twee keer te gieten. Zelf zet ik onder de potten van Fuchsia, in warme perioden, meestal een plantenschotel. Als u dan giet en de kluit is droog, loopt het water niet direct weg, maar blijft op de plantenschotel achter. Zo kan de plant in zijn eigen tempo het water opnemen. Let er echter wel op, dat het water ook werkelijk opgenomen wordt, want de wortels van planten die constant in het water staan, kunnen gaan rotten. Hierdoor kan de plant geen water en voedsel opnemen en sterft af.

Omdat Fuchsia in een vrij korte periode veel moet presteren heeft hij ook regelmatig mest nodig. Vooral organische mest geeft goede resultaten. Deze mest heeft verder als voordeel, dat door het grote stofgehalte de potgrond humusrijk blijft. Aangezien de planten de gelegenheid moeten krijgen om te verhouten/af te rijpen is het verstandig om eind augustus minder mest te geven en na september helemaal te stoppen. Let er bij het bemesten wel op, dat u nooit mest geeft op een droge potkluit; dus eerst water en dan mest. Tijdens de bloei worden uitgebloeide bloemen en verwelkte blaadjes verwijderd en bessen afgeplukt.

In feite geldt het bovenstaande voor alle waterminnende kuipplanten. Met kuipplanten, die weinig tot geen water nodig hebben, moet u echter weer op andere zaken letten. Juist water kan voor deze, vaak warmteminnende planten, funest zijn. Wortelrot en schimmels zullen gemakkelijk toe kunnen slaan. Bij Pelargonium kan Botrytis optreden; dit is een schimmel, die kan optreden in natte zomers. Het is verstandig aangetaste bloemen in dit geval te verwijderen en als het mogelijk is de planten ‘s nachts uit de regen te houden. Zet u ook andere warmteminnende planten bij langdurige regenval onder een afdakje.

Ook het gazon vraagt nog steeds aandacht. In perioden dat het gras snel groeit, kunnen de messen van de grasmaaier wat lager worden afgesteld. Soms is het zelfs nodig meer dan eens per week te maaien. Bij warme dagen is het verstandig niet in de ochtend te maaien maar dit klusje uit te stellen tot de avonduren. Hiermee voorkomt u dat de grasplantjes verbranden. Heerlijk die geur van pas gemaaid gras in de avond!


Anneke

Tuintips week 29

Ook al heeft u tijdens uw vakantie een goede tuinoppas, het is beter niet de illusie te hebben, dat uw tuin er bij thuiskomst nog hetzelfde uitziet. De planten in uw tuin groeien namelijk door en zullen afhankelijk van zon of regen, bij uw terugkeer al dan niet uitgebloeid zijn. Gaat u altijd in de periode juni/juli op vakantie dan is het zinvol om bij de aanschaf van planten hier eens stil bij te staan. U zult ontdekken dat er ook vaste planten zijn, waarbij de bloei pas in augustus valt. Het is sowieso verstandig voor een gespreide bloei het hele jaar rond te kiezen, zodat er elke week weer iets nieuws te ontdekken valt. U kunt de hoofdbloei desnoods eerder of later laten vallen.

Denkt u in de zomer ook aan de vogels? Ook vogels kunnen het bij warm weer ‘benauwd’ hebben. Zet daarom op een veilige plek een vogeldrinkschaal of bak, waarin vogels naar hartelust kunnen ‘badderen’.

Een aantal werkzaamheden blijven steeds opnieuw terugkomen. Uitgebloeide bloemen moeten worden verwijderd, gras worden gemaaid en onkruid gewied. Vooral in de zomermaanden bloeien er naast vaste planten ook veel onkruiden d.w.z. niet gewenste planten. Soms kan onkruid ook erg mooi zijn. Maar kruid, dat niet gewenst is, dient u, met wortel en al, te verwijderen, zodat het niet tot bloei kan komen. Als de wortel van het onkruid namelijk achter blijft, is het wieden voor niets geweest en zal de plant met dezelfde vaart als voorheen opkomen en verder groeien. Het uittrekken van onkruid, vooral tussen tegels of bestrating, lukt het beste als de grond tussen de bestrating vochtig is. Na een fikse regenbui lukt dit het gemakkelijkst.

Naast het genieten van de eigen tuin, is het ook leuk om eens bij een ander ‘over de heg’ te kijken. Bezoekt u eens een botanische tuin in de buurt of een arboretum of rosarium. Hier kunnen vaak nieuwe ideeën op worden gedaan. Maar ook een bezoek aan een modeltuin of een kwekerij, ergens in het land, kan inspirerend werken. Vaak kom je hier ook andere planten tegen dan die je in je eigen omgeving kan vinden.

Houdt er wel rekening mee, dat planten, die u uit het buitenland meebrengt en die daar de winter met gemak overleven, hier na een strenge winter, wel eens verdwenen kunnen zijn. Langs de Engelse zuidkust bijvoorbeeld, waar het klimaat vaak subtropisch is, overleven dergelijke planten de winter wel. Dit komt omdat het daar nauwelijks vriest. Vaste planten, zoals Lavatera groeien daar metershoog, maar ook kunt u er enorme grote vaste Fuchsia’s  (Fuchsia magellanica) aantreffen. In Devon heb ik zelf een exemplaar van Fuchsia magellanica aangetroffen, die wel vier meter hoog was. Zet ook eens winterharde Fuchsia in uw tuin. Met hun langdurige bloei zullen ze u zeker bekoren en na een milde winter zullen ze zeker  langs de kust ook bijna  1.50 tot 2.00 meter hoog groeien.

Anneke

Tuintips week 28

Nu de vakantieperiode weer is aangebroken zou u zich, als tuinier in hart en nieren, wel eens kunnen afvragen, waarom u juist in deze periode op vakantie gaat. Vaak is de tuin op zijn mooist, terwijl het ook nog eens de warmste periode van het jaar is (of zou moeten zijn). Menig hittegolfje teisterde mijn tuin, terwijl ik in verre oorden vertoefde (arme tuinoppas!). Met een schuin oog hield ik dan het weerbericht in Nederland in de gaten en keek ik in de krant of het thuis misschien toch niet zou gaan regenen.

Toch kan de tuin er na de vakantie nog redelijk uitzien en wel door uw tuin in de week voordat u vertrekt een flinke onderhoudsbeurt te geven. Uitgebloeide bloemen haalt u zoveel mogelijk weg, maar ook bloeiende planten knipt u terug. Zo kan een plant geen zaad maken en steekt hij zijn energie in het vormen van nieuwe bloemknoppen. Verzet ook geen planten meer, omdat deze tijdens een warme periode als eerste gedoemd zijn te verdrogen. Hoge planten kunt u een steuntje geven, zodat ze bij een zware regenbui niet omvallen en uitlopers van klimmers kunt u aanbinden. Het is ook verstandig om het gras vlak voor uw vertrek niet te maaien. De maaimachine kan het best bij de laatste beurt op een iets hogere stand staan. Bij thuiskomst kan het gras beter wat langer zijn, dan kort en verdroogd. Maait u de eerste keer na de vakantie ook op deze stand. Ook het geven van mest kunt u beter kort van tevoren achterwege laten. Tijdens droge weken zal de mest het gazon eerder kwaad dan goed doen. Bij extreme droogte trekken de zouten in de mest het vocht als het ware uit het gras en zal een bruine grasmat het resultaat zijn. Verder moet  u om uitzaaien te voorkomen, aanwezig onkruid verwijderen en grasrandjes netjes bijwerken.

Zet kuipplanten bij elkaar in de buurt van een waterpunt of legt u een tuinslang in de buurt (fijn voor de tuinoppas!). Planten, die snel verdrogen zet u het liefst op een koele plaats uit de zon. Hanging baskets kunnen op een emmer met een laagje water worden gezet en eveneens bij de kuipplanten worden geplaatst.

Uit doorbloeiende rozen knipt u de uitgebloeide bloemen en brengt u bloemstengels terug tot het eerste naar buiten gekeerde vijfblad. Dit is trouwens een steeds terugkerend werkje, waarvoor u wordt beloond met steeds weer nieuwe bloemknoppen. Kijkt ook uw rozen en andere schimmelgevoelige planten nog even na op schimmels. Het is slim ze preventief te behandelen.

Het allerbelangrijkste voor vertrek is echter het regelen van een goede tuinoppas, het liefst een die met evenveel liefde en plezier als u zelf, zijn of haar tuin verzorgt. Maar voor iets minder doen wij het natuurlijk ook! Mocht een tuinoppas niet te vinden zijn, dan zijn er tegenwoordig gelukkig allerlei druppel- en bevloeiingssystemen. Prettige vakantie!


Anneke

Tuintips week 27

Eind juni, begin juli zal lavendel weer volop in bloei staan. Bij lavendel denken we meestal aan de meest toegepaste soort, namelijk Lavandula angustifolia. Toch zijn er nog heel veel andere soorten lavendel. Deze soorten zijn echter niet allemaal winterhard, maar kunnen vaak wel als kuipplant dienst doen en op een vorstvrije plaats overwinteren. Vooral de Lavandula dentata, tandlavendel met zijn variëteiten is hier een goed voorbeeld van.

Ook Lavandula stoechas,  kuiflavendel is een prachtige lavendelsoort en wordt tegenwoordig wat vaker in de tuin toegepast. Deze lavendel is sterker dan de tandlavendel en kan tijdens zachte winters in de volle grond redelijk overleven. Bij langdurige vorstperiodes zal deze lavendel echter in de problemen komen.

Om de geur van lavendel zo lang mogelijk te bewaren, kunt u, als de eerste bloemetjes opengaan, wat bosjes lavendel knippen en deze drogen door na het knippen een elastiekje om de bosjes te doen en ze ondersteboven op te hangen.

Kunt u soms slecht in slaap komen, hangt u dan een zakje met gedroogde lavendel naast uw bed of maakt u een kussentje van stof, dat u met lavendel vult. Door bij slapeloosheid zachtjes in het kussentje of zakje te knijpen, komt de geur en aroma van lavendel vrij en kan de kalmerende werking zorgen voor een goede nachtrust.

Als lavendel is uitgebloeid, knipt u de uitgebloeide stengels af. In het voorjaar kunt u het struikje verder in vorm snoeien (ca. 1/3 van de toppen af snoeien). Wilt u weten wat u nog meer met lavendel kunt doen, leest u dan het boekje ‘Lavendel – de geur van bloemen’ van Joanna Sheen.

Lavendel is echter niet alleen blauw. Er zijn ook roze en witte lavendelsoorten, die evenals blauwe lavendel voor mooie combinaties met andere planten kunnen zorgen. Mocht u zelfs ‘lavendelgek’ zijn, dan is een bezoek aan de kruidenkwekerij van Roger en Linda Bastin in Aalbeek (Hulsberg) de moeite waard.

Naast een bijzondere collectie Salvia, Santolina, Thymus en Rosmarinus kunt u er bijna honderd verschillende lavendelsoorten vinden.
Naast de heerlijke geuren van lavendel zijn er natuurlijk nog veel meer geurende planten. Probeert u er  bij aanschaf van planten op te letten of ze geuren. Cultivars van sommige planten ruiken vaak sterker dan de oorspronkelijke plant.

Plaats geurende planten dicht bij het terras of langs paadjes. Door er langs te lopen zullen deze planten u belonen met hun geuren. Enkele geurende planten zijn:  Brugmansia, Cheiranthus cheiri  (synoniem voor Erysimum), Hesperis matronalis, Heliotropium, LathyrusNicotiana, Pelargonium, Oenothera, Phlox  en Matthióla incana, violier.

Vergeet u echter ook geurende struiken, zoals Cytisus, Deutzia, Lonicera, Philadelphus en Viburnum niet.

Anneke

Tuintips week 26

Na een prachtige bloeiexplosie zal de grootbloemige Rhododendron nu wel uitgebloeid zijn. Denkt u er vooral bij hele jonge struiken aan om de oude bloeiwijzen, net boven de knoppen van de jonge scheuten, weg te breken. De jonge scheuten, die voor de bloei van het volgende jaar zorgen, zullen hierdoor beter groeien. Bij de kleinbloemige soorten is dit ‘onthoofden’ niet nodig.

Bij sommige vaste planten die uitgebloeid zijn, kunt u om de bloei te verlengen de uitgebloeide bloemen en bloeiwijzen eruit knippen. De planten zullen hun energie dan niet steken in het vormen van zaad, maar in nieuwe bloemknoppen. Vooral Campanula-soorten, maar ook Achillea en margrieten zijn hier een goed voorbeeld van. Ook Delphinium, ridderspoor moet direct na de bloei worden teruggeknipt tot op 5 cm. Met wat mest, water en voldoende licht is een tweede bloei zeker mogelijk.

Als het warm weer is zult u extra zorg moeten besteden aan ‘hanging baskets’ en kuipplanten. Hoe meer blad een plant heeft, des te meer water zal er verdampen. Maar ook een plant op een zonnige locatie zal meer water verbruiken dan een zelfde plant op een koelere plaats. Soms is het zelfs nodig om kuipplanten en planten in potten tweemaal per dag water te geven.

Hebt u een grote verzameling kuipplanten dan is het handiger om dit met een tuinslang te doen. Dit bespaart u veel gesjouw met gieters. Bij een wat grotere tuin is het ook handig om meerdere regentonnen te plaatsen. Een overloopje aan een regenpijp is snel aangebracht en kost niet zoveel. Zet uw planten dan in de buurt van de regenton, zodat u er – bij voldoende neerslag – makkelijk water uit kan halen. Hebt u al een regenton dan vindt een hanging basket het heerlijk daar eens voorzichtig in ondergedompeld te worden. Vergeet verder niet om élke dag water te geven, want de grond raakt door wind en zon snel uitgedroogd. Denkt u eraan de gieter niet in één keer leeg te schenken om zo de grond in de mand de tijd  te geven het water op te nemen. Doet u dit niet, dan komt het water er aan de onderkant, net zo snel uit als dat het er boven in gaat. Naast water heeft een kuipplant of hanging basket ook voeding nodig. Een handje koemestkorrels doet soms wonderen. Ongewenste ‘beestjes’ moet u ook hier op tijd aanpakken.
Het is verstandig om kuipplanten direct als u ze buiten zet te beschermen tegen omwaaien. Een mogelijkheid is om planten, die op de grond komen te staan, vast te zetten met een betonijzer van circa 1 meter lengte en een dikte van 6 mm. Deze staaf slaat u door de pot in de grond, zodat er nog 30 tot 50 cm boven de grond uitsteekt. Het uitstekende gedeelte wordt met binddraad aan de stam vastgezet. Een andere manier is om drie stukken ijzerdraad aan de bovenkant van de potten om de rand te buigen en de onderkant van de draad een stuk in de grond te duwen.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 25

Rond half juni is de tuin meestal op zijn mooist. Vaste planten, omlijst door het jonge groen van struiken en bomen, geuren en kleuren. Planten, zoals Sedum, Chelone en Aster, die de gewoonte hebben gemakkelijk om te vallen, kunt u nu het beste terugknippen. De plant gaat zich dan vertakken, bloeit later, maar ook rijker. Ook Phlox kunt u om en om terugknippen.

Kruiden zoals rozemarijn en salie worden na de bloei tot ongeveer de helft of tweederde teruggeknipt. Bieslook kunt u na de bloei ook terugknippen, zodat de plant weer mooie verse sprietjes zal laten zien. Heerlijk in een salade!

Vergeet ook planten als Alchemilla mollis, vrouwenmantel en Geranium, ooievaarsbek niet. Na de bloei teruggeknipt, komen deze planten met wat mest en water weer met prachtig groen terug.

In tuinen die pas zijn aangelegd, kunt u om het geheel een wat meer volwassen indruk te geven, tussen de vaste planten een- of tweejarige planten plaatsen. Het verschil tussen een- en tweejarigen is, dat eenjarigen in het eerste jaar bloeien en afsterven en dat tweejarigen in het eerste jaar meestal een bladrozet vormen, in het tweede jaar bloeien en daarna afsterven.

Niet alle eenjarigen zijn echt eenjarig, maar sterven af, omdat ze uit warmere gebieden komen en niet tegen vorst bestand zijn. Het zijn eigenlijk vaste planten, die in een vorstvrij kasje gemakkelijk kunnen overwinteren. Pelargonium, tuingeranium is daar een goed voorbeeld van. Deze plant die zijn oorsprong in Zuid-Afrika vindt kunt u op de juiste temperatuur prima overhouden.

Tweejarigen kunnen van mei tot augustus worden gezaaid en zijn goede invalkrachten als vaste planten even niet in beeld zijn. Dankbare tweejarigen zijn Alcea rosea (soms ook vast), Digitalis, Salvia sclarea, Lunaria annua, Verbascum-soorten, Hesperis matronalis en Campanula medium.

Leuk is het om te weten, dat als sommige tweejarigen eenmaal een plaatsje in uw tuin hebben veroverd, ze steeds van zelf weer terugkomen. Wilt u elk jaar van zelf terugkerende tweejarigen genieten, dan moet u de plant wel twee jaar achter elkaar aanplanten.

Ook rozen zijn in deze maand meer dan prachtig. Let wel op ‘wilde’ uitlopers, die soms aan de basis van een rozenstruik groeien (ook bij stamrozen). Deze uitlopers zijn te herkennen aan hun stekelige uiterlijk, maar ook het afwijkende blad en zijn afkomstig van de onderstam waarop de meeste tuinrozen geënt zijn. Snijdt ze aan de basis onder de grond weg, omdat ze anders de achteruitgang van de roos tot gevolg hebben. Niet doorbloeiende klimrozen kunnen na de bloei worden gesnoeid. Als u nog niet bemest heeft, kunt u dat nu het beste doen, omdat rozen in deze tijd van het jaar veel energie gebruiken.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 24

Struiken die in mei / juni bloeien zijn al weer op hun retour en kunnen na de bloei worden gesnoeid. Zo hebben ze voldoende tijd om nieuwe scheuten te maken voor het volgende jaar.

Dit geldt vooral voor struiken, die op éénjarig hout bloeien, zoals Deutzia, Philadelphus, Ribes, Spiraea x arguta, Spiraea xvanhouttei en voorjaarsbloeiende Viburnum. Het beste is om jaarlijks een aantal oude takken vlak bij de grond te verwijderen en de overige takken af te knippen tot vlak boven nieuwe jonge scheuten. Op deze manier wordt de struik niet te groot én zal hij  jaarlijks bloeien. Zorgt u er tevens voor, dat er voldoende licht in het hart kan doordringen en er geen taksterfte plaatsvindt.

Wist u  dat struiken, zoals Ribes en Spiraea ook goed als losse haag kunnen worden toegepast? Ook Potentilla fruticosa is voor dit doel geschikt, maar dan wel op een plaatsje in de volle zon. In tegenstelling tot de strak geschoren hagen van bijvoorbeeld Liguster en Taxus worden bij losse hagen, na de bloei, alleen de uitstekende takken afgeknipt.

Naast Spiraea die in het voorjaar bloeit, zijn er ook soorten die later in het jaar, een sierraad voor uw tuin kunnen zijn. Deze meest lagere struikjes zijn prima geschikt voor wat kleinere tuinen. Denkt u eens aan Spiraea japonica ‘Little Princess’, Spiraea japonica ‘Shirobana’ en Spiraea x bumalda ‘Anthony Waterer’. (60 – 100 cm). Deze soorten kunnen ook als haagjes worden toegepast, maar hebben wel behoefte aan een zonnige standplaats.

Kerria japonica, ranonkelstruik kan eveneens flink worden gesnoeid. De bloei van deze struik valt in april / mei met soms een nabloei in de herfst. Deze struik heeft een sterke en snelle groei en is niet aan te raden voor kleinere tuinen.

Ook is het nu tijd om de sering te snoeien. Seringen, die nooit gesnoeid worden, verliezen hun vorm en bloeien minder. Direct na de bloei kunnen oude takken en oude bloeiwijzen worden verwijderd. Het verwijderen van de uitgebloeide bloemtrossen (vooral bij jonge struiken gewenst) moet  voorzichtig gebeuren, omdat direct onder de uitgebloeide tros, de nieuwe knop voor het volgende seizoen ligt. Net als bij rozen komt er bij de sering nogal eens wortelopslag voor, die regelmatig moet worden verwijderd. Wortelopslag komt vooral voor bij seringen, die zijn veredeld op een onderstam van Syringa vulgaris. Geeft u de sering verder regelmatig mest en plant hem op een zonnige plaats. Een variëteit voor een kleine tuin is Syringa microphylla ‘Superba’, minisering (ca. 1.50 m).

Wanneer andere wat oudere struiken, door achterstallig onderhoud, te groot of te wild zijn en weinig bloei geven, kunt u door verjongingssnoei goede resultaten bereiken. Door gedurende een periode van drie jaar steeds een derde van de oude takken weg te nemen, ontstaat na drie jaar een geheel verjongde struik, die weer een rijke bloei zal geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Week 23

 

In deze periode, waarin de natuur zich in volle glorie presenteert, moet u bedacht zijn op schimmels en plagen, zoals  bladluizen. Er bestaan vele soorten bladluizen, die zich voeden met sappen van bladeren en jonge scheuten. Omdat ze zich razendsnel vermeerderen, kunnen ze  ernstige schade aanbrengen aan knoppen en gewas. Hier komt ook nog bij, dat luizen het teveel aan plantensappen, in de vorm van honingdauw uitscheiden, waarop roetdauwschimmels kunnen gaan groeien. Vruchten worden hierdoor vervuild en de groei van de plant stagneert. Op tijd bestrijden is daarom aan te bevelen. Wat in eerste instantie prima helpt is een koude waterstraal, daar kunt u luizen heel goed mee weg spuiten. U kunt een biologisch middel als Plantschoon of Spruzit (Ecostyle – ook tegen rupsen, witte vlieg en kevers) gebruiken. Zijn de luizen hardnekkig, dan kunt u  In een vroeg stadium  ook het bekende zeep-spiritusmengsel te proberen (20 gram groene zeep en 10 gram spiritus op één liter water, met tussenpozen van 10 dagen herhalen). Zijn er planten met dop-, schild- of wolluisaantastingen dan kan Promenal (Ecostyle) goed dienst doen. Maar ook dop- en schildluizen zijn met de hand weg te vangen. Een bespuiting met lavameel in het voorjaar doet trouwens ook wonderen. Lavameel verstevigt planten en helpt tegen aanvallen van buitenaf.

Verder kan het leliehaantje veel schade aanrichten en komt voor bij lelies en lelieachtigen. Fritillaria imperialis, keizerskroon, die in april / mei bloeit, kan eveneens door deze lastige kever worden bezocht. De larven vreten gaten in het blad en als u er niet op tijd bij bent, worden zelfs knoppen in aanleg weggevreten. U kunt leliehaantjes met de hand vangen en dient tegelijkertijd de uitwerpselen van de larven te verwijderen, omdat zich hieronder de larven bevinden. Een goed biologisch bestrijdingsmiddel is er nog niet (Pyrethrum vloeibaar: chemisch?).

Bij rozen moet u, vooral bij vochtig weer en weinig wind, bedacht zijn op schimmels, zoals meeldauw, sterroetdauw (blackspot) en roest. Meeldauw, dat niet alleen bij rozen voorkomt, veroorzaakt een witte schimmel op planten, die vaak ontstaat als ze te lang in de schaduw staan of te lang nat blijven. Sterroetdauw veroorzaakt zwarte vlekken op het blad, waarna het blad afvalt. Bij roest verschijnen oranje vlekjes op de bladeren, waarna ze eveneens afvallen. Om schimmelziektes te voorkomen kunt u rozen en andere planten preventief behandelen met een plantversterkend middel, zoals Vital. Een ander biologisch middel is Sulphon (Ecostyle). Aangetaste bladeren moet u verwijderen.

Een beestje dat meer afbreuk doet aan de sierwaarde, dan schade aanricht, is de cicade. In het witte schuim zitten de larven van de cicade verstopt. Met een straal water kunt u de spuugbeestjes gemakkelijk verwijderen. Vooral in lavendel komen ze nogal eens voor. Ook emelten kunnen nogal wat schade aanrichten. De larven van de langpootmug vreten aan wortels, maar ook aan de onderste bladeren van planten. Ook in het gazon kunt u ze aantreffen. Giet wat Spruzitoplossing langs de aangetaste plekken, soms helpt dit wel eens. Biologisch zijn deze larven helaas moeilijk aan te pakken.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Week 22

Eind mei / begin juni kunt u Buxus knippen. Wat eerder is natuurlijk ook geen probleem De weersomstandigheden spelen hierbij ook een rol.  Eerder snoeien vereenvoudigt wel het signaleren en de aanpak van de buxusmotrups.

Bij hagen die hoger zijn dan 15 - 20 cm is het van belang dat de zijkanten van de haag licht schuin aflopen. Zo kan het zonlicht de onderkant van de haag bereiken en blijft de haag onderin ook groen.

Om de haagjes mooi op één hoogte te knippen, kunt u een draadje spannen. Knipt u niet tijdens warme perioden en in de volle zon (geldt ook voor andere hagen) en maakt u Buxus voor het knippen nat. Zo voorkomt u snoeischade, zoals zonnebrand en bruine randjes. Bij warme dagen is het belangrijk om Buxus ook na het snoeien nat te maken. Vergeet ook niet om Buxus regelmatig te bemesten.

Buxus ondervindt nauwelijks schade van insecten of andere belagers. Een insect, dat het soms op Buxus heeft voorzien is de palmbladvlo. Deze vlo, die niet veel kwaad doet, legt eitjes in nestjes in de blaadjes van Buxus. De verpoppende larven zien eruit als witachtige kronkeltjes en korreltjes, die u zo uit de struik kunt schudden. Topmijt, daarentegen, zuigt aan de bovenste bladeren, die hierdoor omkrullen en afsterven. Bij aantasting kunt u deze toppen beter verwijderen.

Ook kersen-, perziken- en pruimenbomen kunt u nu snoeien. Deze bomen worden, om loodglans te voorkomen, altijd na de bloei gesnoeid. Loodglans is een schimmel, waardoor de bladeren een grijze tot zilverachtige kleur krijgen en de boom op den duur dood gaat. Deze ziekte kan ook optreden bij peren, wilgen, populieren en elzen. Gebruikt u na het snoeien een wondafdekmiddel.

Ook andere hagen kunt u nu aanpakken. Bladverliezende hagen, zoals haagbeuk en, beukhaag kunnen twee maal per jaar worden gesnoeid. De eerste beurt vindt meestal in juni - voor de langste dag – plaats; de tweede meestal in augustus. Bloeiende bladverliezende hagen snoeit men na de bloei. Bij groenblijvende hagen, zoals Prunus laurocerasus en Ilex, hulst (met snoeischaar) vindt de hoofdsnoei meestal ook voor de langste dag plaats. Een oudere kalende Prunushaag kunt u in april met behulp van een boomzaagje heel diep terug snoeien, als er maar wel wat blad aan blijft zitten.

Jonge hagen moeten aan de onderkant altijd eerst goed dichtgroeien. Daarom is het verstandig om hagen ter bevordering van een goede vertakking direct na het planten te snoeien (toppen). Ieder jaar kunt u de haag dan wat hoger te laten groeien tot de gewenste hoogte is bereikt. Knipt u de haag ook aan beide zijden.

Taxus-, Chamaecyparis- en Thujahagen worden meestal eenmaal per jaar gesnoeid in juli / augustus, maar de hoofdsnoei kan ook rond de langste dag plaatsvinden. Bij coniferen, maar ook bij snelgroeiende hagen, moet u de top er pas verwijderen als de gewenste hoogte bereikt is.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Week 21

Ook het gazon verdient deze maand de nodige aandacht. Om verzekerd te zijn van een mooie en stevige grasmat is het verstandig het gras regelmatig te maaien. Ook dient u de grasmaaier op de juiste hoogte af te stellen en zo vaak te maaien als nodig is, maar tenminste één keer per week. Door regelmatig te maaien wordt de vorming van zijscheuten en de groei bevorderd. Maait u echter niet te kort; dit verzwakt het gazon en verhoogt de kans op onkruid en mos.

Normaliter ligt de juiste maaihoogte van het gras tussen de 3,5 en 5 cm. Bij langdurige droogte is het verstandig het gazon niet korter dan 4 cm te maaien en het maaien uit te stellen tot de avonduren. Als het gras in de morgen wordt gemaaid en de zon er daarna de hele dag op staat, is de kans op verbranding, veel groter. Verder is het raadzaam om gras, dat in de schaduw ligt, door lichtgebrek ook niet korter dan 4 cm te maaien. De maaier daarentegen te hoog afstellen heeft ook geen zin, aangezien de vorming van zijscheuten dan achterwege blijft. Het gras verliest zijn stevigheid en er vallen gaten in het gazon.

Gebrek aan voedingsstoffen kan ook voor gaten in uw grasmat zorgen. Het eerste teken van voedselgebrek is het vergelen van het gras. Op den duur zullen mos en onkruid zich op de ontstane open plekken ongehinderd kunnen vestigen en uitbreiden. Na een eerste bemesting in maart / april is het verstandig in juni / juli een tweede uit te voeren. Door droogte en sterke zonnestralen wordt het gras dan namelijk sterk op de proef gesteld. De laatste mestgift vindt meestal in september / oktober plaats en zorgt ervoor dat uw gazon goed voorbereid en bestand tegen ziektes de winter in kan gaan. Het beste is een bemesting met extra kalium. Kalium verhoogt niet alleen de weerstand, maar versterkt ook het weefsel van gras en bemoeilijkt het binnendringen van schimmels in de cellen, zoals sneeuwschimmel. Sneeuwschimmel, een ziekte, die niets met sneeuw te maken heeft, kan het hele jaar door voorkomen. Het gras vergeelt en sterft, nadat het bruin en papperig is geworden, af. Gras onder bomen of op schaduwplekken kan wat vaker worden bemest, omdat de bomen een gedeelte van de voedingsstoffen aan het gras zullen onttrekken.

Inzaaien van een gazon of het vernieuwen van de oude grasmat kunt u het beste in deze periode doen. Voor eind april is de bodem meestal nog niet genoeg opgewarmd om het gestrooide zaad optimaal te kunnen laten ontkiemen. Opnieuw ingezaaid gras mag u nooit laten uitdrogen. In droge periodes zal het gazon een aantal malen per dag moeten worden besproeid. Een bestaand gazon zult u in droge periodes minstens één à twee keer per week gedurende een half uur moeten besproeien. Door te vaak of elke dag te sproeien blijft de beworteling oppervlakkig en dringen onkruid en mos gemakkelijk de grasmat binnen.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 20

IJsheiligen ligt weer achter ons. Zeker in het binnenland was er nog vorst aan de grond. Maar nu is het tijd om kwetsbare planten buiten te zetten. Houd wel het weerbericht in de gaten en stel planten die onder glas hebben gestaan voorzichtig bloot aan de zon. Het is nu ook de tijd om ‘hanging baskets’ te vullen en buiten te hangen. Deze manden die tegenwoordig erg populair zijn, hingen vroeger alleen bij Engelse huizen en pubs, maar zijn nu overal te vinden. Veel planten, zowel vaste, als eenjarige groeien er uitstekend in, vooral omdat de wortels meer zuurstof krijgen. Wel hebben de manden dagelijks water nodig, omdat vocht aan alle kanten kan verdampen. Als de mand bekleed is met mos of kokosvezel is het verstandig om onder in de beklede mand een schotel of een stukje plastic in de vorm van een kommetje te plaatsen. Hierdoor zal het water niet direct uit de mand weglopen (gebruik i.p.v. potaarde eens cocopeat). De wanden en de bovenkant van de mand kunt u vervolgens beplantenen. Bij het planten is het handig om de mand op een emmer te zetten. De beste plaats voor een mand is in de volle zon of halfschaduw. Geschikte planten zijn: Begonia, Brachycomeiberidifolia, Erigeron, Felicia, Fuchsia, Hedera helix, Helichrysum, Impatiens, Lobelia, Pelargonium, Petunia, Sanvitalia, Scaevola, Thymus en Verbena.

Als u de mand in de herfst opruimt, kunt u het mos, waarmee de mand is bekleed, bewaren. Het mos kan gemakkelijk een tweede seizoen dienst doen. Bewaart u  het mos wel op een koele, vochtige plaats. Hangmanden waarin ook vaste planten zitten, kunnen na het verwijderen van de eenjarigen in een koude kas worden overgehouden. Het is verstandig om bij strenge vorst de manden met wat noppenfolie te beschermen en ze in de winter zonodig wat water te geven. Als u in het voorjaar de vaste planten terugknipt, zullen ze met wat mest, weer in volle glorie, terugkomen.

In de winter is het ook leuk om eens een mand op te hangen met wintergroene heesters, coniferen en groenblijvende vaste planten. Vaak blijven deze met een beetje zorg meerdere jaren aantrekkelijk. De wintergroene struikjes kunt u in het voorjaar in de tuin planten. Ook in het voorjaar kan een hanging basket worden gebruikt. Bollen, die het goed in potten doen, kunnen ook hierin gebruikt worden. Tulpen, narcissen en andere voorjaarsbloeiers, maar ook krokussen zijn een sieraad voor de mand.

Rozen worden in deze periode (ook in maart) bemest met kunstmest of een organische rozenmeststof, belangrijk is dat er magnesium of kieseriet in zit. Bloed- en beendermeel, organische meststoffen, werken wel iets trager maar ook langer door. In het najaar bemesten we alleen nog met een organische meststof zodat de voedingsstoffen voor de plant gedurende de winter langzaam in de grond zakken.

In deze periode kunt u ook Prunus triloba snoeien. Na de bloei dient u deze Prunus op stam terug te knippen tot op 1 à 2 cm van de kroon (knotten), anders zal de struik uit elkaar gaan hangen en zal bloei achterwege blijven. De wortelopslag, die soms onder aan de stam verschijnt, moet eveneens worden weggeknipt.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 19

Half mei (na IJsheiligen) kunnen kuipplanten,  op een bewolkte dag, naar buiten. Om ze aan de buitenlucht te laten wennen, is het verstandig om ze de eerste dagen op een beschutte plaats te zetten (niet in te felle zon). Sommige soorten kunnen in het voorjaar zelfs vroeger naar buiten, zoals laurier (Laurus), olijf (Olea) granaatappel (Punica) en Yucca. Deze planten zijn goed bestand tegen enkele graden vorst en harden beter af als u ze in het najaar zo lang mogelijk buiten laat staan. Als u grotere planten op verrijdbare plateaus plaatst, kunt u ze bij strenge vorst, zo weer naar binnen rijden. Ook kleinere exemplaren van deze soorten kunt u al wat eerder buiten zetten (bij nachtvorst wel even naar binnen).

In het begin van het seizoen is het goed de bladvorming van de kuipplanten te stimuleren met een stikstofrijke mest zoals koemestkorrels. Later in het seizoen is het verstandiger een meststof geven met een relatief laag stikstofgehalte. Ook handig is het gebruik van bemestingstabletten, die hun meststoffen geleidelijk aan de grond afgeven.

Afhankelijk van de soort en standplaats, hebben kuipplanten water nodig. Op een warme, zonnige plaats zal een kuipplant meer water gebruiken dan in de schaduw. Ook een plant in de wind verdampt veel water. Maar de hoeveelheid en de grootte van het blad zijn eveneens  van invloed op de waterbehoefte: hoe groter het blad, hoe meer verdamping!  Zelfs de soort pot heeft hier invloed op. Potten van aardewerk hebben het voordeel dat ze door de zijwanden zuurstof doorlaten, maar er vindt ook meer verdamping plaats. Plastic potten laten daarentegen geen zuurstof door, maar er vindt géén verdamping plaats. Hierdoor groeien de meeste planten in plastic potten vaak beter dan in stenen potten. Zorgt u er bij plastic potten wel voor, dat de potgrond luchtig en niet te nat is. U kunt ook wat kleikorrels door de aarde mengen. Gebruikt u toch liever aardewerken potten dan kunt u om het effect van een plastic pot te krijgen, de potten met plastic of noppenfolie bekleden. Voor potten die ‘s winters buiten staan is het bekleden met noppenfolie eigenlijk een ‘must’. Bij aanschaf van aardewerken potten is het verder verstandig altijd even te vragen of de pot vorstbestendig is.

Let u er verder op, dat sommige planten bij regenachtig weer toch droog kunnen staan. Dit kan komen door de bladstand of de hoeveelheid blad van de plant, waardoor het water naast de pot terechtkomt. Hetzelfde geldt voor potten tegen muren en onder afdakjes. Bedenkt u echter wel, dat overmaat schaadt. Een plant gaat eerder dood door te veel dan te weinig water. Zorgt u daarom ook voor afwateringsgaatjes in uw potten. Zijn die er niet, dan is dit met  een boormachine op te lossen, vooral bij zinken voorwerpen. Bij geglazuurde potten ligt dit moeilijker, omdat bij het boren van gaten, snel beschadigingen kunnen optreden. Ook een gietrand is handig; dit is een beetje ruimte tussen de bovenkant van de pot en de aarde. Deze gietrand voorkomt morsen van aarde en water bij het water geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 18

Omdat ter plaatse gezaaide eenjarigen vaak de plaats van bollen innemen, is het nu tijd om die uitgebloeide bollen uit de grond te halen. Als u er een plekje voor heeft, kunt u de bollen opkuilen en af laten sterven. Wanneer het blad is afgestorven (dor en bruin) worden de bollen gepeld, zodat een gaaf en bruin schilletje overblijft. De bollen kunt u eventueel bewaren in eierdozen met hierop de naam van het bolgewas. Kleinere bolgewassen, zoals Scilla en winterakonietjes kunnen blijven staan om af te sterven. Ook botanische tulpen kunnen in de grond blijven. Na de laatste nachtvorst kunnen ook dahliaknollen de grond in; een minimale plantafstand van 60 cm is gewenst. Het is handig om, voordat u de dahliaknollen plant, stokken in de grond te slaan om de dahlia’s later aan op te kunnen binden. Dahlia houdt van een ietwat vochtige grond.

Ook een aantal vaste planten hebben een steuntje nodig; vooral hoge soorten die in de wind staan. Het zou zonde zijn om na de eerste zware voorjaarsbui te moeten constateren, dat uw hogere vaste planten omliggen. Voor het opbinden kunt u snoeihout gebruiken of bamboestokken, maar ook halve of hele cirkels van ijzer of kunststof. In april kunt u ook net boven de planten een raster zetten. De stengels groeien hier doorheen en als de stengels langer worden, schuift u  het raster omhoog.

Planten, die bijna altijd steun nodig hebben zijn: Achillea, Aster, Alstroemeria, Campanula lactiflora, Chrysanthemum (Leucanthemum, o.a. margriet), Delphinium, hogere Geraniumsoorten, Helenium, Heliopsis, Paeonia, pioenrozen en Rudbeckia.

Om stevigere, kortere en vollere vaste planten te krijgen kunt u een aantal soorten ‘koppen’. Dit is het terugknippen van de uiteinden van stengels, wanneer deze ongeveer 15 à 20 cm hoog zijn (rond half mei). Deze methode wordt vooral gebruikt bij een gedeelte van een groep van dezelfde vaste planten. Door hier en daar de stengels van de planten van een zelfde soort in te korten, krijgt u een langere, meer gespreide bloei. Bij de volgende soorten geeft dit goede resultaten: Achillea, Aster, Chrysanthemum maximum, Campanula lactiflora, Coreopsis verticillata, Delphinium, Echinops, Erigeron, Gaillardia, Helenium, Lysimachia punctata, Phlox, Rudbeckia, Salvia en Solidago.

Bij de hogere Miscanthus sinensis-soorten (prachtriet) is het verstandig om de buitenste delen weg te knippen. Hierdoor blijft het hart van de plant jong en de stengels stevig. Vaak wordt de plant namelijk te vol en te zwaar, gaan de stengels in het midden van de plant zakken, waardoor de rest mee gaat.

Er is ook een aantal vaste planten, die U na de bloei terug kunt snoeien. Naast een opgeruimde tuin levert dit ook een tweede bloei op. Planten, die hier geschikt voor zijn: Achillea millefolium, Alchemilla mollis, Centaurea montana, Delphinium, Echinops, Euphorbia polychroma, Geranium, Lupinus, Nepeta, Salvia, Stachys en Symphytum.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

 

Tuintips week 17

Als u in uw kasje naast jonge zaailingen overjarige planten heeft staan, controleert u dan regelmatig op luis en andere plagen. Het zou jammer van al uw inspanningen zijn, als de nieuwelingen aan de vraatzucht van ongedierte ten prooi zouden vallen. Denkt u er bij het gebruik van bloempotten of bakken altijd aan, dat er voor een goede afwatering gaten in aanwezig moeten zijn. Ook bij teilen en emmers van zink dient u door het boren van gaatjes voor een goede afwatering zorgen. De wortels van de planten zullen anders verrotten en afsterven.

In de laatste weken van april kunt u voorzichtig beginnen met het direct ter plaatse zaaien van zomerbloemen. Een aantal soorten kan zowel in februari in kas, bak of venster worden gezaaid, als later in het voorjaar buiten. Het voordeel van plantjes die in februari gezaaid zijn, is echter dat deze in mei, al veel verder ontwikkeld zullen zijn dan ter plaatse gezaaide.

Er zijn ook eenjarigen die niet voorgezaaid kunnen worden; het betreft hier de meeste leden van de Papaver-familie. Zij beschikken over een penwortel, waardoor bij het verspenen kans op beschadiging bestaat. Ook het slaapmutsje kan niet worden verspeend.  Andere planten, die ook direct buiten gezaaid kunnen worden, zijn: Agrostemma,  Centaurea cyanus, Tropaeolum majus),  Calendula officinalis en Cosmea.

Om direct buiten te zaaien is een goede voorbereiding van de bodem noodzakelijk. Dit gaat zo: spit de aarde, maak de aarde fijn met een hark, verwijder onregelmatigheden en voeg eventueel wat compost toe. Hark hierna het zaad voorzichtig in. Bij fijn zaad is het moeilijk om dun te zaaien. Gemengd met wat scherp zand, gaat dit een stuk beter. Grotere zaden, zoals zonnepitten kunt u op ruime afstand van elkaar in de grond drukken, de ideale zaaidiepte is drie tot vijf cm.  Als de plantjes opkomen kunt u ze uitdunnen.

Eenjarigen verdragen nijpen of toppen vaak heel goed. Om bredere, bossige planten te krijgen, nijpt u met de vinger uit iedere hoofdscheut het bovenste gedeelte. Hoewel zelf zaaien een leuke en lonende bezigheid is, is er natuurlijk niets op tegen om eenjarigen te kopen. Veel mensen zullen daar uit ruimtegebrek zelfs toe genoodzaakt zijn. Reeds vroeg in het seizoen zijn eenjarigen al volop te koop. Plant ze echter niet te vroeg, want de meeste eenjarigen verdragen geen vorst en dat zou zonde van het geld zijn. Wacht u liever tot de kans op nachtvorst is verdwenen. Meestal wordt IJsheiligen als peildatum aangehouden; dit is de periode van 13,14 en 15 mei. Wat later uitgeplant zullen eenjarigen, niet gehinderd door de kou, probleemloos groter worden.

Plant eenjarigen nooit uit bij zonnig weer. Zowel planten als wortels zullen dan snel uitdrogen en dit kan tot grote schade leiden. Verder is het raadzaam om na het uitplanten ruim water te geven.

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl

Tuintips week 16

Week 16

In maart en april kunt u vaste planten verplaatsen en scheuren. De naam ‘vast’ hebben ze te danken aan het gedeelte dat zich in de grond bevindt. Bij de meeste vaste planten verdwijnt het gedeelte boven de grond na de bloei of de eerste zware nachtvorst, terwijl de wortels levend blijven om het volgende voorjaar weer opnieuw uit te lopen. Na verloop van drie, vier of 5 jaar zijn vaste planten vaak zover uitgegroeid, dat u ze ter verjonging moet opnemen en scheuren. Na het opgraven van de planten, worden de beste delen (aan de buitenkant) eraf gehaald en opnieuw geplant; de oude kern wordt opgeruimd.

Niet alle planten hoeven te worden verjongd en vormen dan ook een uitzondering op deze regel. Het betreft alle planten met min of meer vlezige wortels, zoals pioenrozen, Japanse anemoon en Alstroemeria. Deze plantensoorten kunt u jarenlang op dezelfde plaats laten staan.

Vaste planten, die niet op de juiste plaats staan kunt u nu ook verplaatsen. Ook in mei kan dit nog, mits de grond rondom de plant goed natgehouden wordt. Bij het verplanten moet u de wortelkluit zoveel mogelijk intact laten en is het raadzaam om fijne aarde tussen de wortels te strooien en de planten stevig aan te drukken. Ook moet u er bij het verplanten en scheuren voor zorgen dat uitgegraven plantdelen niet te lang boven de grond liggen.

Naast scheuren en verplanten kunt u natuurlijk ook nieuwe planten in de tuin zetten; planten in potten kunnen, als het weer het toelaat, bijna het hele jaar door worden geplant.

Om te weten hoeveel planten u ongeveer per m²  moet aanschaffen is het goed kennis te nemen van het volgende. Vaste planten worden in drie hoogten verdeeld: hoogte I: hoger dan 60 cm (bij deze hoogte plant men 50-60 cm uit elkaar: 2-4 stuks per m²); hoogte II: 30–60 cm (bij deze hoogte plant men circa 30 cm uit elkaar: 4–7 stuks per m²) en hoogte III: tot 30 cm (bij deze hoogte plant men 10–30 cm uit elkaar: 7–12 stuks per m²). Een precies aantal per hoogte is moeilijk te geven, omdat dit afhankelijk is van groeiwijze, concurrentiekracht en hoogte.

Bij zogenaamde bodembedekkers, moet een vak minimaal 50 x 50 cm zijn om enig effect te kunnen sorteren. Een uitzondering hierop zijn rotstuinen, waarin vaak veel verschillende en kleine (rots)planten worden toegepast. Het is handig om bij de aanleg van een rotstuin(tje) een beplantingsplan te maken, waarbij u globaal aangeeft waar u bepaalde planten wilt hebben. Ook hierbij gaat weer de regel op van de juiste plant op de juiste plaats.

Bij ‘gewone’ tuinen zijn de grootte en vorm van de plantvakken meer een kwestie van gevoel dan van vastgestelde regels. Hoedt u echter voor zogenaamde ‘postzegelverzamelingen’, waarbij op een klein stukje grond een te groot aantal soorten vaste planten aanwezig is.

 

Anneke

Heeft u vragen: info@westland.groei.nl